Prehistorie van Georgië

De prehistorie van Georgië is de periode tussen de eerste menselijke bewoning van het grondgebied van het huidige Georgië en de tijd waarin Assyrische en Urartische, en vooral latere Griekse en Romeinse bronnen, de proto-Georgische stammen in de reikwijdte van de geschreven geschiedenis brachten.

Homo georgicus

PaleolithicumBewerken

Mensen wonen al voor een zeer lange tijd in Georgië, zoals aangetoond door de ontdekkingen bij Dmanisi in Zuid-Georgië van twee Homo erectus-schedels, de Dmanisi-mensen. De archeologische laag waarin de menselijke overblijfselen werden opgegraven, naast honderden stenen gereedschappen en talrijke dierlijke botten, werd gedateerd op ongeveer 1,6-1,8 miljoen jaar geleden. De site leverde het vroegste ondubbelzinnige bewijs op voor de aanwezigheid van mensen buiten het Afrikaanse continent.

Latere vroegpaleolithische Acheuléen-sites zijn ontdekt in de hooglanden van Georgië, met name in de grotten van Koedaro en Tsona. Acheuléen-vindplaatsen zijn ook bekend uit andere regio's van Georgië, bijvoorbeeld het Dzjavacheti-plateau waar Acheuléen-vuistbijlen werden gevonden.

De eerste doorgaand bewoonde nederzetting op Georgische grondgebied dateert uit het middenpaleolithicum, meer dan 200.000 jaar geleden. Sites uit deze periode zijn gevonden in Sjida Kartli, Imereti, Abchazië en andere gebieden.

Beschermd door de bergen van de Kaukasus en profiterend van de temperende werking van de Zwarte Zee, lijkt de regio tijdens het Pleistoceen als een biogeografisch refugium te hebben gediend. Deze geografische kenmerken spaarden de Transkaukasus van de ernstige lklimaatschommelingen tijdens de ijstijden, en stonden mensen toe om gedurende millennia te gedijen.

Laatpaleolithische overblijfselen zijn onderzocht in Satsoerblia, Devis Chvreli, Sakazjia, Sagvarzjile, Dzoedzoeana, Samertschle Klde, Gvarjilas Klde en andere grot-sites. Een grot in Dzoedzoeana leverde de vroegste bekende geverfde vlasvezels, gedateerd op 36.000 BP. In die tijd lijkt het oostelijke gedeelte van Transkaukasië dun bevolkt te zijn geweest, in contrast met de valleien van de Rioni en de Kvirila in West-Georgië.

EpipaleolithicumBewerken

Het epipaleolithicum (ofwel mesolithicum) wordt in Transkaukasië vertegenwoordigd door het Trialetian, gedateerd tot de periode tussen 16.000 en 8.000 BP.

NeolithicumBewerken

Vanaf ten minste het begin van het 6e millennium voor Christus zijn de eerste tekenen van een neolithische cultuur en de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt in Georgië te vinden. Vroeg-neolithische sites zijn voornamelijk aangetoond in West-Georgië: dit zijn Choetsoebani, Anaseoeli, Kistriki, Kobeleti, Tetramitsa, Apiantsja, Machvilaoeri, Kotias Klde, Paloeri en andere.

Aan het begin van de 5e millennium werd het bekken van de Koera ook stabiel bevolkt. Nederzettingen zoals die in Tsopi, Aroetsjlo, en Sadachlo langs de Koera in Oost-Georgië onderscheiden zich door een langdurige culturele traditie, karakteristieke architectuur en een grote vaardigheid in de productie van stenen werktuigen. De meeste van deze sites zijn gerelateerd aan de laat-neolithische Sjoelaveri-Sjomoecultuur. C14-datering van Sjoelaveri-sites geven aan dat de vroegste nederzettingen dateren uit het late 6e- begin 5e millennium v.Chr.

BronstijdBewerken

 
gouden kelk van de Trialeticultuur

Al tijdens het 6e millennium v.Chr. vindt met in Georgië voorbeelden van een vroege metallurgie. Zeer vroege metalen voorwerpen werden al gevonden in lagen van de neolithische Sjoelaveri-Sjomoecultuur. Vanaf het begin van het 4e millennium werd metaalgebruik uitgebreider, in Oost-Georgië en in de hele transkaukasische regio.

Van ca. 3.400 tot 2000 v.Chr. zag de regio de ontwikkeling van de Koera-Araxescultuur, gecentreerd op de bekkens van Koera en Aras. Tijdens dit tijdperk ontstond economische stabiliteit op basis van rundvee- en schapenteelt, en een duidelijke culturele ontwikkeling. De lokale heersers lijken mannen van rijkdom en macht te zijn geweest. Hun grafheuvels bevatten fijn bewerkt gouden en zilveren vaatwerk, enkele gegraveerd met rituele scènes die invloed uit Zuidwest-Azië suggereren. Deze uitgestrekte en bloeiende cultuur was in contact met de geavanceerde beschavingen van Akkadisch Mesopotamië, maar ging geleidelijk achteruit en stagneerde rond 2300 v.Chr., uiteenvallend in een aantal regionale culturen. Een van de vroegste van deze opvolgculturen was de Martkopi-Bedenicultuur in Oost-Georgië.

Aan het einde van het 3e millennium v.Chr. is er bewijs van aanzienlijke economische ontwikkeling en verhoogde handel tussen de stammen. In West-Georgië ontstond tussen 1.800 en 700 v.Chr. een unieke cultuur, de Colchiscultuur, en in Oost-Georgië bereikte de Trialeticultuur rond 1.500 v.Chr. haar hoogtepunt.

IJzertijd tot het begin van de klassieke periodeBewerken

Tegen de laatste eeuwen van het 2e millennium v.Chr. ontwikkelde zich de bewerking van ijzer in Transkaukasië, en begon de ijzertijd met de introductie op grote schaal van ijzeren gereedschappen en wapens, van superieure kwaliteit dan de tot nu toe van koper en brons gemaakte. Een dergelijke verandering vond in het grootste deel van Zuidwest-Azië waarschijnlijk niet voor de tiende of negende eeuw plaats.

Tijdens deze periode begon volgens taalkundigen de etnische en linguïstische eenheid van de proto-Georgiërs uiteen te vallen in verschillende takken die nu de Kartveelse taalfamilie vormen. De eerste om weg te breken was het Svanetisch in het noordwesten van Georgië, in ongeveer de 19e eeuw voor Christus. In de 8e eeuw v.Chr. was het Zanisch, de vooranger van het Mingreels en Lazisch, een afzonderlijke taal geworden. Op basis van taal is vastgesteld dat de vroegste Kartveelse ethnos bestond uit drie gerelateerde stammen: de Karten, de Zanen (Colchiërs) en de Svanen, die uiteindelijk de basis van de moderne Kartvelisch-sprekende volksgroepen zouden vormen.

Zie de categorie Prehistoric Georgia van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.