Hoofdmenu openen

Wijzigingen

23 bytes verwijderd, 4 jaar geleden
k
===Mahajanapada's===
[[File:Mahajanapadas (c. 500 BCE).png|thumb|350px|De locatie van de zestien [[mahajanapada's]] rond 500 v.Chr..<ref>Kaart gebaseerd op: Kenoyer (1995); Raychaudhuri (1972); Schwartzberg (1992); Singh (2009)</ref>]]
Aan het einde van de Vedische tijd vonden twee belangrijke politieke ontwikkelingen plaats. Ten eerste waren de janapada's door verovering of samensmelting van verbonden van stammen steeds groter geworden. Deze grotere stamverbanden worden "[[mahajanapada|mahajanapada's]]" genoemd. In bijvoorbeeld het geval van het koninkrijk [[Panchala]] in de centrale Gangesvlakte wijst de naam op de oorsprong in een verbond van vijf stammen ("panch" betekent vijf). De latere Vedische bronnen noemen zestien mahajanapada's, die in de 6e en 5e eeuwen v.Chr. in een band over het noorden van het subcontinent verspreid lagen. Enkele belangrijke rijken waren [[Gandhara]] met de hoofdstad [[Taxila (Pakistan)|Taxila]] in het noordwesten (tegenwoordig in het noorden van Pakistan), en [[Koshala (koninkrijk)|Koshala]] en [[Magadha]] verder naar het oosten van de Gangesvlakte. De hoofdstad van Koshala, [[Ayodhya]], is inwaar de ''Ramayana'' de hoofdstad waarvanuit Ramazich regeertafspeelt. De meest oostelijke van de mahajanapada's was het koninkrijk [[Anga]] in de [[Gangesdelta]].
 
Een tweede, parallelle ontwikkeling was dat de positie van de koning een religieuze aard kreeg en daardoor onaantastbaarder werd. De vorst werd verantwoordelijk gehouden voor het handhaven van de kosmologische orde en vruchtbaarheid van het land. Koning en brahmanen vormden in de late Vedische maatschappij de bovenklasse en waren voor behoud van hun dominante positie wederzijds afhankelijk van elkaar. In koninkrijken als Magadha of Koshala was het koningschap in principe erfelijk. De leider kwam echter vaak aan de macht als gevolg van een machtsstrijd binnen de belangrijkste families. Voor zijn legitimiteit was hij afhankelijk van de brahmanen, die door de koningen beloond werden met patronage, land en goederen. Als onderdeel van de machtsovername was de koning verplicht rituele bezoeken aan de belangrijkste familiehoofden te brengen voordat hij de troon kon bestijgen. De gewone bevolking had echter niets in te brengen en was slechts getuige bij de "rajasuya" waaraan de heerser zijn macht ontleende.<ref name="K&R44">Kulke & Rothermund (2004), p44</ref>
 
Staatjes bestuurd door een raad van leiders ("gana-sangha's") waren rond 500 v.Chr. op hun retour, hoewel dergelijke "republiekjes" tot ver na de Vedische periode voor bleven komen: de [[Licchhavi's]] in het oosten van de Gangesvlakte en het tegenwoordige [[Nepal]] zijn daarvan een bekend voorbeeld.
 
===Sramanisme===
In de 6e en 5e eeuw v.Chr. ontwikkelde zich uit de mystici van de ''Upanishaden'' een belangrijke stroming tegen het brahmanisme. Deze "[[Sramanisme|sramanabeweging" of sramanisme]]" verwierp het rigide kastenstelsel, de offercultus en de dominante rol van de brahmanen bij de uitoefening van religie. De sramana's waren [[ascetisme|ascetische]] mystici, die door meditatie, zelf-immolatie en vasten probeerden verlossing ("[[moksha]]" of "[[nirwana]]") te bereiken.