Hoofdmenu openen

Nationale parken in Nederland zijn landschappen die beschermd worden vanwege hun belang voor natuur en recreatie. Het eerste stamt uit 1930. Er zijn eenentwintig gebieden als nationaal park aangewezen. In totaal gaat het om ongeveer 3% van het Nederlandse landoppervlak. De gebieden zijn deels in bezit van de staat en worden dan beheerd door Staatsbosbeheer, maar het grootste deel van de gronden binnen de nationale parken is in handen van particuliere eigenaren, veelal grote terreinbeherende natuurorganisaties als Vereniging Natuurmonumenten.

Uitzicht op het vogelmeer in Nationaal Park Zuid-Kennemerland

Geschiedenis tot 1950Bewerken

De gedachte van een nationaal park is in de Verenigde Staten van Amerika geboren. Nationaal park kreeg in dat land de betekenis van een vrij groot, door de nationale staat beschermd en afgebakend gebied, bedoeld om recreanten te laten genieten van de wildernis, en belangrijk voor de nationale identiteit. Het eerste park, Yellowstone National Park, dat in 1872 werd gesticht ging dienen als een soort model voor andere parken, binnen en buiten de VS. Wereldwijd volgden na het Amerikaanse initiatief honderden parken, waarvan de eerste Europese parken in 1909 (in Zweden) werden gesticht.

De Amerikaanse nationale parken waren al voor 1900 bekend in Nederland. In 1905 publiceerde de bioloog Hugo de Vries een boekje over Yellowstone en in 1911 pleitte de natuurbeschermer Eli Heimans ervoor een park te stichten in Limburg. Het duurde tot 1930 voordat het tot het eerste Nationale park kwam: Veluwezoom. Eigenaar was Natuurmonumenten, die de Veluwse landgoedeigenaren in staat stelde hun bezittingen over te dragen aan de vereniging. Er ontstond een voor Nederlandse begrippen zo groot gebied dat door zovelen gewaardeerd werd, dat men van een nationaal park sprak. Al snel hierna stichtte in 1935 een speciale stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe, dat het voormalig jachtreservaat en museum van de Kröller-Müller familie omvatte. In 1950 ontstond het Nationale Park De Kennemerduinen (het huidige Nationaal Park Zuid-Kennemerland) waarbij verschillende lokale overheden betrokken waren en dat een belangrijke functie voor de recreatie vervulde. Het voldeed bovendien aan de door o.a. Jac. P. Thijsse gekoesterde wens een duingebied tot nationaal park te maken. Deze drie parken waren in veel opzichten zeer afwijkend van de Amerikaanse voorlopers. Het ging niet om grote stukken ongerepte natuur en productie was geen taboe: in de Veluwse parken werd veel hout gekapt.

Hoewel de roep om door de Nederlandse staat opgerichte parken toenam, onder andere gestimuleerd door de toename van het nationalisme, een grotere rol van de staat in het maatschappelijk leven en talloze park-initiatieven in Europa (Zwitserland, Italie, Spanje e.a.) speelde de rijksoverheid vrijwel geen rol. Omdat Nederland zich in 1933 via een internationaal verdrag wel had verplicht over te gaan tot de stichting van nationale parken, richtte het zich op Nederlands Indië. Hoewel daar grote reservaten zijn gesticht, is het onder Nederlands bewind niet van nationale parken gekomen.

Geschiedenis na 1950Bewerken

Nadat het fenomeen nationaal park zich in de decennia na de Tweede Wereldoorlog verder verbreidde, werd de noodzaak gevoeld om tot uniformering te komen. Het nationale park im de UK week zeer af van dat in de VS bijvoorbeeld, dat weer verschilde van de parken in Zweden of Afrika. In 1969 werden er binnen de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN afspraken gemaakt over aard en status van een nationaal park. Volgens de IUCN-definitie is een nationaal park een natuurgebied:

  • met een aaneengesloten oppervlakte van aanzienlijke omvang,
  • dat beschermd wordt en
  • waarvoor de hoogste autoriteit in een land zich verantwoordelijk voelt.

Hoofdfunctie van een nationaal park is natuurbehoud, maar in een nationaal park is recreatief medegebruik mogelijk, zolang dit geen schade berokkent aan natuur en landschap. Deze definitie is verschillende malen aangepast, of om belangrijk geachte nationale parken onder de definitie te laten vallen of om juist duidelijkheid te scheppen door beperkingen. De activiteiten van IUCN stimuleerden veel overheden tot een nationale park beleid te komen of dit aan te passen. Zo ook de Nederlandse overheid. Na vele verschillende verkenndende nota's besloot de Nederlandse rijksoverheid in 1980 over te gaan tot een stelsel van nationale parken waarbij de regels van het IUCN zo goed en zo kwaad mogelijk werden gevolgd. Dit leidde tot de oprichting van de onafhankelijke Voorlopige Commissie Nationale Parken (VCNP).

Om op de lijst voor op te richten nationale parken te kunnen komen moest een gebied aan de volgende definitie voldoen. Een nationaal park is

  • een aaneengesloten natuurgebied van ten minste 1000 hectare, bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen,
  • met een bijzonder landschappelijke gesteldheid en planten- en dierleven, waar tevens
  • goede mogelijkheden zijn voor recreatief medegebruik.

De nationale parken moesten bovendien samen een representatief beeld vormen van de Nederlandse natuur; alle grote ecosystemen moeten zijn vertegenwoordigd. De Nationale Parken dienden zich behalve op natuurbescherming, ontwikkeling van natuur en landschap en natuurgerichte recreatie ook te richten op natuureducatie, voorlichting en onderzoek. Bovendien moesten de nationale parken allemaal, ook de reeds bestaande, passen binnen de IUCN-definitie.

 
Nationale parken in Nederland.

Gedurende de zoektocht naar gebieden die de status van nationaal park verdienden, passeerden vele gebieden de revue. Ook het aantal stond niet vast. Voorbeelden van gebieden die afvielen zijn Terschelling, Grevelingen, Ooster- en Westerzand en de duinen bij Noordwijk De Zilk. Andere gebieden kwamen laat in beeld zoals de Oosterschelde.

Het huidige stelsel van Nationale parkenBewerken

Uiteindelijk besloot men 17 nieuwe parken te stichten. Het eerste in de reeks van de nieuwe nationale parken was Schiermonnikoog in 1989, al snel gevolgd door Nationaal Park De Meinweg in 1990, Nationaal Park Dwingelderveld in 1991, De Weerribben in 1992, later uitgebreid tot Nationaal Park Weerribben-Wieden, Nationaal Park De Groote Peel in 1993, Nationaal Park De Biesbosch in 1994, en Nationaal Park De Maasduinen in 1996. In de 21e eeuw werden aangewezen Nationaal Park Drents-Friese Wold in 2000, Grenspark De Zoom - Kalmthoutse Heide in 2001, Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa, Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen, Nationaal Park Oosterschelde en Nationaal Park Duinen van Texel in 2002, Nationaal Park Lauwersmeer en Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug in 2003, Nationaal Park Sallandse Heuvelrug in 2004, en ten slotte De Oude Venen in 2006. In oktober 2018 werd daar nog Nationaal Park Nieuw Land aan toegevoegd, bestaande uit de Oostvaardersplassen, Lepelaarplassen, Marker Wadden, en een deel van het Markerkmeer. Daarmee behoort 148.000 hectare van Nederland tot een van de 21 nationale parken, 3 procent van het land en ongeveer 25 procent van de Nederlandse natuurreservaten (zie voor een overzicht de Lijst van nationale parken in Nederland).

In 2005 werd de Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken (SNP) opgericht als samenwerkingsverband tussen de twintig Nationale Parken en tussen de bij die parken betrokken overheden, grondeigenaren, terreinbeheerders, natuurorganisaties en anderen. De belangrijkste partners waren de afzonderlijke Nederlandse Nationale Parken, het Ministerie van LNV, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de Provinciale landschappen, de Federatie Particulier Grondbezit en het IVN. De Stichting SNP wil van de Nationale Parken exclusieve en aantrekkelijke natuurgebieden maken. Het grondgebied van de parken is anders dan in veel andere landen behalve in handen van Staatsbosbeheer ook eigendom van particuliere natuurterrein-beherende organisaties als Natuurmonumenten, Provinciale landschappen en kleinere particuliere grondbezitters. Het IVN coördineert de voorlichting, educatie en vele recreatieve activiteiten.

De nationale parken omvatten vrijwel alle belangrijke natuur-landschappen: duinen, heide, bos, veen, kleinschalig cultuurlandschap, beekdalen, rivierduinen, zandverstuivingen, zeearmen, meren en kwelders. Ze vormen grote kerngebieden binnen de Ecologische hoofdstructuur. Andere landschappen die belangrijk worden geacht kennen een te intensief gebruik en zijn als 'nationaal landschap' aangemerkt. Weer andere zijn van groot belang voor natuurbescherming maar zijn te kwetsbaar om veel recreatie toe te kunnen staan, zoals het Fochteloërveen of zijn te groot of kennen een te complex beheer om park te kunnen worden, zoals de Waddenzee. Het SNP wil het 'merk' nationaal park versterken en werkt aan vergroting van de kwaliteit en de eenheid van de parken. Inmiddels weten vele miljoenen bezoekers de parken te vinden. In of bij sommige parken wordt de recreatiedruk als groot ervaren.

De toekomst van de Nationale parken in NederlandBewerken

Met de herijking van het natuurbeleid in Nederland in 2011 en 2012 zijn de verantwoordelijkheden voor het stelsel van Nationale Parken en het SNP ingrijpend veranderd.[1]. Op initiatief van staatssecretaris Henk Bleker zijn in die periode tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen nieuwe afspraken gemaakt die worden aangeduid als het bestuursakkoord natuur. Voor de nationale parken betekende dit dat de verantwoordelijkheden van het Rijk vrijwel volledig werden gedecentraliseerd. De provincies werden verantwoordelijk voor de planologische bescherming en het beheer van de nationale parken. Sommige provincies hebben aangegeven geen bemoeienis met de parken meer te willen hebben. De financiering van het Rijk voor het SNP werd met ingang van 2014 beëindigd, waardoor de betrokken eigenaren en gebruikers zelf verantwoordelijk werden voor hoe zij zich organiseren en wie zij bij hun werk betrekken. De rijkssubsidie voor natuureducatie in de parken door het IVN werd in gewijzigde vorm voortgezet. Het Rijk bleef verantwoordelijk voor de toekenning van het predicaat Nationaal Park, overeenkomstig de IUCN-resolutie van 1969. Aanwijzing gebeurt dus nog door de Minister van Economische Zaken, maar uitsluitend op verzoek van de provincie waarin het park ligt.[2] De nationale parken hebben mede onder invloed van deze ontwikkelingen gezocht naar samenwerking met de Nationale landschappen.

In 2016 is staatssecretaris Van Dam onder druk van de Tweede Kamer gekomen tot een nieuw rijksinitiatief voor de nationale parken, vooral met de bedoeling de uitstraling van de parken te vergroten.[3]

Zie ookBewerken

BronnenBewerken

  • Bibelriether, H. and R. L. Schreiber, 1989, Die Nationalparke Europas, Pro Natur, Frankfurt am Main.
  • Gissibl, B., S. Höhler & P. Kupper, 2012, Civilizing Nature, National Parks in Global Historical Perspective, Berghahn, Oxford.
  • Gorter, H.P., 1986, Ruimte voor natuur, Natuurmonumenten, ’s Graveland.
  • IUCN, 1956, Atlas der Natuurreservaten, Elsevier, Amsterdam/Brussel.
  • Vries, H. de, 1905, Het Yellowstone-park, Amsterdam.

Externe linksBewerken