Michele Sindona: verschil tussen versies

3 bytes toegevoegd ,  7 jaar geleden
k
geen bewerkingssamenvatting
Geen bewerkingssamenvatting
kGeen bewerkingssamenvatting
Op 12 oktober 1957 was Sindona in de salons van het Hotel del Pelmes in [[Palermo (stad)|Palermo]] aanwezig bij de ontmoeting van de belangrijkste hoofden van de Amerikaanse en de Siciliaanse [[Cosa nostra]]. Onder de aanwezigen waren Joe Bananas, Joseph Palermo, John Di Bellis van de familie Genovese, Vito Vitale, Genco Russo en Lucky Luciano. Door hen werd de strategie voor de internationale drugs- en wapenhandel opgesteld en werd Albert Anastasia ter dood veroordeeld en tien dagen later in New York vermoord.
 
Begin 1959 kochten Michele Sindona, het Istituto per le Opere Religios] en de Continental Illinois Bank (de grootste bank in de VS) de Banca Privata Finanziaria. Het imperium Sindona bestuurde van toen af een groot aantal banken en financiële instellingen.
 
In december 1965 gaf hij grote sommen geld aan de fascistische [[Movimento Sociale Italiano|MSI]]-voorzitter [[Junio Valerio Borghese]], de latere oprichter van het Fronte Nazionale.
Op 2 augustus verdween Sindona in New York. Hij wendde voor dat hij door terroristen ontvoerd was. In werkelijkheid bleef hij 75 dagen ondergedoken op Sicilië, waar hij zich in contact stelde met separatistische bewegingen. Hij liet zich in zijn been schieten, om het verhaal van de ontvoering enige geloofwaardigheid te verlenen. De politiearts Miceli Crimi, tevens lid van de P2 was hem hierbij behulpzaam. Vervolgens vertrok hij naar Griekenland en later naar Oostenrijk. Op 16 oktober dook hij weer op in New York. Vier dagen later werd Luigi Cavallo gearresteerd op verdenking van medeplichtigheid aan de schijnontvoering.
 
Het doek viel definitief op 13 juni 1980 toen de Amerikaanse rechter Sindona tot 25 jaar veroordeelde wegens het faillissement van de Franklin Bank. Op 12 juli werd hij ook in staat van beschuldiging gesteld voor de moord op Ambrosoli. Het openbaar ministerie van Milaan, op zoek naar bewijs voor de mogelijke betrokkenheid van Licio Gelli en Miceli Crimi bij de in scène gezette ontvoering van Sindona, beval de huiszoeking van Gelli's villa en kantoren. Daarbij wist men de hand te leggen op documenten die het bewijs leverden voor het bestaan van een samenzwering achter de façade van de vrijmetselaarsloge P2, waarvan 963 broeders lid bleken te zijn, omvattende agenten van de geheime diensten, politici, beleggers, bankiers, hoge ambtenaren en personen uit de showbusiness. Opmerkelijk was dat de meesten van hen ostentatief katholiek waren, en dat het Vaticaan 15 dagen eerder nog een persbericht had uitgegeven waarin verwezen werd naar het [[canoniek recht]], volgens welke regels mensen op straffe van excommunicatie geen lid mogen zijn van de vrijmetselarij. Bij de P2 leek alles samen te komen: de [[Bomaanslag op de Piazza Fontana]], de olieschandalen, de intriges van de geheime diensten, de banden tussen Gelli, Sindona, Calvi, de internationale financiële wereld, de maffia, de [[CIA]] en plegers van staatsgrepen in Argentinië en Italië.
 
Door zijn arrestatie kwamen de banden tussen de [[Vaticaanstad|Vaticaanse]] bank ''Istituto per le Opere Religiose'' onder leiding van [[aartsbisschop]] [[Paul Marcinkus]], de maffia en de loge P2 aan het licht. In het kielzog van Sindona ging de Banco Ambrosiano met president Roberto Calvi ten onder.
131.702

bewerkingen