Hoofdmenu openen

Wijzigingen

2 bytes toegevoegd ,  6 jaar geleden
In 1870 was hij wederom hoofdopzichter bij een project van Cuypers, ditmaal bij de bouw van de Sint-Martinuskerk in Sneek. Datzelfde jaar trouwde hij met Leentje Knoop, met wie hij tot 1882 drie kinderen zou krijgen.
 
In 1873 verhuisde Peters met zijn gezin naar Roermond om bureauchef te worden bij de firma [[Cuypers & Stoltzenberg]], het mede door P.J.H. Cuypers opgerichte atelier voor kerkelijke kunst. Waarschijnlijk vanwege gezondheidsklachten verruilde hij deze functie in 1875 voor een nieuwe bij de Maastrichtse behangfabriek Zeller & Co., waar hij overigens al na enkele maanden weer vertrok. Terwijl hij van zijn spaargeld leefde, publiceerde hij dat jaar zijn eerste boek ''Overzicht der boerenplaatsenbouw in Nederland''. In 1876 werd Peters, dankzij Cuypers en diens medestander [[Victor de Stuers]], benoemd tot Rijksbouwkundige voor de Gebouwen van Financiën.
 
Met deze benoeming hoopten Cuypers en De Stuers hun positie bij het streven naar een nationale bouwstijl te versterken. Deze bouwstijl moest een combinatie zijn van [[neogotiek]] en elementen uit de [[Renaissance|renaissance]]. Door een protestant tot overheidsarchitect te benoemen hadden Cuypers en De Stuers een argument tegen beschuldigingen uit protestantse kringen dat de overheidsbouw overheerst werd door katholieken.
 
Peters’ archief wordt bewaard in het [[Nederlands Architectuurinstituut]] te [[Rotterdam]].
 
==Familie==
Cornelis Peters was de oom van [[Adriaan Peters]], stadsrestaurateur van [[Middelburg (Zeeland)|Middelburg]]
Anonieme gebruiker