Recht van opstal: verschil tussen versies

4 bytes verwijderd ,  7 jaar geleden
geen bewerkingssamenvatting
In België wordt het '''zelfstandig''' recht van opstal geregeld door een wet van [[10 januari]] [[1824]], een van de weinige wetten uit de tijd van het [[Verenigd Koninkrijk der Nederlanden]] die nog altijd geldig zijn. Het opstalrecht kan voor een maximumduur van vijftig jaar worden toegestaan. Een recht van opstal moet worden gevestigd in een [[notariële akte]], die wordt overgeschreven op het [[hypotheekkantoor]] dat bevoegd is voor de plaats waar het goed is gelegen. Op het einde van het opstalrecht wordt de grondeigenaar ook eigenaar van de opstallen (dit is een toepassing van het recht van natrekking), en moet hij de waarde van de opstallen vergoeden aan de opstalhouder.
 
Een recht van opstal kan ook '''accessoir''' zijn aan een ander recht, zoals een huur- of erfpachtrecht. Anders dan naar Nederlands recht (zie hieronder), hebben de huurder en de erfpachter automatisch een opstalrecht dat accessoir aan is aan hun huur- of erfpachtrecht (het zogenaamde hoofdrecht). De huurder of erfpachter die bouwt op gehuurde of gepachte grond, zal dus wel eigenaar blijven van zijn gebouw, zonder dat een afzonderlijk recht van opstal moet worden gevestigd. Dit accessoir opstalrecht eindigt automatisch samen met het huur- of erfpachtrecht, zodat de eigenaar van de grond op dat ogenblik door natrekking eigenaar wordt van de gebouwen opgericht door de huurder of erfpachter. De grondeigenaar zal de titularis van het hoofdrecht dan moeten vergoeden voor deze gebouwen die hij in eigendom verkrijgt op grond van de leer van de [[ongerechtvaardigde verrijking]]. De Opstalwet van 10 januari 1824 is niet van toepassing op deze accessoire opstalrechten, zodat onder andere de maximumduur van vijftig jaar en de vergoedingsregeling op het einde van het opstalrecht (die gunstiger is voor de opstalhouder dan de vergoedingsregeling op grond van de ongerechtvaardigde verrijking) hierop niet van toepassing zijn.
 
== Nederland ==