Hoofdmenu openen

Rocus van Yperen

Nederlands dirigent (1914-1994)

LevensloopBewerken

Rocus van Yperen was zoon van Paulus Cornelis van Yperen (1881-1959) en Louiza Cornelia Heniger. Hijzelf was getrouwd met Maria Henderina van Dam en Mieke Hartogsveld. Vader vervulde docentschappen algemene muziekleer, harmonieleer en elementaire zangklassen aan het Muziekschool van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst. Rocus van Yperen studeerde piano en muziektheorie bij Coba Rijneke, Bernhard van den Sigtenhorst Meyer (piano, muziektheorie, contrapunt), Louis van Tulder (zang) en Otto Glastra van Loon (directie).

Zijn eerste stappen in de muziek vonden plaats eindjaren dertig als dirigent van koren zoals het Schiedams Dameskoor. In 1939 ging hij in militaire dienst en werd in 1945 tot opvolger van Dr. C. L. Walther Boer dirigent van de Koninklijke Militaire Kapel (KMK) te Den Haag benoemd. Hij was een vernieuwer van het repertoire voor harmonie- en fanfareorkesten omdat hij veel componisten wist over te halen, speciaal voor zijn Koninklijke Militaire Kapel werken te componeren.

Zijn creatieve en vernieuwende aanpak trok al snel de aandacht van het civiele muziekleven in zowel binnen- als buitenland en als zodanig is hij niet alleen velen tot voorbeeld geweest, maar hij legde hiermee een basis voor de naoorlogse blaasmuziek in een tijd dat alles uit het niets moest worden opgebouwd. Door zijn talent wist hij zich al spoedig een diepgaande kennis van het medium blaasmuziek eigen te maken.

Een hoogtepunt in de geschiedenis van de KMK onder de leiding van Van Yperen vormde de uitnodiging tot deelname aan de bekende Edinburgh Tattoo in 1952. Na 25 optredens op de Esplanada voor het kasteel van die Schotse stad, floot elke straatjongen in Edinburgh het Turf in je ransel. Dit feestelijke gebeuren was mede aanleiding tot het in leven roepen van Taptoe Delft. Van Yperen heeft in de voorbereidingen daarvan een belangrijk aandeel gehad. Vele jaren heeft de KMK medewerking verleend aan deze muzikale militaire manifestatie op de Grote Markt te Delft.

Eind 1963 verliet Van Yperen de KMK; hij werd in 1963 benoemd tot Inspecteur van de Militaire muziek in Nederland, weer als opvolger van C.L. Walther Boer.

Zijn liefde voor de vocale muziek had hij van huis meegekregen. Hij richtte in oktober 1958 het Haags Kamerkoor op en was er dirigent van 1958 tot 1990. Ook voor dit medium was hij een promotor van hedendaagse en Nederlandse muziek. Verder stichtte hij in 1977 het Wijks Vocaal Ensemble.

Verder was hij ook sinds 1951, en daarmee de eerste, verantwoordelijke hoogleraar voor HaFa-directie aan het conservatorium van Den Haag. Hij heeft een hele generatie van HaFa-dirigenten in Nederland opgeleid, waaronder Johan de Meij.

Hij was ook dirigent van verschillende harmonie- en fanfareorkesten en voerde samen met hen ook werken uit van hedendaagse componisten, zoals Henk Badings, Marius Flothuis en Paul Hindemith.

Eveneens heeft hij werken voor het medium harmonie- en fanfareorkest gecomponeerd. Daarnaast was hij een veelgevraagd jurylid van de landelijke federaties en ook in het buitenland. Voor zijn werk werd hij in 1958 werd hij in 1958 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.[1]

CompositiesBewerken

Werken voor harmonie- en fanfareorkestBewerken

  • 1947 Home Town, mars
  • 1960 Fanfare 1960
  • 1962/1972 Rond 7 Fanfares
  • 1972 Syt nu verblijt
  • 1981 O Nederland, let op uw saeck, voor orgel en harmonieorkest
  • Drie Intades
  • Masquerade

PublicatiesBewerken

  • Rocus van Yperen: De Nederlandse Militaire Muziek. C.A.J. van Dishoeck, Bussum. 1966. 143 p.