Hoofdmenu openen

Resedabladige veldkers

Plant uit het geslacht Veldkers (Cardamine)

De resedabladige veldkers (Cardamine resedifolia) is een overblijvende plant van het geslacht veldkers (Cardamine) uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae), die voorkomt in Midden- en Zuid-Europa.

Cardamine resedifolia
Cardamine resedifolia 001.jpg
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida, zaadplanten
Clade:bedektzadigen
Clade:'nieuwe' tweezaadlobbigen
Clade:Malviden
Orde:Brassicales
Familie:Brassicaceae (Kruisbloemenfamilie)
Geslacht:Cardamine (Veldkers)
Soort
Cardamine resedifolia
L. (1753)
Resedabladige veldkers, habitus
Resedabladige veldkers, habitus
Afbeeldingen Cardamine resedifolia op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Cardamine resedifolia op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Naamgeving en etymologieBewerken

  • Syn.: Cardamine gelida, Cardamine heterophylla, Arabis bellidioides
  • Frans: Cardamine à feuilles de réséda
  • Duits: Resedablättriges Schaumkraut
  • Engels: Mignonette-leaved bittercress

De botanische naam Cardamine is afgeleid van het Oudgriekse kardamom (kardemom), een niet-gerelateerde plant. Het soortelijk epitheton resedifolia is samengesteld uit het Latijnse reseda en folium (blad), naar de gelijkenis van de bladeren met die van het geslacht Reseda.

KenmerkenBewerken

De resedabladige veldkers is een kleine, onbehaarde, overblijvende kruidachtige plant, die tot 15 cm hoog wordt. De plant draagt aan de voet een wortelrozet met spatelvormige tot onevengeveerde bladeren, en hogerop een aantal eveneens onevengeveerde stengelbladeren met twee tot drie paar lancetvormige tot ovale deelblaadjes. De bladsteel is aan de voet geoord.

De bloeiwijze is een kleine bloemtros met kelkvormige, viertallige bloemen. De kroonblaadjes zijn wit en 4 tot 6 mm lang.

De vrucht is een 12 tot 22 mm lange peul.

De plant bloeit van maart tot augustus.

Habitat en verspreidingBewerken

De resedabladige veldkers komt vooral voor in bergachtige gebieden op open, vochtige en stenige plaatsen op silicaathoudende bodem, tot op 3.500 m hoogte.

De soort is verspreid in de bergketens van Midden- en Zuid-Europa van Spanje tot de Balkan, onder andere in de Pyreneeën, de Centrale Alpen, de Karpaten, de Sudeten en het Bohemer Woud.