Hoofdmenu openen

De Nassause Erfvereniging was een familieverdrag tussen de verschillende takken van het huis Nassau, de Ottoonse linie, waartoe de Nederlandse dynastie der Oranje-Nassaus behoorde, en de Walramse linie, waartoe de Duitse vorsten van de verschillende graafschappen behoorden.

Het sluiten van een dergelijk verdrag was het voorrecht van de hoge Duitse adel binnen het Heilige Roomse Rijk. De erfverdragen waren gebaseerd op de in het recht van het Duitse Rijk vastgelegde autonomie der regerende geslachten. Het was de plicht van de keizer om toe te zien op de uitvoering van de erfverenigingen[1].

Om versnippering van de gebieden en erflanden van de Nassaus te voorkomen, werd vastgelegd dat het bezit na het uitsterven van een tak van de familie niet in vreemde handen mocht komen. De erfenis, in dit geval een graafschap en de regering over dat graafschap, werd onder de andere Nassaus verdeeld.

Karel Christiaan, graaf van Nassau-Weilburg, en erfstadhouder Willem V, prins van Oranje en graaf van Nassau-Dietz, sloten het familieverdrag op 30 juni 1783. Door het uitsterven van de andere Duitse takken van de Walramse Nassaus bezat Karel Christiaan uiteindelijk het grootste deel der goederen van de Walramse linie van het huis Nassau. Zijn zwager Willem V bezat vrijwel alle Ottoonse bezittingen[2].

In 1783 waren van de takken van de Nassaus nog Nassau-Dietz of Oranje-Nassau-Dietz, Nassau-Weilburg, Nassau-Saarbrücken en Nassau-Usingen over. Het verdrag werd getekend door Wilhelm, Prinz von Oranien, Fürst zu Nassau, etc., Karl Christian, Fürst zu Nassau, Graf zu Saarbrücken, etc., Karl Wilhelm, Regierender Fürst zu Nassau, Graf zu Saarbrücken, etc., en Ludwig, Fürst zu Nassau, Graf zu Saarbrücken, etc.. Ook de niet regerende agnaten Friedrich, Prinz zu Nassau-Usingen en Adolph, Prinz zu Nassau-Usingen tekenden het verdrag. Het verdrag werd op 30 juni 1783 door keizer Jozef II bevestigd.

Het stadhouderschap over de Nederlandse provincies was geen deel van de bezittingen. Het was sinds enige jaren erfelijk maar het was een administratieve en militaire functie onder de soevereine staten van alle zeven provincies en de Staten-Generaal der Nederlanden. De stadhouders golden hierdoor de facto als de hoogste ambtenaren van de Republiek, wat met het verheffen in 1747 van de stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe vorst Willem Karel Hendrik Friso, prins van Oranje, graaf van Nassau-Dietz etc. tot erfstadhuder Willem IV van de gehele Republiek een meer monarchale glans kreeg maar meer niet.

De Walramse linie had de gebieden van de uitgestorven Nassaus onder andere op grond van een eerdere erfvereniging in het Nassause Verdrag van 18 april 1805 verkregen.

In 1290 werden de bezittingen van de Nassaus na de dood van Otto I van Nassau gedeeld. Zo ontstonden de graafschappen Nassau-Siegen, Nassau-Hadamar en Nassau-Dillenburg. Er was in de verdelingsakte een beding, een zogeheten Erbverein opgenomen dat ieder van de graafschappen na het onverhoopt uitsterven van de regerende tak weer aan de hoofdlinie, die van de graven van Nassau-Dillenburg toe zou vallen. Dit was de eerste Nassause erfvereniging. Nassau-Hadamar viel al na het overlijden van de laatste graaf in 1394 toe aan de tak Nassau-Dillenburg waaruit ook Willem van Oranje stamde. In 1743 stierf ook Nassau-Siegen uit met Willem Hyacinthus van Nassau-Siegen, waarna het graafschap aan Nassau-Dietz viel. Het graafschap hield daarmee op te bestaan.

Na het overlijden van Jan van Nassau (1535-1606) werd het graafschap Nassau-Dillenburg verdeeld onder zijn vijf zonen, waarbij Johan Lodewijk het gebied Hadamar erfde. Het tweede grafelijk Huis Nassau-Hadamar behoorde tot de landsheren van de Nederrijns-Westfaalse kreits van het Rijk.

In 1711 stierf het Huis Nassau-Hadamar voor de tweede maal uit met het kinderloos overlijden van Frans Alexander van Nassau-Hadamar. Het graafschap viel deze keer aan de graaf van Nassau-Siegen, de graaf van Nassau-Dillenburg en de graaf van Nassau-Dietz. Tot 1739 was vorst Christiaan van Nassau-Dillenburg regent van Nassau-Hadamar. In 1743 werd het graafschap als ambt deel van het vorstendom Nassau-Dillenburg.

Toen Willem I der Nederlanden de eerste groothertog van Luxemburg werd, moest een regeling voor de erfopvolging worden vastgesteld. Het Koninkrijk der Nederlanden had de erfopvolging in de Grondwet van 1815 geregeld. Luxemburg was deel van de Duitse Bond en behoefde een aparte regeling. De Oranje-Nassaus en de Nassaus grepen terug op het erfverdrag als regeling omdat het hoofd van de Walramse linie inmiddels hertog van Nassau was geworden. Willem I had afstand van zijn rechten op Nassause gebieden der Ottonen gedaan maar daarvoor was Luxemburg in de plaats gekomen.

De rechtskracht van de Nassause erfvereniging werd op het Congres van Wenen van 8 juni 1815 bevestigd. Alle Europese machten tekenden dit document.

Toen Adolf van Nassau zijn hertogdom in 1866 verloor en het door Pruisen geannexeerd werd, kon dat worden uitgelegd als het einde van de erfvereniging van 1815 en 1805. Toen Willem III der Nederlanden in 1890 stierf was er geen mannelijke Oranje-Nassau om hem in het door het Salische erfrecht geregeerde Luxemburg op te volgen. Dankzij de inzet van koningin Emma kreeg hertog Adolf van Nassau in 1890 toch de Luxemburgse troon.

Twee ridderorden, de Orde van de Gouden Leeuw van Nassau en de Orde van Verdienste van Adolf van Nassau herinneren aan de erfverdragen van de Oranjes en de Nassaus.

De erfopvolging in Nederland, waar in 1890 Wilhelmina koningin werd en in Luxemburg waar Adolf van Nassau in 1905 zonder mannelijke erfgenamen stierf en zijn dochter opvolgde week af van het Salische opvolgingsrecht dat de basis van de Nassause erfvereniging was geweest. De opvolging in Nederland was geregeld in een moderne Grondwet. De opvolging in Luxemburg werd gebaseerd op artikel 42 van de Nassause erfvereniging van 1783. Dat voorzag in vrouwelijke opvolging wanneer er helemaal geen mannelijke erfgenamen meer waren. In moderne constituties is de erfopvolging in de grondwet geregeld. De Nassause erfverdragen hebben in dat licht bezien geen rechtskracht meer.

ReferentiesBewerken

  1. Allgemeine Encyklopädie der Wissenschaften und Künste. Blz. 197. 1828
  2. P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, 1911