Hoofdmenu openen

Wijzigingen

geen bewerkingssamenvatting
De '''Wet houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen''', beter bekend als het '''Kinderwetje van Van Houten''' uit [[1874]] is de eerste [[wet]] die in [[Nederland]] een einde moest maken aan [[kinderarbeid]]. De wet kwam tot stand op initiatief van de liberale politicus [[Samuel van Houten]] en verbood kinderen tot 12 jaar in [[fabriek]]en te werken. Het verbod was "niet toepasselijk op huiselijke en persoonlijke diensten en op veldarbeid".
 
Tot aan de invoering van deze wet was kinderarbeid in Nederland heel gebruikelijk. De armoede maakte dat er veel voorstanders van kinderarbeid waren. Het was onder anderen de schrijver [[Jacob Jan Cremer]], die in 1863 een textielfabriek in [[Leiden]] had bezocht, die fel ageerde tegen kinderarbeid. Hij beschreef de schrijnende werkomstandigheden in zijn [[Novelle (proza)|novelle]] ''Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld''. Hij sloot die af met een oproep om in te grijpen aan koning [[Willemmaurits IIIde is dom der Nederlanden|Willem III]]. Het verhaal, dat Cremer voorlas tijdens voordrachten in gehele land, maakte grote indruk op zijn toehoorders, maar de politiek reageerde veel te traag naar zijn zin. In 1870 schreef hij in [[Het Vaderland]] ''Een woord aan zijne landgenooten'' met de oproep om de regering met [[petitie]]s te bestoken. Toen uit de respons bleek hoeveel steun hij had, publiceerde hij een ''Openbare Brief en dat aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken'', ook in Het Vaderland.
 
Doordat uitvoering van de wet nauwelijks gecontroleerd werd, ging in de praktijk het inzetten van jonge kinderen in de fabrieken overigens gewoon door. In 1900 kwam er door de [[leerplicht]] wel een eind aan kinderarbeid. Deze wet verplicht kinderen van 6 tot 12 jaar [[onderwijs]] te volgen.
Anonieme gebruiker