Augur: verschil tussen versies

296 bytes verwijderd ,  10 jaar geleden
k
ref fix met AWB
k (Ombouw verouderd sjabloon met AWB)
k (ref fix met AWB)
De goden zonden verschillende tekens naar de augur. Het collegium legde hun kennis vast in boeken, de ius augurale. Volgens hen waren er vijf categorieën van voortekens: ''ex caelo'', ''ex avibus'', ''ex tripudiis, ''ex quadrupedibus'' en ''ex diris''. De laatste drie maakten geen deel uit van de taken van de publieke augures.<ref>{{Aut|D. Brique}}, art. augur, in ''[[Der Neue Pauly]]'' 1 (1996), klm. 281.</ref>
 
''Ex caelo'' was de observatie van de verschillende vormen van donder en bliksem. Dit onderdeel werd als belangrijkste beschouwd: ''maximum auspicium''. Als een augur zei dat Jupiter donderde of bliksemde, kon de volksvergadering niet doorgaan.<ref name="penelope.uchicago.edu">[http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Roman/Texts/secondary/SMIGRA*/Augurium.html#p175 {{Aut|W. Smith}}, art. augur, augurium; auspex, auspicium, in {{Aut|W. Smith}} (ed.), ''Dictionary of Greek and Roman Antiquities'', Londen, 1875, p. 175.]</ref>
 
== De ''augur'' aan het werk ==
 
== Oorsprong ==
De oorsprong van het fenomeen augures is moeilijk te achterhalen. Volgens de legende was de eerste augur de eerste koning van Rome, namelijk [[Romulus]]. Toen Romulus en Remus aankwamen op de Palatijnheuvel, hadden ze een meningsverschil over de plaats waar ze hun stad zouden stichten. Remus ging naar de [[Aventijn]] en wachtte op een teken van de goden, Romulus deed hetzelfde op de [[Palatijn]]. Remus zag op een bepaald ogenblik zes gieren en dacht dat hij koning zou worden, tot Romulus er twaalf zag. De goden waren hem blijkbaar gunstig gezind. Romulus duidde een collegium van drie augures aan, wat volgens [[Marcus Tullius Cicero|Cicero]] overeenkomt met de drie oude stammen in de omgeving van Rome. Volgens hem voegde de tweede koning, [[Numa]], nog twee extra ''augures'' aan het collegium toe.<ref name="dagr.univ-tlse2.fr">[http://dagr.univ-tlse2.fr/sdx/dagr/feuilleter.xsp?tome=1&partie=1&numPage=563&nomEntree=AUGURES&vue=image {{Aut|A. Boughé-Leclercq}}, art. augures, in {{Aut|C. Daremberg - E. Saglio}} (edd.), ''Le Dictionnaire des Antiquités Grecques et Romaines'', I.1, Parijs, 1877, p. 551.]</ref>
 
[[Titus Livius]] was van mening dat er geen publieke augures waren in Rome, tot Numa daarvoor een speciaal college had opgericht, waarin elke stam gelijk vertegenwoordigd was. Hij beweerde ook nog dat er vier augures waren ten tijde van de wet van Ogulnia. Het is waarschijnlijker om het verhaal van Livius te geloven, als we rekening houden met het feit dat Cicero zelf een augur was en dat hij de geschiedenis van het collegium wilde terugbrengen tot de meest legendarische koning.<ref>[http:// name="dagr.univ-tlse2.fr"/sdx/dagr/feuilleter.xsp?tome=1&partie=1&numPage=563&nomEntree=AUGURES&vue=image {{Aut|A. Boughé-Leclercq}}, art. augures, in {{Aut|C. Daremberg - E. Saglio}} (edd.), ''Le Dictionnaire des Antiquités Grecques et Romaines'', I.1, Parijs, 1877, p. 551.]</ref>
Door de wet van Olgunia (300 v.Chr.) bestond het ''collegium'' uit negen ''augures'', door de toevoeging van vijf plebejers. De religieuze distinctie was nu over, de augures konden hun voorspellingen niet meer gebruiken tegen de plebejers. Dit aantal bleef onveranderd tot het tijdperk van Sulla, die de omvang van het college op vijftien bepaalde; [[Gaius Iulius Caesar]] bracht hun aantal later op zestien.<ref>[http:// name="penelope.uchicago.edu"/Thayer/E/Roman/Texts/secondary/SMIGRA*/Augurium.html#p175 {{Aut|W. Smith}}, art. augur, augurium; auspex, auspicium, in {{Aut|W. Smith}} (ed.), ''Dictionary of Greek and Roman Antiquities'', Londen, 1875, p. 175.]</ref> Tot [[103 v.Chr.]] behielden de ''augures'' het recht om zelf de nieuwe ''augures'' aan te stellen. Dit veranderde met een wet van [[Titus Flavius Domitianus|Domitianus]], die hiermee een kiessysteem invoerde. Deze wet werd vervolgens geschrapt door [[Lucius Cornelius Sulla]] in [[81 v.Chr.]], maar werd opnieuw in ere hersteld in [[63 v.Chr.]] In de keizertijd kozen de keizers zelf hun augures naar wens.
 
De ''augures'' vormden een ''collegium'', waar ze hun opvolgers aanduidden en hen de kunst van het voorspellen bijbrachten. Hun twee voornaamste taken waren het bijstaan van de magistraten die de voortekenen ontvingen en het bewaren van de kennis. Ze mochten zelf geen voortekenen analyseren, hoewel ze de kunst beter begrepen dan de magistraten. Ze hadden geen politieke of verkiesbare functie, Cicero noemde ze ''privati''. De augures hadden het recht om een voorteken gunstig of ongunstig te verklaren en wie twijfelde aan hun uitspraken, kon streng gestraft worden. Augures konden hun veto stellen tegen elke publieke transactie en daarom was het ambt zo begeerd bij de patriciërs. Het spreekt voor zich dat de augures van dit recht geregeld misbruik maakten, bijvoorbeeld bij verkiezingen. De augures bezaten niet het ''spectio'', het recht om voortekenen voor de staat te interpreteren. Er bestonden twee vormen van ''spectio''.
 
De eerste vorm betrof het ''spectio et nuntiatio''; dit ambt stond slechts open voor de hoogste magistraten, namelijk voor [[consul (Rome)|consuls]], ''[[interrex|interreges]]'' en soms voor [[praetor|praetors]]s. De drager van dit ambt kon bepaalde handelingen van magistraten tegenhouden. De tweede vorm was het ''spectio sine nuntiatione'' - wie hiertoe bevoegd was, kon zich hierbij niet mengen in de aangelegenheden van de magistraten. Dit ambt was weggelegd voor de lagere magistraten: de [[Censor (Rome)|censors]], ''[[aedilis|aediles]]'' en [[quaestor (Rome)|quaestors]].<ref>[http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Roman/Texts/secondary/SMIGRA*/Augurium.html#p176 {{Aut|W. Smith}}, art. augur, augurium; auspex, auspicium, in {{Aut|W. Smith}} (ed.), ''Dictionary of Greek and Roman Antiquities'', Londen, 1875, p. 176.]</ref>
 
De augures werden aangesteld voor het leven en konden nooit hun heilig karakter verliezen. Leeftijd speelde een belangrijke rol. Als er een plaats vrijkwam in het collegium, kreeg de oudere kandidaat voorrang op een jongere kandidaat, ook al vervulde deze laatste een hogere functie.
== Bronnen ==
=== Primaire Bronnen ===
*Aulus Gellius. Noctes Atticae. Vol II. Libri XI-XX, Leipzig, Teubner Verlag, 1959, pp. 71-72&nbsp;71–72.
*M. Tullius Cicero. 30: Epistularum ad familiares. Libri I-IV, Leipzig, Teubner Verlag, 1923, pp. 84-89&nbsp;84–89.
*M. Tullius Cicero. 30: Epistularum ad familiares. Libri V-VIII, Leipzig, Teubner Verlag, 1923, pp. 173-178&nbsp;173–178 & pp. 224-225&nbsp;224–225.
*M. Tullius Cicero. De Divinatione, De Fato Timaeus, Leipzig, Teubner Verlag, 1975, passim.
*M. Tullius Cicero. De Natura Deorum, Leipzig, Teubner Verlag, 1968, pp. 50-52&nbsp;50–52.
*Cicéron. Brutus, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1959, pp. 31-34.
*Cicéron. La République. Livres II-VI, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1980, p. 25.
*Dion Cassius, Histoire Romaine, livres 41 & 42, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres’, 2002, pp. 116-117&nbsp;116–117.
*Pline l'ancien. Histoire naturelle, livre X, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1961, p. 35 & p. 41.
*Pline le jeune, Lettres (livres IV-VI), Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1967, p. 14.
*Tacite, Annales (IV-XII), Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1966, pp. 299-300.
*Tacite, Annales (XIII-XVI), Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1978, p. 159.
*Tite-Live, Histoire Romaine, livre I, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres’, 1971, p. &nbsp;13, p. &nbsp;30 & p. &nbsp;57.
*Tite-Live, Histoire Romaine, livre IV, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres’, 1946, pp. 3-5&nbsp;3–5.
*Tite-Live, Histoire Romaine, livre V, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1954, pp. 29-30&nbsp;29–30 & pp. 51-52&nbsp;51–52.
*Tite-Live, Histoire Romaine, livre VI, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1966, pp. 2-4&nbsp;2–4 & pp. 48-50&nbsp;48–50 & pp. 73-75&nbsp;73–75.
*Tite-Live, Histoire Romaine, livre VIII, Paris, Société d’Edition ‘Les Belles Lettres, 1987, pp. 51-54&nbsp;51–54.
 
=== Secundaire literatuur ===
* {{Aut|F. Guillaumont}}, ''Philosophe et augure, recherches sur la théorie cicéronienne de la divination'', Brussel, 1984.
* {{aut|S. Hornblower - A. Spawforth}} (edd.), ''The [[Oxford Classical Dictionary]]'', Oxford, 1996³.
* {{Aut|T. Klauser}} (ed.), ''Reallexikon für Antike und Christentum: Sachwörterbuck zur Auseinandersetzung des Christentums mit der Antiken Welt'', Stuttgart, 1950-, pp. 975-982&nbsp;975–982.
* {{Aut|J.O. Lenaghan}}, ''A commentary on Cicero's oration'' de haruspicum responso, Parijs, 1969.
* {{Aut|J.J. Mascov}}, ''De jure auspicii apud Romanos'', Leipzig, 1721.
* {{Aut|D. Porte}}, ''Les donneurs de sacré. Le prêtre à Rome'', Parijs, 1989.
* {{Aut|J. Scheid}}, ''Religion et piété à Rome'', Parijs, 1985.
* {{Aut|C. St-Germain}}, La question des augures à Rome. L'éthique du devenir incertain, in ''Théologiques'' 8 (2000), pp. 85-104&nbsp;85–104.
* {{Aut|A. Pauly - G. Wissowa - W. Kroll}} e.a. (edd.), ''Real-Encyclopädie der classischen Altertumswissenschaft'', I.2, Stuttgart - München, 1893 - 1983, pp. 2313-2344&nbsp;2313–2344.
* {{Aut|W. Eisenhut}}, art. augures, in ''[[Der Neue Pauly|Der Kleine Pauly]]'' 1 (1964-1975), pp. 734-736&nbsp;734–736.
 
[[Categorie:Romeinse godsdienst]]
36.488

bewerkingen