Rijksvaccinatieprogramma

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) is het landelijke vaccinatieprogramma in Nederland dat in 1957 is ingevoerd waarbij kinderen ingeënt worden tegen infectieziekten.

Laboratorium voor vaccinbereiding van het Rijksvaccinatieprogramma in 1966

Deelname aan de vaccinatie is niet verplicht, maar meer dan 95% van de ouders laat hun kind inenten. Voorwaarde voor deelname is dat de officiële vaccinaties zijn toegediend door de jeugdgezondheidszorg. Dit kan het consultatiebureau, het Centrum voor Jeugd en Gezin of de GGD zijn.[1]

De vaccinaties zijn voor de ouders gratis en worden gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het programma wordt gecoördineerd door het Centrum Infectieziektebestrijding en uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s.[2] RIVM-DVP heeft hiervoor regiokantoren en beheert het vaccinatieregister, waarin de inentingsgegevens van kinderen worden opgeslagen.[3]


GeschiedenisBewerken

Vanaf 1953 werd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voor kinderen een gratis vaccin ter beschikking gesteld tegen difterie, kinkhoest, roodvonk en tuberculose. Charlotte Hannik organiseerde in 1957 de Nederlandse vaccinatiecampagne tegen poliomyelitis. Sindsdien is er sprake van een Rijksvaccinatieprogramma.

In 2007 werden er 23 kandidaat-vaccins bekeken om eventueel op te nemen in het Rijksvaccinatieprogramma. Hiervan leken er 15 voorlopig geschikt. De doelgroepen breiden zich uit naar adolescenten en ouderen. Genoemde vaccins beschermen tegen RSV (respiratoir syncytieel virus), rotavirus, HPV (humaan papillomavirus), Groep B hemolytische streptokokken en het varicellazostervirus, de veroorzaker van waterpokken en gordelroos).

Vanaf 2010 kregen alle meisjes op 12-jarige leeftijd de gelegenheid zich te laten inenten tegen humaan papillomavirus type 16 en 18, om baarmoederhalskanker tegen te gaan. Ook werd besloten tot een 'inhaalcampagne' voor meisjes die zijn geboren tussen 1 januari 1993 en 31 december 1996. De opkomst viel tegen na onrust onder de bevolking. Er werd in de populaire pers maar ook in de wetenschappelijke literatuur getwijfeld aan de vaccinatie en over de beoordeling die de Gezondheidsraad heeft gemaakt.[4]

De Nederlandse Gezondheidsraad oordeelde het in 2017 niet kosteneffectief om alle kinderen in te enten tegen rotavirussen. Zij adviseerde wel kinderen met risicofactoren in te enten, zoals te vroeg geborenen of kinderen met een laag geboortegewicht.[5]

VaccinatieschemaBewerken

In Nederland kunnen kinderen de volgende inentingen krijgen:[6]

Fase Leeftijd Prik 1 Prik 2
Fase 1 6 - 9 weken DKTP-Hib-HepB Pneu
3 maanden DKTP-Hib-HepB
4 maanden DKTP-Hib-HepB Pneu
11 maanden DKTP-Hib-HepB
14 maanden BMR MenACWY
Fase 2 4 jaar DKTP
Fase 3 9 jaar DTP
Fase 4 meisjes 12 jaar HPV HPV
DKTP = vaccin tegen Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis
Hib = vaccin tegen Haemophilus influenzae type B
HepB = vaccin tegen Hepatitis B
BMR = vaccin tegen Bof, Mazelen en Rodehond
MenACWY = vaccin tegen Meningokokken type A, C, W en Y. Het vaccin tegen type C is in het vaccinatieprogramma opgenomen sinds 2002. Op 1 mei 2018 werd de vaccinatie uitgebreid tot type A, C, W en Y.[7]
aK= Acellulair kinkhoestvaccin
Pneu = vaccin tegen Pneumokokken
HPV = vaccin tegen Humaan papillomavirus De tweede vaccinatie wordt standaard 6 maanden na de eerste gegeven.

VaccinatiegraadBewerken

Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma wordt door enkele bevolkingsgroepen geweigerd. Indien een bepaald percentage kinderen niet ingeënt wordt kan de groepsimmuniteit wegvallen. Een aantal infectieziekten vaker gezien in het gebied dat wel met de naam Bijbelgordel wordt aangeduid. De Bijbelgordel loopt in een lijn van Oost-Groningen naar Zeeland. In dit gebied wonen relatief veel bevindelijk gereformeerde christenen, van wie een deel hun kinderen om religieuze redenen niet laat vaccineren. Er zijn in dit gebied af en toe plaatselijk epidemieën van mazelen en rodehond. In 1978 en in 1992 waren er epidemieën van kinderverlamming (polio).

Kinderartsen en het RIVM meldden in 2018 dat de vaccinatiegraad dalende is. In 2017 waren 90,2% van alle peuters in Nederland volledig gevaccineerd, dat waren er 1.720 minder dan in het jaar ervoor.[8]

BijwerkingenBewerken

Jaarlijks worden zo'n twee miljoen vaccinaties gegeven in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma,[9]. In 2017 waren er 1383 spontane meldingen bij het Bijwerkingencentrum Lareb van vermoede bijwerkingen na een vaccinatie. Omgerekend gaat het dan om 0,07% ofwel 7 van de 10.000 vaccinaties. Van de 1383 meldingen waren er 92 (6,7%) geduid als 'ernstig', waarvan vijf 'levensbedreigende situaties'. Van de meeste gemelde bijwerkingen die tot een levensbedreigende situatie en/of ziekenhuisopname hebben geleid, is bekend dat ze bij deze vaccins kunnen optreden. Zowel de bekende als de onbekende gemelde bijwerkingen gaven echter geen aanleiding tot een signalering.[10]

Sinds 1 januari 2011 verzorgt Lareb de veiligheidsbewaking van de vaccinaties. Daarvoor deed het RIVM dit.

Externe linkBewerken