Pindarus

dichter uit Boeotische Bond (517v Chr-437v Chr)

Pindarus (of Pindaros Grieks: Πίνδαρος, Nederlands, verouderd: Pindaar) (518 v.Chr. of 522 v.Chr. – ca. 443 v.Chr.) was een Griekse dichter.

Pindarus
Buste Pindarus. Romeinse kopie van een Grieks origineel uit de 5e eeuw voor Christus, Museo Archeologico Nazionale di Napoli
Algemene informatie
Volledige naam Πίνδαρος
Ook bekend als Pindaros, Pindaar
Geboren 518 v.Chr. of 522 v.Chr.
Geboorteplaats Cynoscephalae, Boeotië
Overleden ca. 443 v.Chr.
Overlijdensplaats Argos
Land Oude Griekenland
Beroep dichter
Werk
Stroming Oudgriekse literatuur
Bekende werken Zegezangen, Oden, Puthische Oden
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Oudheid

BiografieBewerken

Pindarus was van afkomst een aristocraat uit Cynoscephalae, een dorpje nabij Thebe.[1] Hij begon met dichten op 20-jarige leeftijd.

Zijn dichtwerk werd in geheel Griekenland geroemd en, ondanks de zeer moeilijke vorm, tot in de Byzantijnse tijd als schoollectuur gebruikt. Door zijn faam raakte Pindarus verbonden aan de Pythische (Delphi) en de Olympische Spelen, waar hij de "epinikia" dichtte. Een epinikion is een ode aan een overwinnaar van een van de vele spelen in het oude Griekenland. Deze lofzangen werden gemaakt op vraag van een opdrachtgever. Pindarus werd dus betaald voor het schrijven van deze oden. Het dichten van epinikia bracht hem in nauwe relatie met vele "groten der aarde". Hij verkeerde in dezelfde kringen als Simonides en diens neef Bacchylides, twee andere Griekse dichters van overwinningsliederen. Toen Alexander de Grote in 335 v.Chr. Thebe verwoestte, liet hij alleen Pindarus’ huis met respect behandelen.[2]

Onderzoek echter heeft onthuld dat vele biografische gegevens bestaan uit weinig gefundeerde afleidingen op basis van zijn eigen poëzie. Over de moeilijkheid om biografische gegevens te achterhalen van Oudgriekse Poëten wordt uitgebreid ingegaan in het boek "The lives of Greek poets" van Mary Lefkowitz.

Politieke visieBewerken

Pindarus' politieke visie is ook een veelbesproken thema. Door zijn relatie met Thebe, kon Pindarus na de Perzische Oorlogen, de Griekse overwinning niet vrijuit bezingen. Thebe zou namelijk gecollaboreerd hebben met de Perzen. Pindarus zat dus in een tweestrijd tussen een panhelleens gevoel en trouw aan zijn eigen afkomst.[3][4]

Van een aristocraat wordt geen prodemocratisch standpunt verwacht, maar in zijn werk zijn weinig uitgesproken antidemocratische standpunten te vinden. Enkel in de Tweede Pythische Ode lijkt hij een houding te tonen die tegen democratie is. R.C. Jebb[5] argumenteert echter dat dit niet tegen de idee van democratie is, maar tegen de gewelddadige democratische revoluties die zich op Sicilië afspeelden.

Literaire werkenBewerken

Pindarus is de lyriekdichter met de meeste bewaarde werken. Hij schreef in het subgenre van de koorlyriek dat begeleid werd door de aulos en gespeeld werd in een openbare setting.

Er zijn 45 ‘Epinikia’ bewaard, opgedeeld in 4 boeken, verbonden aan de Panhelleense spelen:

  • 14 Olympische oden
  • 12 Pythische oden
  • 11 Nemeïsche oden
  • 8 Istmische oden


Er zijn enkele fragmenten bewaard uit werken die verder verloren zijn:[6][7]

KenmerkenBewerken

FormeelBewerken

Typisch voor de koorlyriek zijn de oden geschreven in het Dorische kunstdialect, met invloeden van de Epische kunsttaal en het Eolische dialect.[8] Ze volgen meestal een triadische structuur (strofe + antistrofe) van maximum 5 triades. De vierde Pythische ode, die 13 triades lang is, is hierop een uitzondering.[9]

StructureelBewerken

De ode begint bijna altijd met de aanroeping van de muze. Dit wordt gevolgd door lof op de overwinnaar, zoals in de 4de Pythische ode, hier vertaald door Patrick Lateur.


Muze, vandaag moet je stilstaan bij een vriend,

de koning van Kyrene, stad met mooie paarden,

om bij het feest van Arkesilas

de bries van hymnen aan te blazen

die wij verschuldigd zijn aan Leto’s kinderen en Pytho.[10]


De mythe wordt vervolgens geïntroduceerd, waarna die meestal een cirkelvormige structuur volgt. Op het einde komt Pindarus op thematisch en temporeel vlak terug op het moment waar het mythische verhaal begon.

Ook hier is de 4de Pythische ode een uitzondering. Eerst wordt dezelfde structuur gevolgd, maar dan wijkt Pindarus op het einde af door de ode te veranderen in een pleidooi voor de terugkeer van Damofilos naar Kyrene.[9]


Ten einde toe doorstond hij een vervloekte

kwaal en smeekt nu

ooit zijn huis terug te zien, aan feesten deel te nemen

bij Apollo’s bron,

zich dikwijls uit te leven in genoegens van de jeugd,

bij kunstlievende burgers de versierde citer in de hand te nemen

en van vrede te genieten, zonder

iemand kwaad te doen, zonder zelf van stadsgenoten leed te ondervinden.[10]

Stilistisch[11]Bewerken

Pindarus staat bekend voor zijn grote verbeelding en techniek in zijn poëzie.

Hij vertoont een grote verscheidenheid en zin voor variatie: voor elke ode is er een andere metrische vormgeving en gebruikt hij een uitgebreide woordenschat.

Pindarus’ schrijfstijl wordt gekenmerkt door sterke verbale uitdrukkingen en volle beschrijvingen.  Hij maakt veel gebruik van stijlfiguren zoals brachylogie en ellipsen.

Door de regelmatige oppositie tussen verzen en het weglaten van partikels creëert Pindarus een asymmetrie in zijn werk.

Ook bekend bij Pindarus zijn de abrupte overgangen. Hij gebruikt een overgangstechniek genaamd ‘Abbruchsformel’, waarbij een thema afrondt terwijl hij door middel van associaties zo snel mogelijk naar het volgende narratieve thema verder kan gaan. Zo is er geen directe link tussen de twee onderdelen, maar wel een impliciete link door de associatie.

ThematischBewerken

De overwinningsoden werden geschreven ter ere van de winnaar van de spelen. Bijvoorbeeld zowel de 4de als de 5de Pythische ode zijn geschreven ter ere van wagenrenner Arkesilas van Kyrene[9]. De odes bevinden zich dus in een zeer prestigieuze en aristocratische sfeer door de grote overwinning.


Mythes zijn een fundamenteel component van de overwinningsodes. Het mythische verleden wordt door Pindarus verbonden met actuele gebeurtenissen uit de 5de eeuw v.C. en de overwinning van de spelen. In de 4de Pythische ode wordt bijvoorbeeld de mythe van de Argonauten en Jason uitvoerig uitgebeeld, terwijl de ode tegelijk verbonden is met de overwinning van Arkesilas.[12]Hier vertaald door Patrick Lateur:


En zie, als was het volop lente met purperrode bloesem,

Nu gedijt veel later nog

Arkesilas, de achtste generatie van zijn geslacht.

Pytho en Apollo schonken hem

door amfiktionen roem

in paardenrennen. Ik zal hem toevertrouwen aan de Muzen,

ook de gouden vacht van de ram waarvoor

de Minyërs zijn uitgevaren. Toen ontlook hun roem

door goden gezonden.[10]

Nederlandse vertalingenBewerken

  • Pindarus, Pythische Oden. Vertaald door Loenen, D. (1940). De vierde pythische ode van Pindaros: Behelzende het oudste verhaal over den tocht der Argonauten. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Pindaros. Puthische Oden, vertaald en ingeleid door Jos De Haes, 1945
  • Pindarus, Pythische Oden. Vertaald door Lateur, P. (1999). Zegezangen. Amsterdam: Athenaeum – Pollak & Van Gennep.
  • Radt, S. L. (1992). Oden. Groningen: Styx.

LiteratuurBewerken

  • Burton, R. W. (1962). Pindar's Pythian Odes: Essays in Interpretation. London: Oxford University Press.
  • Farnell, L. R. (1930). The Works of Pindar: Translated with Literary and Critical Commentaries. London: Macmillan and co., limited.
  • Norwood, G. (1945). Pindar. Berkeley: University of California Press.
  • Revard, Stella P., Politics, Poetics, and the Pindaric Ode 1450-1700, Turnhout, Brepols Publishers, 2010, ISBN 978-2-503-52896-0

Externe linkBewerken

ReferentiesBewerken

  1. (en) Gilbert Norwood, Pindar. University of California Press (1 januari 1974), pp. 15. ISBN 978-0-520-01952-2.
  2. (en) Gilbert Norwood, Pindar. University of California Press (1974), pp. 15. ISBN 978-0-520-01952-2.
  3. (en) Gilbert Norwood, Pindar. University of California Press (1 januari 1974), pp. 14. ISBN 978-0-520-01952-2.
  4. (en) Jebb, Richard Claverhouse (1882). Pindar. The Journal of Hellenic Studies 1882: 148-149.
  5. (en) Jebb, Richard Claverhouse (1882). Pindar. The Journal of Hellenic Studies 1882: 148-149.
  6. (en) FARNELL, L. R., Pindarus, The Works of Pindar: Translated, with Literary and Critical Commentaries.. Macmilland and co., London (1930).
  7. (en) D’Alessio, G.B. (1997). Pindar’s “Prosodia” and the classification of Pindaric papyrus fragments.. Zeitschrift Für Papyrologie Und Epigraphik 118: 23–60.
  8. (en) Baker, Lawrence Henry (1923-1). Some Aspects of Pindar's Style. The Sewanee Review Vol. 31
  9. a b c (en) Lattimore, Richmond (18 oktober 1948). Pindar's Fourth Pythian Ode. The Classical Weekly Vol. 42
  10. a b c Patrick Lateur, Pindaros, Zegezangen. Athenaeum – Pollak & Van Gennep (1999).
  11. (en) Bruce Karl Brasswell, Pindarus, A Commentary on the Fourth Pythian Ode of Pindar. de Gruyter (1988), pp. 30-37.
  12. (en) Lattimore, Richmond (18 oktober 1948). Pindar's Fourth Pythian Ode. The Classical Weekly Vol. 42
Zie de categorie Pindar van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.