Hoofdmenu openen

Rhampsinitus (personage)

Een personage bij Herodotos.
Ramcinitos en de dief
(met Ton van Duinhoven en Cox Habbema, VPRO-TV, 1973)

R(h)ampsinitus (Grieks: Ῥαμψίνιτος / Rhampsínitos) is, in het 2e boek van Herodotus' Historiën, de naam van een legendarische Egyptische koning, bekend om zijn grote rijkdom en om zijn uitbreiding van de Ptah-tempel in Memphis.
De Griekse naam 'Rhampsinitos' is mogelijk ontstaan door verbastering van de namen 'Ramses' en 'Neith'. Dit brengt vele onderzoekers ertoe hem te identificeren met de farao Ramses III uit de twintigste dynastie.

Herodotus weet te vertellen dat deze koning zeer rijk was, en dat hij de westelijke voorhof van de tempel van Hephaistos (= Ptah) in Memphis liet bouwen. Tegenover deze voorhof liet hij ook twee grote standbeelden plaatsen, die de Egyptenaren 'Zomer' en 'Winter' noemden. Daarvan vereerden zij enkel de 'Zomer'. Herodotus vermeldt ook dat Rhampsinitus’ opvolgers minder voorspoedig waren: dat lijkt de identificatie met Ramses III te bevestigen, omdat de overige 'Ramessiden' van de 20e dynastie inderdaad minder machtig waren.

Herodotus vermeldt over hem ook volgende merkwaardige anekdote - al geeft hij zelf toe dat hij het een onwaarschijnlijk verhaal vindt. Dit verhaal werd in 1974 door de VPRO verfilmd.

Omdat hij zo rijk was, liet Rhampsinitus een goed beveiligde schatkamer bouwen om er al zijn rijkdom in onder te brengen. Maar de architect maakte ook een verborgen toegang tot deze schatkamer, waarvan alléén hij het geheim kende. Voor hij stierf verklapte hij het geheim aan zijn beide zonen. Deze braken binnen in de schatkamer en roofden een aanzienlijk deel van de schatten. De koning stond voor een raadsel, toen bleek dat zijn schatten steeds verder slonken, terwijl de zegels op de deuren nooit verbroken waren. Daarom liet hij valklemmen plaatsen bij de kisten waarin het goud was opgeborgen. Bij het volgende bezoek raakte een van de broers bekneld in een klem. Toen hij besefte in welk gevaar hij verkeerde, smeekte hij zijn broer hem te doden en onmiddellijk zijn hoofd af te snijden, want als men hem herkende zou hij ook de rest van de familie in gevaar brengen. Deze deed wat hem gevraagd werd, en vluchtte weg met het hoofd van zijn broer.

Rhampsinitus liet het verminkte lijk op een openbare plaats ophangen, en plaatste er wachters bij, met de opdracht iedereen te arresteren die ze ook maar enig teken van droefheid zagen vertonen. Toen de moeder van de dief dat gemerkt had, drong ze bij haar nog levende zoon erop aan het lijk van zijn broer naar huis te brengen. Als hij dat niet deed, dreigde zij zelf alles aan de koning te gaan vertellen. Ten einde raad ging de man als volgt te werk: hij sloot vriendschap met de wachters, voerde hen dronken, en terwijl zij hun roes uitsliepen ging hij met het lijk van zijn broer aan de haal.

De koning was woedend dat zijn plan mislukt was, en besloot nu tot het uiterste te gaan. Hij liet zijn dochter plaatsnemen in een bordeel om op die manier de dief te ontmaskeren: zij bood namelijk elke man van de stad gratis haar diensten aan, op voorwaarde dat hij haar het hachelijkste verhaal zou vertellen dat hem ooit overkomen was. De dief had de list doorzien, maar wilde toch met de koningsdochter naar bed. Daarom sneed hij de arm van een lijk af en verborg die zorgvuldig onder zijn kleren. Zodra hij zijn avontuurlijke verhaal had verteld, wilde de prinses hem grijpen, maar de dief liet haar enkel de arm en poetste de plaat.

Nu was koning Rhampsinitus zo onder de indruk van de spitsvondigheid van de dief, dat hij overal liet afkondigen dat hij hem niet alleen gratie verleende, maar zelfs de hand van zijn dochter aanbood.