Hoofdmenu openen

Pieter Janse van Hoorn (1619 - ?) was een Raad van Indië en gaf in 1667-1668, slechts twee jaar na zijn aankomst in de Oost, leiding aan het tweede gezantschap dat de VOC ooit naar het Chinese keizerlijk hof stuurde, in de hoop handelsrechten in China te verkrijgen.

Inhoud

LevensloopBewerken

Van Hoorn begon zijn carrière als buskruitfabrikant, maar werd op 22 december 1662 benoemd tot extraordinair raad van Indië. Hij verkocht op 16 april 1663 zijn land en kruittoren aan de stad.[1] Vijf dagen later vertrok het hele gezin, waaronder een tweeling, naar Batavia. Aan boord van het schip Alphen kwam hij zeven maanden later aan.[2]

Ambassadeur naar het Chinese HofBewerken

 
Het gezantschap onder Van Hoorn presenteert geschenken bij het Keizerlijk Paleis. Op de voorgrond o.a. de globes die voor de Keizer waren meegenomen. Afbeelding uit Olfert Dapper's Gedenkwaerdig Bedryf.

Het gezantschap waaraan Pieter van Hoorn leiding gaf moest handelsrechten verkrijgen van de Chinese keizer. Onder de Ming-dynastie hadden de Nederlanders niet direct op China mogen handelen, maar sinds de Ming-dynastie was gevallen en de Qing aan de macht waren zagen ze een kans hier verandering in te brengen. Tussen 1655 en 1686 werden er daarom - tijdens de regeerperioden van Shunzhi (1644-1661) en Kangxi (1661-1722) - in totaal zes gezantschappen naar het Chinese hof gestuurd. Pieter van Hoorn werd begin juli 1666 op reis gestuurd samen met de koopman Constantijn Nobel, een secretaris, zes lijfwachten, twee trompetters, een kok, een chirurg met twee assistenten, een tekenaar en zijn zoon Joan. De lading aan boord bevatte onder andere sandelhout, peper en voor 100.000 gulden aan geschenken, met een gecombineerde waarde van ongeveer een half miljoen gulden.[3] Het duurde vanwege de uitgebreide bureaucratische procedures van de Chinezen echter tot januari 1667 voordat het gezelschap de reis kon aanvaarden.

Het gezantschap verplaatste zich per schip over de rieveren en passeerde 37 steden, o.a. Nanping, Hangzhou, Suzhou, Linqing en 47 sluizen.[4] Het gezelschap werd vijf maanden later door de nieuwe machthebbers in Peking ontvangen in het keizerlijk paleis van de 13-jarige Kangxi. Na het diner kregen ze zakjes om het overgebleven restant mee naar huis te nemen, iets wat de Hollanders niet gewend waren. Ze zouden om de acht jaar een bezoek aan Peking moeten brengen. Aanvankelijk dachten de Nederlanders ook toestemming te hebben verkregen om om het andere jaar handel te drijven in Kanton, maar dat bleek op een vertaalfout te berusten. De ambassade was al met al geen succes - niet alleen hadden de Nederlanders hun handelsrechten niet gekregen, ook de schepen die in Fujian waren achtergebleven hadden niet al hun waren kunnen verkopen.[5] Begin januari 1668 waren de reizigers terug in Batavia. Het gezantschap was dus geen succes. Wel vormde het verslag ervan mede de basis van Olfert Dapper's boek Gedenkwaerdig Bedryf Der Nederlandsche Oost-Indische Maetschappye etc.[6] Dit geïllustreerde werk droeg bij aan de beeldvorming van China in Europa.

Persoonlijk leven en latere carrièreBewerken

Pieter van Hoorn was getrouwd met Sara Bessels, kleindochter van Gerard Reynst. Eén van hun kinderen was de latere gouverneur-generaal en Raad van Indië Joan van Hoorn. Hij nam zijn zoon, toen veertien jaar oud, mee op het gezantschap naar het keizerlijk hof.

In 1677 ontsloeg Joan Maetsuycker vier leden van de Raad van Indië vanwege corruptie, waaronder Pieter van Hoorn en Pieter Overtwater. Constantin Ranst en Hendrik van Rheede namen ontslag.

Geschreven werkenBewerken

In 1675 schreef Pieter van Hoorn een berijmde vertaling van Confucius' Gesprekken: Eenige voorname eygenschappen van de waren Deugdt, Voorsichticheiydt, Wysheydt en Volmaecktheydt, getrocken uyt den Chineschen Confucius, en op rijm gebracht. (Batavia: Joannes van Eeden, Batavische Mercurius). Het is mogelijk dat hij zich baseerde op een Latijnse vertaling die hij van de jezuitische Pater Philippe Couplet had gekregen. Ook kan een van zijn geletterde Chinese contacten in Batavia hem hebben geholpen.[7] Hiermee maakte hij de ideeën van Confucius voor het eerst beschikbaar in de Nederlandse taal.

In 1682 vertaalde hij Maximes tot herstellinge van de Liefde : off om wel te leven met moeijlijcke menschen uit het Frans.[8]

LiteratuurBewerken

  • Dapper, O., (1670), Gedenkwaerdig Bedryf Der Nederlandsche Oost-Indische Maetschappye etc.
  • Wills jr, J.E. (1984) Embassies & Illusions. Dutch and Portuguese Envoys to K'ang-hsi, 1666-1687

ReferentiesBewerken

  1. Kwijtschelding Stadsarchief [1][dode link]
  2. http://www.vocsite.nl/schepen/detail.html?id=10023
  3. Amstel, A. van (2011) Barbaren, rebellen en mandarijnen. De VOC in de slag met China in de Gouden Eeuw, p. 307.
  4. Wills jr, J.E. (1984) Embassies & Illusions. Dutch and Portuguese Envoys to K'ang-hsi, 1666-1687, p. 67-68.
  5. Een Hollandsch Gezantschap Naar China in de Zeventiende Eeuw [2]
  6. Gedenkwaerdig Bedryf op Google Books [3]
  7. https://www.de-zeventiende-eeuw.nl/articles/10.18352/dze.10147/
  8. Dit werk wordt tegenwoordig bewaard in het KITLV in Leiden: OCLC 68975673