Hoofdmenu openen

Pieter van Winter

Nederlands dichter (1745-1807)
Het straatje van Johannes Vermeer, in 1800 aangeschaft

Pieter van Winter (16 februari 1745 -23 april 1807) was een koopman, dichter en kunstverzamelaar.

Inhoud

FamilieBewerken

Van Winter was een lid van de later adellijke familie Van Winter en de zoon van Nicolaas Simon van Winter en Johanna Muhl. Hij werd gedoopt in de Nieuwezijds Kapel.

Van Winter's dochter Lucretia Johanna van Winter werd geboren in 1785.[1] Zij trouwde met Hendrik Six en bewoonde vanaf 1835 Herengracht 509-511, het breedste pand in de Gouden Bocht. Haar zuster Anna Louisa Agatha van Loon-van Winter (1793-1877) bewoonde Herengracht 497; daar hing het deel van de collectie, dat in 1877 voor anderhalf miljoen gulden aan een syndicaat Alphonse, Gustave, Edmond, Lionel en Ferdinand de Rothschild in Parijs is verkocht.

Zijn stiefdochter Cornelia Christina van Orsoy (1778-1816) (getrouwd met de classicus David Jacob van Lennep) was de moeder van schrijver en politicus Jacob van Lennep (1802-1868).

LoopbaanBewerken

Na 1768 nam Van Winter de handel in verfstoffen en indigo van zijn vader over.

Tussen 1777 en 1780 bewoonde hij of huurde een deel van het Bartolottihuis. Hij trouwde in 1780 met Anna Louisa van der Poorten. In 1782 kocht hij het huis Saxenburg op Keizersgracht 224 van de koopman Jean de Neufville, alsmede een pakhuis op de Prinsengracht 321. In 1784 werd hij bewindhebber van de VOC. Hij had een buiten genaamd Voorland in de Watergraafsmeer.[2] In 1793 kocht hij samen met zijn vader nog een huis op Keizersgracht.

Op oudere leeftijd leerde hij latijn en vertaalde gedichten.[3] Willem Bilderdijk haalde zijn vertaling van Aeneas over de hekel.

KunstcollectieBewerken

Van Winter bracht een verzameling schilderijen bijeen van uitzonderlijk hoge kwaliteit, waaronder werken van Rembrandt, Het straatje door Johannes Vermeer, Jan Steen, Frans van Mieris en Gerard Terborch. Deze collectie, die uiteindelijk zo’n 180 werken zou omvatten, was ondergebracht in een galerie achter het huis.

In een testament van 1801 bepaalde Van Winter dat zijn collectie publiekelijk verkocht moest worden. In 1806 veranderde hij zijn testament opdat de voogden van de drie minderjarige kinderen de collectie bijeen zouden houden totdat de jongste van de drie meerderjarig of getrouwd zou zijn; daarna zouden de kinderen vrijelijk over de collectie kunnen beschikken en eventueel tot veiling kunnen overgaan indien niet tot overeenstemming over de verdeling zou worden gekomen. In 1808 verkreeg Lucretia meerderjarigheid (een Venia Aetatis, gedateerd 3 december 1806 en ondertekend door koning Lodewijk Napoleon).

Pas in 1815 begon men met de waardebepaling en vervolgens verdeling van de kunstcollectie van Van Winter. De waardebepaling gebeurde door drie verschillende kunstexperts. Zoon Josua Jacob zag af van zijn deel van de kunstcollectie in ruil voor een uitkoop door zijn twee zussen; die laatsten kochten hem elk uit voor 25.000 gulden waarna de verdeling tussen beide zussen plaats kon vinden. In 1818 was de verdeling van de kunstcollectie rond.

De collectie familieportretten viel overigens buiten deze verdeling. Die ging bij testamentaire bepaling in haar geheel over naar de zoon. Deze maakt inmiddels onderdeel uit van de collectie van de Six Stichting en werd het laatst aangevuld in 1990 met twee portretten afkomstig uit de nalatenschap van prof. jhr. dr. Pieter Jan van Winter (1895-1990).

LiteratuurBewerken

  • Ruud Priem, 'The "most excellent collection" of Lucretia Johanna van Winter: the years 1809-1822, with a catalogue of the works purchased', in: Simiolus 25 (1997), p. 103-235.