Samenstelling Eerste Kamer 1856-1859

Wikimedia-lijst

De samenstelling van de Eerste Kamer der Staten-Generaal 1856-1859 biedt een overzicht van de Eerste Kamerleden in de periode tussen de verkiezingen van 1856 en de verkiezingen van 1859. De zittingsperiode ging in op 15 september 1856 en liep af op 18 september 1859.

Er waren toen 39 Eerste Kamerleden, verkozen door de Provinciale Staten van de 11 provincies die Nederland toen telde. Eerste Kamerleden werden verkozen voor een termijn van negen jaar, om de drie jaar werd een derde van de Eerste Kamer hernieuwd.

Samenstelling na de Eerste Kamerverkiezingen van 1856Bewerken

Gematigde liberalen (18 zetels)Bewerken

Conservatieven (12 zetels)Bewerken

Liberalen (8 zetels)Bewerken

Conservatief-Protestants (1 zetel)Bewerken

BijzonderhedenBewerken

  • Bij de Eerste Kamerverkiezingen van 1856 werden 13 Eerste Kamerleden verkozen.
  • Pieter Loopuijt (gematigde liberalen) kwam op 16 september 1856 in de Eerste Kamer als opvolger van de in 1850 door de Provinciale Staten van Zuid-Holland verkozen Johannes Servaas Lotsy, die ontslag had genomen vanwege zijn benoeming tot minister in het kabinet-Van der Brugghen.
  • Eduardus Johannes Petrus van Meeuwen (gematigde liberalen) kwam op 30 oktober 1856 in de Eerste Kamer als opvolger van de op 28 juli dat jaar overleden Frederik Johan Thomas de Bruijn, die bij de Eerste Kamerverkiezingen van 1853 verkozen werd door de Provinciale Staten van Noord-Brabant.
  • Adriaan Jan van Roijen (gematigde liberalen) kwam op 30 oktober 1856 in de Eerste Kamer als opvolger van de op 7 augustus dat jaar overleden Mello Sichterman van de Brake (conservatieven), die door de Provinciale Staten van Groningen verkozen werd tot Eerste Kamerlid, als opvolger van een gekozene bij de verkiezingen van 1853.

Tussentijdse mutatiesBewerken

1856Bewerken

  • 4 oktober: Frederik Lodewijk Herbert Jan Bosch van Drakestein (conservatieven) nam ontslag uit de Eerste Kamer vanwege zijn benoeming tot raadsheer bij het Provinciaal Gerechtshof in Arnhem. Hij werd door de Provinciale Staten van Noord-Holland herkozen als Eerste Kamerlid en op 13 december dat jaar opnieuw geïnstalleerd.

1857Bewerken

1858Bewerken

1859Bewerken