Hoofdmenu openen

Wijzigingen

16 bytes toegevoegd ,  5 jaar geleden
Vanaf het begin van de 12de eeuw kwamen [[emigratie]]golven van stedelingen en boeren uit de landen van het [[Heilige Roomse Rijk]], kortweg [[Duitse Rijk]] naar het oosten op gang. Deze [[Ostsiedlung]] kwam vooral vanuit het noorden van het toenmalige Duitse Rijk, dus de Nederlanden inbegrepen, en ging in de richting van [[Silezië]], [[Pommeren (landstreek)|Pommeren]], [[Oost-Pruisen]] en de [[Neumark]], en vanuit Midden-Duitsland naar [[Bohemen]] en [[Moravië (regio)|Moravië]] (het huidige [[Tsjechië]])en het toentertijd Hongaarse [[Slowakije]]. De rechtsongelijkheid tussen vaak horige inheemsen en vrije kolonisten zou aan het einde van de Middeleeuwen verdwijnen, toen de verschillende bevolkingsgroepen verregaand met elkaar geïntegreerd waren en het verschil in rechtspositie verdween.
Na de Middeleeuwen volgde een in omvang kleinere emigratiebeweging van vooral boeren en mijnwerkers, die veel langere afstanden besloeg, vaak zonder directe geografische aansluiting bij het Duitstalige moedergebied in Centraal-Europa. Duitsland werd in de [[17e eeuw]] geteisterd door armoede, verdrijving om het geloof en door de verschrikkingen van oorlogen als de [[Dertigjarige Oorlog]]. Duitsers, in de ruimste zin van het woord, immers ook vluchtelingen uit de Nederlanden behoorden ertoe, hadden meestal een hoge land- en waterbouwtechnische en commerciële ontwikkelingsgraad en daarom waren zij gewild om mijnbouw- en bos- en moerasgebieden te ontginnen en met hun stadsrecht nieuwe steden te stichten of oude verarmde steden nieuw leven in te blazen. De inheemse vorsten, die, zoals eerder in de middeleeuwse kolonisatieperiode, hun autochtone bevolking in een lijfeigen positie wilden houden, wierven de kolonisten aan onder toekenning van voorrechten, die hun uiteindelijk zelf profijt zouden brengen via belastingheffing.
In het begin van de 18de eeuw kwam een, ook weer door armoede gedreven, laatste bevolkingsbeweging op gang, vanuit vooral de zuidwestelijke Duitse staten, en deze kolonisten werden daarom als [[Zwaben (streek)|Zwaben]] aangeduid. Deze stroom ging naar ontvolkte gebieden in Hongarije, na de verdrijving van het Turkse gezag. Ze werd geïnitieerd door het Habsburgse hof dat het Hongaarse koningschap had overgenomen en de Hongaarse domeinen bezat, en gevolgd door de regionale grootgrondbezitters. Eveneens na de verdrijving van het Turkse gezag wierven de heersers van het [[Keizerrijk Rusland|Russische Rijk]], zoals [[Catharina de Grote]], in de tweede helft van de 18de eeuw kolonisten voor de nieuwe domeingronden in het zuiden van de Oekraïne, op de Krim en langs de [[Wolga]]. Deze kolonisten waren grotendeels eveneens voornamelijk afkomstig uit het zuidwesten van het Duitse Rijk, en ook uit Elzas-lotharingen. Onder de naam van de [[Rusland-Duitsers]], en in het bijzonder de [[Wolga-Duitsers]], stichtten zij vier tot vijf honderd dorpsgemeenschappen.
De middeleeuwse kolonisten en de inheemse bevolkingen integreerden zich in taal en cultuur al grotendeels voor 1500 met elkaar. Hun woongebieden kwamen al tussen de 10de en de 14de eeuw binnen het [[Duitse Rijk]] terecht, waardoor hun nakomelingen uiteindelijk in de 19de eeuw Duitse staatsburgers zouden worden. Waar zij buiten dat Rijk gevestigd bleven, kwamen ze terecht in de status van (Duitstalige) minderheid binnen andere staten. Dat betekende voor velen van hun assimilatie in de Poolse, Tsjechische, Slowaakse of Hongaarse omgeving. De zogenaamde Volksduitsers bleven meestal in eigen gemeenschappen wonen, zeker als zij zich ook in religieus opzicht onderscheidden van de overige bevolking, zoals de lutheranen in Hongarije en Polen, dit in tegenstelling tot de katholieken die daar in kerkelijk verband vaak geassimileerd werden. De Duitstalige lutheranen, katholieken en mennonieten in Rusland vermengden zich niet het de orthodoxe Russen waarvoor overigens een overgang naar de orthodoxe staatskerk voorwaarde was. Zij behielden in Rusland en [[Transsylvanië]] tot ver in de 19de eeuw speciale rechten. Na de [[Eerste Wereldoorlog]], toen hun woongebieden binnen nieuwe nationale staten terechtkwamen, verslechterde de minderheidspositie van deze Volksduitsers. In de [[Sovjet-Unie]] verloren ze al hun bezit door de collectivisering en in de andere staten van Midden-Europa werden ze gediscrimineerd, wat velen van hen in de armen van de [[nationaalsocialisme|nazi's]] zou gaan drijven. De afrekening voor deze collaboratie kwam na de bevrijding van Midden-Europa door het Sovjet-leger in de vorm van deportatie, onteigening en ontrechting. Ca. vijf miljoen Volksduitsers zijn na 1944 verdreven, zie de [[Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog]] en ook [[Etnische Zuivering]].
58.455

bewerkingen