Hoofdmenu openen

Wijzigingen

4 bytes verwijderd, 1 jaar geleden
Zijn stoffelijke resten werden op 22 september 1550 opgegraven door [[Christina van Denemarken (1521-1590)]], regentes van Lotharingen, op verzoek van [[keizer Karel V]], de achterkleinzoon van Karel de Stoute. Vanuit Nancy werden ze eerst naar [[Luxemburg (stad)]] overgebracht, waar ze in het Minderbroederklooster een plaats kregen. Begin 1553 werden ze ten slotte naar [[Brugge]] overgebracht. Daar werden ze eerst tijdelijk in de collegiale [[Sint-Donaaskathedraal]], die op de [[Burg (Brugge)|Burg]] stond, begraven. Op 7 juni 1553 vonden ze hun definitieve rustplaats in de collegiale [[Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge|Onze-Lieve-Vrouwekerk]] te Brugge, aanvankelijk in de grafkelder van zijn dochter en opvolgster [[Maria van Bourgondië (hertogin)|Maria van Bourgondië]] in het koor van de kerk en vanaf 1563 in een eigen praalgraf, vervaardigd door [[Jacob Jonghelinck]], naast dat van Maria. Tijdens de [[Franse Revolutie]] werden beide praalgraven in verzekerde bewaring gebracht maar de grafkelders werden geplunderd. Vermoedelijk ging wat overbleef van de stoffelijke resten van Karel de Stoute toen verloren. De ligbeelden, de familiestambomen en de wapenschilden die het grafmonument versierden, waren tijdig in veiligheid gebracht. In 1806 werden beide grafmonumenten gereconstrueerd in de Lanchalskapel. In 1810 werden ze bezocht door Napoleon en Marie-Louise, die een toelage verleende voor de verdere restauratie.
 
Pas bij de archeologische opgravingen van 1979 werden de praalgraven opnieuw in hun originele toestand heropgebouwd op hun oorspronkelijke plaats in het koor van de kerk. Bij die opgravingen werd het skelet van Maria van Bourgondië teruggevonden en geïdentificeerd, maar niet dat van Karel de Stoute. Waar het gebleven is, is nog een raadsel gebleven.
 
=== Na Karels dood ===
Anonieme gebruiker