Oldambtster boerderij: verschil tussen versies

60 bytes verwijderd ,  4 jaar geleden
taalcorrecties +deze zin tijdelijk verborgen "In de hogere middenbeuk is meestal tegen het midden de achtergevel bevond de paardenstal en ruimte voor werktuigen te vinden", graag herformuleren
k (typo's)
(taalcorrecties +deze zin tijdelijk verborgen "In de hogere middenbeuk is meestal tegen het midden de achtergevel bevond de paardenstal en ruimte voor werktuigen te vinden", graag herformuleren)
Aanvankelijk was de dakheling van de woongedeelten in het z.g. voorhuis steiler dan het tevens hogere dak van de achter de [[brandmuur]] aangebouwde schuur; bij later gebouwde en ver- of herbouwde boerderijen werden dakhelling en nokhoogte woonhuis en schuur meer gelijk waarbij de brandmuur nog wel iets boven de daklijn uit bleef steken; de nog latere verschijningsvorm waarbij voorhuis en schuur en de hen scheidende [[brandmuur]] geheel verdwijnen onder één en hetzelfde dakvlak wordt als typerend voor de meeste nog bestaande Oldambster Boerdederijen beschouwd.<br />
Uit deze laatste vorm hebben zich verscheidene afgeleiden van de Oldambster boerderij ontwikkeld, waaronder het over het algemeen iets kleiner opgezette Veenkoloniale-type. Vaak ontbreekt bij deze 'doorontwikkelingen' een volledig tot de nok doorlopende brandmuur; soms ontbreekt deze zelfs geheel.<br />
Daarnaast treft men op het Gronigse platteland nog veel kleine arbeidershuisjes aan die qua uiterlijk, kompleet met krimpen en korenzoldervenstertjes, sprekend lijken op een soort mini-uitvoering van de Oldambster boerderij. Veel van deze typische arbeidershuisjes hebben echter al hun typische uiterlijk verlerenverloren door allerhande verbouwingen ten behoeve van meer woonruimte en wooncomfort.
 
De oudst bekend bekendstaande Oldambster boerderij (eerste vermelding 1576) staat aan de [[Noorderstraat 4 (Noordbroek)]], aangenomen wordt dat deze boerderij begin 19de eeuw al min of meer haar huidige vorm kreeg.
 
==Constructie ==
Naast de min of meer doorlopende nokhoogte van de daklijn zijn de typisch voor de bouwvorm van Oldambtster boerderijen de zogenaamde krimpen.
===== Noklijn =====
Door de min of meer doorlopende daklijn over zowel woongedeelte schuur wijken Oldamster boerderijen duidelijk af van ander grote boerderijen uit de [[Noordelijke huisgroep]] met zoals kop-(hals)-romp-boerderijen.
In de loop der tijd is de daklijn van Oldambster boerderij meer en meer geëvolueerd van...<br />
- een voorhuis en schuur met verschillende dakhelling aarnaar wel een min of meer gelijke nokhoogte en slechts gescheiden door de zichtbaar boven de daklijn uitstekende brandmuur.<br />
- naar een verschijningsvorm waar voorhuis en schuur zich tezamen bevinden onder één dak van gelijke dakhelling en een doorlopende nok, waarbij de brandmuur onder de daklijn is komen te liggen.<br />
''- in laatste stadium is het voorhuis soms toch weer verworden tot een geheel dat zich kwaqua dakvorm weer duidelijker onderscheidt van de aangebouwde schuur met wel gelijke nokhoogte maar de ogenschijnlijke verschijningsvorm van een dwarshuis met een schilddak of zelfs en in bouwstijl geheel afwijken 'villa-vorm'.''
 
===== Krimpen =====
Waar de schuur de maximale breedte van het gebouw heeft aan de achterzijde en richting de woongedeelten van het voorhuis als het ware trapsgewijze krimpt (smaller wordt). Het na elke krimp smaller geworden gebouw is ter plekke noodzakelijkerwijs ook voorzien is van hogere zijgevels. <br />
Deze hogere zijgevels maken het mogelijk ter plekke ook aan de zijgevel hogere/grotere ramen te plaatsen waardoor in de woongedeelten een grotere lichtinval mogelijk werd.<br />
===== Woongedeelte =====
Het dak wordt gedragen door een z.g. dekbalken of Fries [[gebint]]. De afzonderlijke gebinten zorgen ervoor dat de hoge middenbeuk van de schuur in de lengte op natuurlijke wijze wordt verdeeld in circa zes meter brede vakken.
 
Het dak is een [[zadeldak]] dat in de loop der tijd steeds vaker aan voor- en achter-zijde voorzien werd van een afgeschuind vlak, het [[wolfsdak|wolfseind]]; de voorhuisgevel van veel oudere Oldambtster boerderijen zijn echter nog steeds voorzien van, naargelang de plaatsing van de voorste schoorsteen, een meer traditionele tuit- of punt-gevelsgevel.
 
===== Schuur =====
De driebeukige schuren van typische Oldambtster boerderijen zijn relatief groot; oppervlaktematen van 900m<sup><sup>2</sup></sup> of meer afmetingen LxBxH 50m*23m*12m zijn niet uitzonderlijk.<br />
De schuur driebeukige schuur is traditioneel verdeeld in een aantal door (halfsteens) muren gescheiden gedeelte. In de zijbeuk direct grenzend aan het achterhuis bevindt zich de koestal, richting achtergevel was veelal ook ruimte voor enkelenkele varkenshokken en jongvee. De koeien worden twee aan twee gestald tussen [[wilgenteen|wilgentenen]] of houten schotten die de gebintenstijlen met de buitenmuur verbinden.<br />
<!--- In de hogere middenbeuk is meestal tegen het midden de achtergevel bevond de paardenstal en ruimte voor werktuigen te vinden. -->Het gedeelte van de middenbeuk boven en voor de paardenstal wordt door de plaatsing van de gebinten op natuurlijke wijzen verdeeld in diverse vakken met de mogelijkheid voor oogstopslag van diverse gewassen en [[hooi]]opslag.<br />
De zijbeuk aan de andere zijde vormt de zogenaamde baan of baander en wordt aan weerszijden afgesloten door de z.g. baanderdeuren.
 
===== Baan(der) =====
De Baan of baander neemt bevindt zich min of meer op de plek die in andere boerderijen van de Friese bouwgroep wordt aangeduid als dors, dars of deel. Het verschil tussen een de baander en de andere genoemde vormen is voornamelijk gelegen in het logistiek gebruik van de baan(der). Doordat de baander aan weerszijden is voorzien van grote en hoge baanderdeuren <small>(abusievelijk ook wel zelf aangeduid als baander, mogelijk als verbastering van het woord baandeur)</small> was het mogelijk met verscheiden wagens tegelijk van achter naar voor door de baan langs de vakken (met oogstopslag) te rijden. Hierdoor was het mogelijk met verscheidene hoog opgetaste wagens tegelijk de oogst de schuur in te rijden en achtereenvolgens te lossen. De geloste wagen konden vervolgens door de voorste baanderdeur weer vertrekken voor nieuwe oogst/lading zonder de voortgang van het werk in de schuur noemenswaardig te hinderen.<br />
Het begrip baan(der) vraagt enige nadere uitleg.<br />
De Baan of baander neemt bevindt zich min of meer op de plek die in andere boerderijen van de Friese bouwgroep wordt aangeduid als dors, dars of deel. Het verschil tussen een de baander en de andere genoemde vormen is voornamelijk gelegen in het logistiek gebruik van de baan(der). Doordat de baander aan weerszijden is voorzien van grote en hoge baanderdeuren <small>(abusievelijk ook wel zelf aangeduid als baander, mogelijk als verbastering van het woord baandeur)</small> was het mogelijk met verscheiden wagens tegelijk van achter naar voor door de baan langs de vakken (met oogstopslag) te rijden. Hierdoor was het mogelijk met verscheidene hoog opgetaste wagens tegelijk de oogst de schuur in te rijden en achtereenvolgens te lossen. De geloste wagen konden vervolgens door de voorste baanderdeur weer vertrekken voor nieuwe oogst/lading zonder de voortgang van het werk in de schuur noemenswaardig te hinderen.<br />
Door de gewoonlijk aanzienlijk breedte (5m-8m) van de zijbeuk van de baander bleef er tegen de buitenmuur voldoende ruimte over het gebruik als dorsvloer/deel en zelfs voor het stallen van wagens en werktuigen. Het was echter niet ongebruikelijk dat er benevens het hoofdgebouw ook een losse wagenschuur op de boerenplaats stond.