Hoofdmenu openen

Wijzigingen

k
Ivm uitschakeling PMID als magische link
| latijn =
| Latijn1 = Syndroma Downii<ref name="NE2">International Anatomical Nomenclature Committee (1983). ''Nomina Embryologica and Nomina.'' Baltimore/London: Williams & Wilkins</ref><br />
Trisomia 21<ref name="NE2" /><br />
Morbus Langdon-Down<ref name="Hildebrandt1998">Hildebrandt, H. (Red.) (1998). ''Pschyrembel Klinisches Wörterbuch.'' (258. Auflage). Berlin/New York: Walter de Gruyter.</ref>
| Oudgrieks1 =
| Nederlands1 = Downsyndroom<ref name="Pinkhof2012" /><br />
Mongoloïde idiotie<ref name="Pinkhof2012" />
| ICD10 = {{ICD10|Q|90||q|90}}
| ICD9 = {{ICD9|758.0}}
Het '''syndroom van Down''' of '''trisomie-21'''<ref name="Pinkhof2012">Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). ''Pinkhof Geneeskundig woordenboek'' (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.</ref> is een [[aangeboren afwijking]] die gepaard gaat met een [[mentale retardatie|verstandelijke beperking]], typerende uitwendige kenmerken en bepaalde medische problemen, en die veroorzaakt wordt doordat het [[Genoom|erfelijk materiaal]] van [[chromosoom 21]] in drievoud voorkomt (in plaats van in tweevoud).
 
Het syndroom komt voor op ongeveer 4,6 van de 10.000 geboortes<ref name="GrantGoward2010">{{citeCite book|author1=Gordon Grant|author2=Peter Goward|author3=Paul Ramcharan|coauthors=Malcolm Richardson|title=Learning Disability: A Life Cycle Approach to Valuing People|accessdate=10 april 2012|date=1 mei 2010|publisher=McGraw-Hill International|isbn=978-0-335-21439-6|page=43-44}}</ref> en in alle bevolkingsgroepen. Analoge condities zijn ook bij andere diersoorten aangetroffen, zoals bij [[chimpansee]]s.<ref>{{citeCite journal |author=McClure, HM; Belden, KH; Pieper, WA; Jacobson, CB |title=Autosomal trisomy in a chimpanzee: resemblance to Down's syndrome |journal=Science |volume=165 |issue=3897 |pages=1010–12 |year=1969 |month=September |pmid=4240970 |doi=10.1126/science.165.3897.1010}}</ref>
 
== Geschiedenis en naam ==
In 1838 beschreef de Franse psychiater [[Jean-Étienne Dominique Esquirol|Jean-Étienne Esquirol]] voor het eerst het klinische beeld van het syndroom dat later het syndroom van Down zou worden genoemd. In 1846 beschreef de Frans-Amerikaanse arts [[Édouard Séguin]] het syndroom. In 1866 publiceerde de Britse arts [[John Langdon Down|John Langdon Haydon Down]] een uitgebreid klinisch beeld van mensen met deze afwijking. Hij sprak over 'mongoloïde idiotie'. De oorzaak kende hij nog niet, maar later werd de afwijking naar hem vernoemd. In 1932 opperde de Nederlandse oogarts en geneticus [[Petrus Johannes Waardenburg]] dat het syndroom van Down veroorzaakt zou kunnen worden door een chromosoomafwijking. De Franse kinderarts [[Jérôme Lejeune]] schreef in 1959 voor het eerst dat er sprake was van [[trisomie]] (de aanwezigheid van drie in plaats van twee chromosomen) van [[chromosoom 21]].
 
Down gebruikte de in zijn tijd populaire indeling<ref>Johann Friedrich Blumenbach, ''De generis humani varietate nativa liber'' (Goettingae, Apud viduam Abr. Vandenhoek, 1781).</ref> van de Duitse antropoloog en anatoom [[Johann Friedrich Blumenbach]] om de bewoners van het Royal Earlswood Asylum for Idiots in te delen in verschillende "rassen". De basis van deze etnische classificatie was de meting van de diameter van het hoofd en de identificatie van verschillende kenmerken van het gezicht die hij vond op foto’s die hij zelf maakte. Door middel van deze indeling probeerde hij onderscheid te maken tussen aangeboren en verworven aandoeningen.<ref>Ward OC, ''John Langdon Down: the man and the message'' (Downs Syndr Res Pract. 1999, 19-24).</ref> Naar aanleiding van zijn bevindingen publiceerde Down in 1866 in de London Hospital Reports een artikel<ref>J. Langdon H. Down, ''Observations on an Ethnic Classification of Idiots'' (London Hospital Reports, 3:259-262, 1866).</ref> waarin hij verstandelijk gehandicapten indeelde in deze etnische categorieën. In het artikel “Ethnic classifications of idiots” besteedde hij vooral veel aandacht aan wat hij noemt “The great Mongolian family”. In het artikel beschrijft hij een jongetje met trisomie-21. Van Downs indeling is alleen zijn beschrijving van mongolisme algemeen bekend geworden. De term 'mongolisme' is binnen de westerse wereld zo’n 100 jaar een geaccepteerde term gebleven. Na de ontdekking in 1959 van de oorzaak van zijn syndroom, de trisomie-21, raakte de term in onbruik. Op verzoek van onderzoekers<ref>{{citeCite journal |first=Allen |last=Gordon |coauthors=C.E. Benda, J.A. Böök, C.O. Carter, C.E. Ford, E.H.Y. Chu, E. Hanhart, George Jervis, W. Langdon-Down, J. Lejeune, H. Nishimura, J. Oster, L.S. Penrose, P.E. Polani, Edith L. Potter, Curt Stern, R. Turpin, J. Warkany, and Herman Yannet |year=1961 |title=Mongolism (Correspondence) |journal=[[The Lancet]] |pages=775 |volume=1 |issue=7180}}</ref> en van [[Mongolië]]<ref>{{citeCite journal|last=Howard-Jones |first=Norman| date=1979 |title=On the diagnostic term "Down's disease"| journal=Medical History |volume=23 |issue=1 |pages=102–104 |id={{PMID |153994}}}}</ref> is de term in 1965 officieel verdwenen als naam voor trisomie-21.
 
== Oorzaken ==
Mensen die dit syndroom hebben, hebben het [[Desoxyribonucleïnezuur|DNA]] van alle [[genen]] die gelegen zijn op chromosoom 21 te veel in al (of veel van) hun lichaamscellen. Daardoor worden in die cellen allerlei eiwitten in overmaat geproduceerd. Eén daarvan is bijvoorbeeld het ß-amyloïd precursor-eiwit APP<ref>Bronnen Nederlandse nomenclatuur: (1) [http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/zoeken/download.php?id=427 "Neuropsychiatrische diagnostiek bij verstandelijk gehandicapten"] (pdf), waarin de zin: "De pathogenese hiervan hangt vermoedelijk samen met een overexpressie van het ß-amyloïd precursor-eiwit op chromosoom-21"; (2) schriftelijke weergave (pdf) van de toespraak "Algemene liquor diagnostiek en diagnostiek van neurodegeneratieve aandoeningen" van biochemicus M.M. Verbeek in Ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede op 23 mei 2002, waarin staat: "De functie van het amyloïd β protein (Aβ) is nog onbekend. Aβ is een afsplitsingsproduct van het amyloïd precursor eiwit APP en is het belangrijkste bestanddeel van seniele plaques bij de ziekte van Alzheimer."</ref> (peptidase nexin-II), dat een rol speelt bij het ontstaan van de [[ziekte van Alzheimer]]. Het teveel aan chromosoom 21 kan op drie manieren ontstaan:
[[Bestand:Down_Syndrome_Karyotype.png|thumb|Karyogram (chromosomenkaart) van iemand met trisomie-21: er is een derde chromosoom 21 aanwezig.]]
* In 95% van de gevallen is er sprake van [[trisomie]]-21. Dat wil zeggen, dat er in iedere cel drie in plaats van twee exemplaren van [[chromosoom]] 21 aanwezig zijn. Bij de [[Meiose|vorming van de geslachtscel]], meestal de [[eicel]], zijn er twee chromosomen 21 in plaats van één in de kern gekomen, doordat de twee chromosomen 21 bij de [[Meiose|reductiedeling]] niet van elkaar losraakten ([[non-disjunctie]]). Na de bevruchting waren er daardoor drie. Bij het verouderen van de [[eicel]]len komt deze afwijking beduidend vaker voor. Op gevorderde leeftijd van de moeder stijgt het risico op de geboorte van een kind met trisomie-21 aanmerkelijk. Het risico van het hebben van een kind met het syndroom van Down op leeftijd van de moeder 25 is 1 in 1250; op leeftijd 30 is 1 in 1000; op leeftijd 35 is 1 in 400; op leeftijd 40 is 1 in 100; op leeftijd 45 is 1 in 30.<ref>http://www.medicinenet.com/down_syndrome/page2.htm#risk</ref> <ref>http://www.marchofdimes.com/baby/birthdefects_downsyndrome.html</ref> Hoewel echter de kans op een kind met het syndroom van Down groter is bij oudere moeders, worden de meeste kinderen met dit syndroom geboren uit jonge moeders. Er bestaat overigens ook een geringe correlatie met de leeftijd van de vader.
* Bij 4% van de Down-patiënten is er sprake van een ("ongebalanceerde") [[translocatie]] van chromosoom 21. Ook hierbij is er een derde chromosoom 21 in elke cel aanwezig, maar dit ligt niet los in de celkern, maar zit vast aan [[chromosoom 14]], of er zitten twee chromosomen 21 aan elkaar vast. Het is ook mogelijk dat de vader of moeder een "gebalanceerde" [[translocatie]] had. Bij hem of haar zat dan een van de chromosomen 21 vast aan chromosoom 14, of zaten twee chromosomen 21 aan elkaar. Wanneer echter het totaal aantal exemplaren van chromosoom 21 in iedere celkern twee blijft, is er met een "drager" zelf meestal niets aan de hand. Hun kinderen lopen echter een grote kans op het syndroom van Down (bij 14/21 translocatie 1:3 en 1:3 zal drager zijn; een drager van 21/21 translocatie zal alleen maar kinderen met het syndroom van Down kunnen krijgen). In de meeste gevallen zijn de ouders echter geen drager en is de translocatie bij de vorming van de geslachtscellen voor het eerst ontstaan. In Nederland zijn enkele tientallen families opgespoord met dragers die zelf niet het syndroom van Down hebben. Kinderen van dragers kunnen zelf ook weer drager zijn zonder dat zij dat weten of merken.
* In 1% van de gevallen is er sprake van [[mozaïcisme]] voor chromosoom 21; dat wil zeggen dat slechts een deel van de cellen een derde chromosoom 21 heeft. Deze stoornis is ontstaan bij een van de eerste [[Mitose|celdelingen]] in het jonge embryo, doordat het verdubbelde chromosoom 21 bij de celdeling niet van elkaar losraakte ([[non-disjunctie]]).
 
== Diagnose ==
Na de geboorte is de [[diagnose]] van het syndroom van Down meestal niet moeilijk te stellen, vanwege de diverse typische uiterlijke kenmerken. Toch komt het ook nog wel voor dat het syndroom na de geboorte niet meteen opvalt. In de westerse landen wordt de diagnose vaak al voor de geboorte gesteld. Met behulp van [[echografie]] kan men tussen de 11e en 14e week van de zwangerschap de nekplooi meten, en deze is bij een foetus met down vaak verdikt. Combineert men deze meting met de bepaling van een aantal stoffen in het bloed van de moeder (PAPP-A en beta-HCG), dan kan hieruit de kans op een kind met het syndroom van Down met een nauwkeurigheid van 90% worden voorspeld. Combineert men dit tevens met een echoscopische meting van het neusbotje, dan is de betrouwbaarheid zelfs 95%. Doorgaans wordt bij een risico groter dan 1:250 een [[vruchtwaterpunctie]] geadviseerd, waarmee de diagnose gesteld kan worden. Een vruchtwaterpunctie is echter niet zonder risico; de kans op het verlies van de zwangerschap door de ingreep werd in studies uit de jaren 70 geschat op 0,5%. Uit recent onderzoek blijkt het attributief risico 0,06% te zijn.<ref>{{citeCite journal |author=Eddleman KA, Malone FD, Sullivan L, ''et al.'' |title=Pregnancy loss rates after midtrimester amniocentesis |journal=Obstet Gynecol |volume=108 |issue=5 |pages=1067–72 |year=2006 |month=November |pmid=17077226 |doi=10.1097/01.AOG.0000240135.13594.07 |url=}}</ref>
 
Er kunnen verscheidene redenen zijn waarom ouders willen weten of zij het risico lopen een kind met het syndroom van Down te krijgen: