Pankisi-kloof

De Pankisi-kloof (Georgisch: პანკისი) of Pankisi-vallei is een ongeveer 3 kilometer brede en 30 kilometer lange kloof in het noordoosten van Georgië, die in het noorden aan Tsjetsjenië (Rusland) grenst en bekendstaat om de wetteloosheid van het gebied. In het gebied woont de Kisti-bevolkingsgroep die Batsisch spreekt, een verwante taal van het Tsjetsjeens.

Pankisi-kloof

De Pankisi-kloof wordt vaak gebruikt als doorvoerplaats voor onder andere wapens door smokkelaars. Ook wordt de kloof gebruikt door ongeveer 8000 Tsjetsjeense vluchtelingen die vluchtten voor de Tsjetsjeense oorlogen. In 2002 werd de kloof onderwerp van een ruzie tussen Rusland en Georgië. Terwijl de VS er in februari speciale eenheden naartoe hadden gestuurd die Georgische legereenheden moesten opleiden in het kader van de "strijd tegen terrorisme"; de Amerikaanse overheid vermoedde dat er "Al-Qaida"-strijders zaten, trokken ondertussen ongeveer 2500 (andere schattingen kwamen zelfs tot 4000) Tsjetsjeense rebellen de kloof binnen, op de vlucht voor het Russische Leger. Rusland beschuldigde in augustus van dat jaar de Georgische president Edoeard Sjevardnadze ervan dat de kloof onderdak bood aan gevluchte Tsjetsjeense terroristen onder leiding van onder andere de Tsjetsjeense krijgsheer Ibn al-Chattab, waarna Rusland "geheime luchtaanvallen" inzette op de kloof en daarmee het Georgisch grondgebied zou hebben geschonden. De Russische regering dreigde Georgië binnen te trekken, als er niet wat aan de rebellen zou worden gedaan, waarna de Georgische overheid verklaarde een dergelijke actie op te zullen vatten als een oorlogsverklaring. Het Georgische leger voerde daarop onder zware druk samen met de VS een zuiveringsoperatie uit in de kloof. In 2003 zou Atsjimez Gotsjijajev, die door de Russische regering was aangewezen als verantwoordelijke voor de Russische flatbombardementen van 1999, zich in de kloof hebben bevonden.