Objectiviteit: verschil tussen versies

Verwijderde inhoud Toegevoegde inhoud
Niet linken naar Wikipedia-naamruimte vanuit artikelen: dit is geen encyclopedie-artikel
Regel 6:
Sommige [[journalistiek|journalisten]] beschouwen objectiviteit als neutraliteit of onpartijdigheid, en als een voorwaarde voor een goede vervulling van journalistieke taken, vooral bij de vergaring, de keuze en bewerking van [[nieuws]]. Volgens sommigen kunnen journalisten daarom bijvoorbeeld geen lid zijn van politieke partijen. Om deze objectiviteit te garanderen geven media wel beginselverklaringen af, die hun maatschappelijke opvattingen weergeven, en worden artikelen door auteurs ondertekend, om zo ook hun achtergrond te kunnen kennen.
 
Andere journalisten en filosofen menen dat objectiviteit in verslaggeving onmogelijk is. Tijdens het gehele proces van verslaggeving worden keuzes gemaakt: welk onderwerp men kiest te verslaan, welke feiten en standpunten men kiest te belichtenik weer het niet, hoe diep men doorvraagt, het taalgebruik in geschreven media, enz. Omdat journalisten en uitgevers net als anderen onderhevig zijn aan belangenstrijd en [[ideologie]], maken deze verslaggeving altijd gekleurd, zo luidt de stelling.
 
Een vroege variant van deze stelling was te vinden in de theorie van [[culturele hegemonie]] van [[Antonio Gramsci|Gramsci]].<ref>Roger Simon (1982). ''Gramsci's Political Thought: An Introduction''. Londen: Lawrence and Wishart.</ref> De hedendaagse [[Edward S. Herman|Herman]] en [[Noam Chomsky|Chomsky]] stellen dat Amerikaanse media, en [[westerse wereld|westerse]] in het algemeen aan [[zelfcensuur]] zijn gaan doen omdat ze afhankelijk zijn van (potentiële) adverteerders. Hierdoor ontstaat een ideologisch, [[kapitalisme|kapitalistisch]] gekleurd beeld.<ref>Edward S. Herman en Noam Chomsky (1988). ''Manufacturing Consent: The Political Economy of the Mass Media''. New York: Pantheon.</ref> Ook binnen het [[feminisme]] vindt men soortgelijke standpunten.