Hoofdmenu openen

Pieter Kuntz

Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog

Pieter Adrianus Kuntz (Rotterdam, 20 oktober 1904 - Nieuwerkerk aan den IJssel, 3 juni 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kuntz werd geboren als zoon van een Duitse vader en een Nederlandse moeder. Volgens de toenmalige wetgeving kreeg het kind de nationaliteit van de vader. Kuntz is tweemaal met een Nederlandse vrouw getrouwd, uit het eerste huwelijk is één kind en uit het tweede huwelijk twee kinderen geboren.

Kuntz werkt onder andere als steward op de grote vaart (KNSM) en als leraar Duits op een middelbare school. In 1943 moest Kuntz vanwege zijn nationaliteit in Duitse krijgsdienst, waaruit hij kort na 6 september 1944 is gedeserteerd om zich aan te sluiten bij het Rotterdamse verzet. Kuntz maakt vervolgens deel uit van de L.K.P.-knokploeg van Joost "Harro" Schouten (Rotterdam Zuid).

Vermoord na de oorlog op verdenking van verraadBewerken

Op 28 april 1945 geeft prins Bernard als bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten het bevel om met onmiddellijke ingang alle liquidaties van vermeende verraders stop te zetten.[1]

Desondanks wordt onder andere de Rotterdamse verzetsstrijder Pieter Kuntz zonder proces doodgeschoten op 3 juni 1945 door Chris Scheffer en Jan Arie de Groot. Kuntz wordt verdacht van verraad, ook al heeft de lokale commandant J.A. Louwers van de Binnenlandse Strijdkrachten (bureau Gordelweg) verklaard dat Kuntz niet wordt verdacht en zich vrijelijk door de stad mag bewegen.[2]

De verdenking van Scheffer tegen Kuntz is dat hij degene is geweest die de centrale Rotterdamse wapenvoorraad (onder andere 350 stenguns) van de Binnenlandse Strijdkrachten heeft verraden aan de bezetter, welke in een trekschuit "De Drie Gebroeders" in de Boezembocht is opgeslagen. In januari 1945 zou Kuntz op aanwijzing van V-Mann Anton van der Waals zijn aangehouden en tijdens marteling door de Sicherheitsdienst zijn doorgeslagen. Op 13 januari 1945 overvalt de Sicherheitsdienst de schuit en sneuvelen twee verzetsstrijders die de schuit bewaken.

Uit historisch onderzoek van J.A. Blaauw blijkt dat de bezetter de wapenschuit al op het spoor is nog voordat Kuntz is aangehouden. Blaauw concludeert dat Kuntz vermoedelijk onschuldig is geweest. Voor de geruchten dat Kuntz als V-mann actief is geworden na zijn aanhouding,[3] zijn geen bewijzen gevonden.[4]

Kuntz zit van januari 1945 tot 27 mei 1945 in arrest in afwachting van een krijgsraad wegens desertie uit de Wehrmacht.[5] Door geallieerd ingrijpen wordt op 27 mei 1945 voorkomen dat hij als gevangene van de Wehrmacht naar Duitsland wordt meegevoerd.

Omdat Kuntz na 5 mei 1945 overlijdt, geldt hij niet als oorlogsslachtoffer en wordt het verzetspensioen van zijn weduwe stopgezet in 1946. Ondanks aandringen van de weduwe, wordt er geen strafrechtelijk onderzoek naar zijn dood gedaan. Zijn moordenaars Scheffer en De Groot krijgen in 1950 voorwaardelijke straffen voor de naoorlogse moord op Kitty van der Have.