Augur: verschil tussen versies

4 bytes verwijderd ,  11 jaar geleden
k
geen bewerkingssamenvatting
(→‎Oorsprong: censor)
k
Door de wet van Olgunia (300 v.Chr.) bestond het ''collegium'' uit negen ''augures'', door de toevoeging van vijf plebejers. De religieuze distinctie was nu over, de augures konden hun voorspellingen niet meer gebruiken tegen de plebejers. Dit aantal bleef onveranderd tot het tijdperk van Sulla, die de omvang van het college op vijftien bepaalde; [[Gaius Iulius Caesar]] bracht hun aantal later op zestien.{{fn|9}} Tot [[103 v.Chr.]] behielden de ''augures'' het recht om zelf de nieuwe ''augures'' aan te stellen. Dit veranderde met een wet van [[Titus Flavius Domitianus|Domitianus]], die hiermee een kiessysteem invoerde. Deze wet werd vervolgens geschrapt door [[Lucius Cornelius Sulla]] in [[81 v.Chr.]], maar werd opnieuw in ere hersteld in [[63 v.Chr.]] In de keizertijd kozen de keizers zelf hun augures naar wens.
 
De ''augures'' vormden een ''collegium'', waar ze hun opvolgers aanduidden en hen de kunst van het voorspellen bijbrachten. Hun twee voornaamste taken waren het bijstaan van de magistraten die de voortekenen ontvingen en het bewaren van de kennis. Ze mochten zelf geen voortekenen analyseren, hoewel ze de kunst beter begrepen dan de magistraten. Ze hadden geen politieke of verkiesbare functie, Cicero noemde ze ''privati''. De augures hadden het recht om een voorteken gunstig of ongunstig te verklaren en wie twijfelde aan hun uitspraken, kon streng gestraft worden. Augures konden hun veto stellen tegen elke publieke transactie en daarom was het ambt zo begeerd bij de patriciërs. Het spreekt voor zich dat de augures van dit recht geregeld misbruik maakten, bijvoorbeeld bij verkiezingen. De augures bezaten niet het ''spectio'', het recht om voortekenen voor de staat te interpreteren. Er bestonden twee vormen van ''spectio''.
 
De eerste vorm betrof het ''spectio et nuntiatio''; dit ambt stond slechts open voor de hoogste magistraten, namelijk voor [[consul (Rome)|consuls]], ''[[interrex|interreges]]'' en soms voor [[praetor|praetors]]. De drager van dit ambt kon bepaalde handelingen van magistraten tegenhouden. De tweede vorm was het ''spectio sine nuntiatione'' - wie hiertoe bevoegd was, kon zich hierbij niet mengen in de aangelegenheden van de magistraten. Dit ambt was weggelegd voor de lagere magistraten: de [[Censor (RomeinenRome)|censors]], ''[[aedilis|aediles]]'' en [[quaestor (Rome)|quaestors]].{{fn|1O}}
 
De augures werden aangesteld voor het leven en konden nooit hun heilig karakter verliezen. Leeftijd speelde een belangrijke rol. Als er een plaats vrijkwam in het collegium, kreeg de oudere kandidaat voorrang op een jongere kandidaat, ook al vervulde deze laatste een hogere functie.
44.066

bewerkingen