Noordelijke kuifcaracara

Ondersoort uit de familie valkachtigen

De noordelijke kuifcaracara (Caracara plancus cheriway) is een roofvogel uit de familie van de Falconidae (valkachtigen). De vogel werd in 1784 door Nikolaus Joseph von Jacquin geldig beschreven als aparte soort Falco Cheriway. De vogel wordt nog vaak als aparte soort beschouwd, maar staat op de IOC World Bird List als ondersoort van de kuifcaracara (C. plancus).

Noordelijke kuifcaracara
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Noordelijke kuifcaracara
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Aves (Vogels)
Orde:Falconiformes
Familie:Falconidae (Valkachtigen)
Onderfamilie:Polyborinae (Caracara's)
Geslacht:Caracara (Kuifcaracara's)
Soort:Caracara plancus (Kuifcaracara)
Ondersoort
Caracara plancus cheriway
(Jacquin, 1784)[2]
Verspreidingsgebied van de noordelijke kuifcaracara
juveniel exemplaar
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Noordelijke kuifcaracara op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

Uiterlijke kenmerkenBewerken

De noordelijke kuifcaracara heeft een lengte van 49 tot 58 cm met een spanwijdte van 107 tot 130 cm. Een volwassen vogel weegt 1050 tot 1300 gram. Het is een relatief grote roofvogel met een overwegend zwart en wit verenkleed. Volwassen exemplaren hebben een witte keel en nek én een grijze snavel met een opvallende, gele basis. De poten zijn stevig gebouwd en geel/oranje van kleur. In tegenstelling tot de volwassen vogels, hebben jonge exemplaren een grijze snavel met een paars/roze basis in plaats van een gele basis. Deze paarse kleur zal vervangen worden door geel in de loop van de tijd. Ook hebben de jonge vogels in plaats van een witte nek een bruine nek in tegenstelling tot de volwassenen die een witte nek hebben.[3]

Verspreiding en leefgebiedBewerken

Deze soort komt voor van de zuidelijke Verenigde Staten tot noordelijk Zuid-Amerika. Dit zijn de landen en gebieden waar deze vogelsoort voorkomt: Aruba, Belize, Bonaire, Brazilië, Colombia, Costa Rica, Cuba, Curaçao, Ecuador, El Salvador, Frans Guyana, Guatemala, Guyana, Hondarus, Mexico, Nicaragua, Panama, Peru, Suriname, Trinidad en Tobago, Venezuela en de Verenigde Staten (Texas, Floriada en Arizona). De soort komt het meest voor in de buurt van veeboerderijen met verdeelde bomen en kleine bossen, mits er niet te veel mensen aanwezig zijn. Het typerende leefgebied voor deze soort zijn open, laaggelegen vlaktes. Ze komen ook voor in andere soorten landbouwgebieden, prairies, kustwouden (inclusief mangrovebossen), kokosnootplantaties, en open vlaktes.

VoedselBewerken

Caracara's zijn opportunisten. Het zijn zowel aaseters, als efficiënte jagers. Caracara's kunnen een dood dier van ver opmerken en zwermen er dan samen met gieren opaf. Als de Noordelijke kuifcaracara zelf op jacht gaat staan er meestal knaagdieren, andere jonge vogeltjes, schildpadden, hagedisjes, kikkers, eieren, wormen en insecten op het menu. Caracara's staan er om bekend om vaak voedsel van andere roofvogels zoals, gieren, lepelaars, buizerds, pelikanen en ibissen te stelen. Dit doen ze op een zeer agressieve manier. Een noordelijke kuifcaracara kan makkelijk een gier aan, mits de gier alleen is natuurlijk. Ook kenmerkend voor caraca's is dat ze, in tegenstelling tot de meeste andere roofvogels, op land, rennend achter hun prooi aan jagen. Ze jagen dus niet vanuit de lucht in tegenstelling tot hun meeste soortgenoten uit de roofvogel familie.

VoortplantingBewerken

Caracara's leven het grootste deel van hun leven solitair, maar sommigen leven in paren, of in kleine familiegroepjes bestaande uit ongeveer 3 tot 5 leden. Het paarseizoen duurt van december tot mei, maar in het tropische gebied begint het eerder. Ze bouwen grote, zeer stevige nesten van gras, takken, hooi en uitwerpselen van andere dieren. De nesten zijn 60 tot 100 cm breed en 15 tot 40 cm diep. Het vrouwtje legt gewoonlijk 2 tot 3 roze-bruine, donker gevlekte eieren. De eieren worden 28 tot 32 dagen gebroed door het vrouwtje.