Hoofdmenu openen

Mustafa Kemal Atatürk

Turks politicus (1881-1938)
(Doorverwezen vanaf Mustafa Kemal)

Kemal Atatürk, geboren als Mustafa en ook gekend als Mustafa Kemal Pasja (Thessaloniki, 19 mei 1881Istanboel, 10 november 1938), was een Turkse legerofficier, schrijver, politicus en grondlegger van de republiek Turkije, waarvan hij de eerste president was.

Kemal Atatürk
Atatürk Kemal.jpg
Geboortedatum 19 mei 1881
Geboorteplaats Vlag van Ottomaanse Rijk Thessaloniki, Ottomaanse Rijk
Sterfdatum 10 november 1938
Sterfplaats Vlag van Turkije Istanboel, Turkije
Politieke partij Cumhuriyet Halk Partisi
Handtekening Handtekening
Eerste president van Republiek Turkije
Periode 29 oktober 1923 - 10 november 1938
Premier Ali Fethi Okyar
İsmet İnönü
Celal Bayar
Voorganger -
Opvolger İsmet İnönü
Eerste premier van Republiek Turkije
Periode 3 mei 1920 - 24 januari 1921
President -
Voorganger -
Opvolger Fevzi Çakmak
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Atatürk geeft les in het nieuwe Turkse alfabet, Sinop 1928
1933: Turkse arbeiders met een bronzen hoofd van Atatürk
Atatürk en zijn echtgenote in 1923

Inhoud

BiografieBewerken

Mustafa werd geboren in een Turks gezin in Thessaloniki in Ottomaans Griekenland. Rondom de precieze geboortedatum van Atatürk bestaat onduidelijkheid, doordat daar in die tijd geen strikte burgerlijke stand bestond. Hij begon zijn carrière in de cadettenschool, waar hij de bijnaam Kemal ('de volmaakte') kreeg. In 1908 zette hij zich als sympathisant van de Jonge Turken af tegen sultan Abdülhamit II, toen die al te conservatieve hervormingen wilde doorvoeren. Deze officieren van het seculiere en nationalistische "Comité voor Eenheid en Vooruitgang", bijgenaamd de Jonge Turken pleegden een staatsgreep. Abdülhamit werd in 1909 definitief vervangen door Mehmet V.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde Mustafa Kemal als kolonel een belangrijke rol in het afslaan van de geallieerde invasie in de Slag om Gallipoli.[1] In juli 1917 werd hij aangesteld als commandant van het Zevende leger van de legergroep Bliksemschicht in Palestina, maar hij kon niet opschieten met maarschalk Erich von Falkenhayn en nam begin oktober 1917 ontslag van zijn functie. Na de Eerste Wereldoorlog werd het Ottomaanse Rijk grotendeels bezet door de geallieerden. Het gehele Europese deel en een groot deel van Anatolië werden als gevolg van het Verdrag van Mudros van 30 oktober 1918 bezet door het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Italië, Frankrijk en Armenië.

Mustafa Kemal was daarvoor op 7 augustus 1918 (voor de tweede keer) door Mehmet VI 'Vahideddin' aangesteld als bevelhebber van het Zevende Leger in Palestina, dat zich nabij Nablus bevond. Otto Liman von Sanders had in 1918 het commando van het Ottomaanse leger in de Sinai en de Palestina Campagne overgenomen. Ondanks de animositeit van Mustafa Kemal richting het Huis van Osman, ging hij in op het verzoek van de sultan om de door de geallieerden opgelegde demilitarisering van de Ottomaanse legers in goede banen te leiden als commandant van de legergroep Bliksemschicht, die hij 30 oktober 1918 overnam van Von Sanders. Samen met ongeveer vijftig andere officiers vormde hij nu de ruggengraat van de militaire vleugel van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang (Ittihad ve Terakki Cemiyeti) (ook wel: Unionisten). Ondanks verzet van Mustafa Kemal werd in de lijn van het verdrag op 7 november zijn legergroep door Grootvizier Izzet Pasja ontbonden, en was hij gedwongen terug te keren naar Istanbul. Op 13 november 1918 komt hij via Adana per trein aan in Istanbul en moest 3,5 uur wachten op Station Haydarpaşa vanwege 56 oorlogschepen van het bezettingsleger van de Geallieerden. Vandaar werd hij met de Kartal stoomboot naar de overzijde gebracht. Adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer vroeg toen wat er nu ging gebeuren, waarop Mustafa Kemal antwoordde:"Ze zullen gaan zoals ze gekomen zijn" (Geldikleri gibi giderler).[2]

Hij nam zijn intrek in het Pera Palace hotel, waar vele bevelhebbers van de Geallieerden ook hun intrek hadden. Later verhuisde hij naar het huis van zijn vriend Salih Fansa in Beyoğlu om vervolgens te verhuizen naar het triplex appartement van Madame Kasabyan in Şişli. Moeder Zübeyde Hanım en zus Makbule kwamen over van het huis in Akaratlar, te Beşiktaş en namen de bovenste verdieping in. Mustafa Kemal nam de middelste verdieping in en in de onderste verdieping sliep Adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer. In dit huis vonden vele vergaderingen met vrienden en gelijkgezinden plaats. Tot 16 mei 1919 verbleef hij hier.

Op 19 mei 1919 kwam hij vanuit Istanboel per boot in Samsun aan, waar hij zijn eerste congres organiseerde, dat de aanzet vormde voor de latere Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Nadat de geallieerden achter zijn plannen kwamen, werd hij eind 1919 per direct door de sultan teruggeroepen. Hierop diende hij officieel zijn ontslag in bij het ministerie van Oorlog. Kâzım Karabekir, bevelhebber van de resterende Ottomaanse legers die gestationeerd stonden aan de oostgrens, liep samen met andere prominente figuren uit de Ottomaanse legers (zoals Fevzi Çakmak en İsmet İnönü) over naar de kant van Mustafa Kemal. Met dit leger, dat bestond uit de Anatolische bevolking en restanten van het Ottomaanse leger, kwam Mustafa Kemal in opstand tegen zowel de geallieerde bezetters als tegen de Ottomaanse sultan. Tussen 1919 en 1923 streden Kemals troepen tegen de Europese en sultangezinde troepen. In 1920 accepteerde 'Vahideddin' het Verdrag van Sèvres, hetgeen door veel Turken als vernederend werd gezien. Kemals beweging kreeg hierdoor veel steun onder de Turkse bevolking. Op 23 april 1920 werd het nieuwe Turkse Parlement (de TBMM) opgericht, hetgeen Mehmets regime verder verzwakte. Veel parlementsleden uit het Ottomaanse kabinet liepen over naar de TBMM nadat de sultan hen, onder druk van de Britten, ontslagen had. Toen een Grieks invasieleger door fouten van Turkse officieren nog slechts enkele kilometers verwijderd van de TBMM was (Slag om Kütahya-Eskişehir), kreeg Mustafa Kemal naast zijn functie van parlementsvoorzitter ook die van opperbevelheber van het leger. Onder zijn leiding werden de Grieken, hoewel in de meerderheid en beter uitgerust, tijdens de Slag om Sakarya verdreven tot ver achter de Sakarya. Deze veldslag leverde Mustafa Kemal een promotie tot veldmaarschalk op. Na een jaar van voorbereidingen begon hij in 1922 de Slag om Dumlupınar, waarbij de Grieken zich terug moesten trekken tot aan İzmir. Nadat ze ook daar verslagen werden, waren ze genoodzaakt om per boot terug te keren naar Griekenland.

Na het einde van de Turkse bevrijdingsoorlog werd in november 1922 het sultanaat officieel afgeschaft; Mehmet werd verbannen en Mustafa Kemal werd erkend als de nieuwe leider van Turkije. Na nieuwe vredesbesprekingen met de geallieerden volgde in 1923 het Verdrag van Lausanne, dat door veel Turken als meer acceptabel dan de eerdere Vrede van Sèvres werd gezien. Het zou echter tot 1924 duren voordat Mustafa Kemal het kalifaat zou afschaffen. Hierop werd ook de gewezen kalief Abdülmecit II, een neef van Mehmet VI, gedwongen Turkije te verlaten.

Turkije werd een seculiere republiek met Mustafa Kemal als eerste president en partijvoorzitter van de CHP (Cumhuriyet Halk Partisi, Republikeinse VolksPartij) (1923-1938). Zijn politieke ideeën worden het kemalisme genoemd. Hij zorgde voor een nieuwe grondwet en maakte Ankara de nieuwe hoofdstad van Turkije. Ook voerde hij verregaande sociale en politieke hervormingen door. Zijn grootste hervorming was de scheiding van religie en staat. Ook voerde hij familienamen in en liet hij het Arabische alfabet vervangen door het Latijnse. Onder zijn leiding werden duizenden nieuwe scholen gebouwd, werd het basisonderwijs gratis en verplicht gemaakt, terwijl de belastingdruk voor de boeren werd verminderd.[3]

De Turkse leider was een van de dragers van de Turkse Onafhankelijkheidsmedaille.

Mustafa Kemal kreeg van het Turkse parlement in 1934 de naam Atatürk, hetgeen betekent Vader der Turken. Bovendien werd vastgelegd dat niemand anders die naam mag dragen. Na zijn dood werd hij opgevolgd door İsmet İnönü, die vanaf 1923 premier was geweest onder Atatürk en diens beleid voortzette.

Mustafa Kemal overleed in 1938 op 57-jarige leeftijd aan levercirrose. Hij werd in Ankara begraven in een speciaal voor hem gebouwd mausoleum: Anıtkabir.

Atatürk geniet in Turkije nog steeds een haast mythische status en openbare kritiek op hem in de media wordt niet toegestaan. Zijn portret hangt nog steeds in ieder openbaar gebouw. Ook staat hij op de lira, de Turkse munteenheid.

KritiekBewerken

Dat hij Turkije veranderde in een seculiere staat leidde behalve tot instemming ook tot kritische geluiden. Zo was de conservatieve islamitische geestelijkheid het helemaal niet eens met de scheiding tussen religie en staat. Atatürks 'wereldse', op het Westen stoelende, leefwijze oogstte eveneens kritiek. Hij was een liefhebber van wijn, raki en andere alcoholische dranken, hetgeen volgens velen niet in overeenstemming met de islam is.

Hij wordt ook bekritiseerd vanwege zijn autoritarisme.[4][5] Ook het uitgesproken Turkse nationalisme dat hij – evenals de nationaal-liberale Jonge Turken – voorstond en waarvan niet-Turkse bevolkingsgroepen in Klein-Azië en Anatolië zoals Grieken, Koerden, Assyriërs, Arameeërs en Armeniërs het slachtoffer werden, werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Vele minderheden zijn als gevolg van zijn nationalistische ideologie onderdrukt. Dit Turks nationalisme en het streven naar een homogene culturele staat Turkije – zoals door Atatürk voorgestaan – zou ook na zijn regering slepende conflicten veroorzaken.[6][7][8][9] De Koerden werden behandeld als tweederangsburgers; werden "bergturken" genoemd;[10] aan hen werd verboden het Koerdisch te spreken; en ze mochten zichzelf niet Koerdisch noemen.[11][12] In het Verdrag van Lausanne werden de Armeniërs, Grieken, Joden en later ook Bulgaren erkend als etnische minderheden in Turkije, echter zowel de Arameeërs als de Koerden werden niet erkend en beschouwd als Turken. Vervolgens moesten de niet-erkende minderheden op bevel van Atatürk verplicht een Turkse achternaam aannemen.[13]

PrivélevenBewerken

Mustafa Kemal Atatürk was tussen 1923 en 1925 gehuwd met Latife Uşşaki. Uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort. Na zijn huwelijk adopteerde hij zeven dochters en een zoon: Sabiha (Gökçen), Rukiye, Zehra, Afet (İnan), Fikriye, Ülkü (Adatepe), Nebile en Mustafa. Sabiha Gökçen was de eerste luchtvaartpionier van Turkije en 's werelds eerste vrouwelijke gevechtspiloot.

TriviaBewerken

  • De belangrijkste luchthaven in Turkije is naar hem vernoemd: Atatürk Airport (Turks: İstanbul Atatürk Havalimanı). Luchthaven Istanboel Sabiha Gökçen, de tweede belangrijkste luchthaven, is vernoemd naar zijn geadopteerde dochter die ook de eerste vrouwelijke piloot in Turkije is.

Zie ookBewerken