Mound Builders

Mound Builders is de verzamelnaam voor verschillende volken en culturen, die Noord-Amerika bewoonden en gedurende 5000 jaar om religieuze of ceremoniële redenen verschillende vormen van aardwerken, zogenaamde 'mounds', oprichtten.

Monks Mound, gebouwd ca. 950 - 1100, gelegen in de Cahokia-site bij Collinsville, Illinois, is het grootste precolumbiaanse aarden bouwwerk ten noorden van Midden-Amerika.
een diagram van een 'platform mound' die uit meerdere lagen bestaat

Onder die culturen waren de precolumbiaanse culturen van de Archaïsche periode, de Woodland-periode (Calusa, Adena en Hopewell-culturen) en de Mississippi-periode, te dateren van grofweg 3500 v.Chr. tot de 16e eeuw, in de gebieden van de Grote Meren, de Ohio en de Mississippi.

MoundsBewerken

Enige voorbeelden van mounds zijn:

  • Serpent Mound, Ohio
  • Newark and Chillicothe Earthworks, Ohio
  • Miamisburg Mound, Montgomery County, Ohio
  • Grave Creek Mound, Moundsville, West Virginia
  • Cresap Mound, noord West Virginia
  • Dover Mound, Kentucky
  • Marietta Earthworks, Washington County, Ohio
  • Beehive Stone Mounds, Patterson, North Carolina
  • Moundville, Alabama
  • Spiro Mound, Oklahoma
  • Cahokia, Illinois
  • Aztalan, Wisconsin
  • Etowah Mounds, Carterville, Georgia
  • Great Smith Mound, West Virginia

GravenBewerken

Het Smithsonian Instituut werd in 1864 opgericht. Het instituut hield het overzicht op de prehistorische mounds en alles wat daaruit werd opgegraven. In 1882 werd Cyrus Thomas directeur van de 'afdeling voor Mound onderzoek'. Veldwerkers werden het hele land door gestuurd om data, artefacten, schedels en skeletten te verzamelen om in het Smithsonian te onderzoeken en ten toon te stellen. Diffusionisme, de theorie dat de Mound Builders in verband konden staan met een andere (omliggende) cultuur of een ander (overzees) land werd afgewezen; Isolationisme werd de norm.

Uit de Smithsonian reports (etnologische archieven van het Smithsonian Instituut in Washington D.C.) blijkt, dat er duizenden artefacten zijn gevonden en talloze skeletten. In de 19e eeuw deden naast de verslagen van het instituut ook verschillende krantenberichten melding van de vondst van reusachtige skeletten. De indianen kenden talloze overleveringen over lange voorouders en zelfs hen vijandig gezinde kannibalistische reuzen.

Hieronder zijn slechts enkele voorbeelden van een groot aantal bewaarde berichten:

The New York Times meldde 5 april 1886 over de vondst in de Etowah mounds: '...acres of skulls and bones. Some of these are gigantic. If the whole frame is in proportion to two thigh bones that were found, the owner must have stood 14 feet tall [4.27 m].' (relieken opgenomen in The Smithsonian's Fifth Annual Report (1887))

In 1894 werd de Great Smith Mound in Kanawha County, West Virginia, door professor P.W.Norris geopend en van zijn ontdekking werd onder meer in The New York Times verslag gedaan. Het werd in de Twelfth Annual Report, 1894, p.426 van het Smithsonian Institute opgenomen. Het betrof een skelet van 7 en 1/2 voet (2,29 m) op een diepte van 14 voet.

Kapitein Newton H. Chittenden, een (destijds) beroemd etnoloog, archeoloog en onderzoeker, schonk het Smithsonian Instituut het grote hoofd van een Flathead indianenleider, waar The Washington Post 16 januari 1910 melding van maakte. De schenking werd opgetekend in de Smithsonian's Annual report of 1911 (p. 82, item 51082). In de Sausalito News was 9 januari 1904 te lezen dat Chittenden nog een reus van 8 voet ontdekte in een grafheuvel in West Berkeley in California.

In 1934 verklaarde Aleš Hrdlička, de directeur van antropologie van het Smithsonian Instituut, dat er geen reuzen waren.

Toch stuurde de rechter W.J. Graham van de 'United States Court of Custom and Patents Appeals' nog zijn vondst van een schedel met 2100 cc inhoud (gem. 1500 cc) uit Stafford County in Virginia naar het Smithsonian Instituut, waar het 17 augustus 1937 werd ingeschreven. Graham schatte de lengte van de opgegraven persoon op 8 voet (2.45 m).

Hrdlička was, volgens Giants on Record (2015),[1] vooral bezig 'het gevaar' te bezweren dat negers zich met blanken vermengden en met het 'meten van schedelinhoud' bewijzen dat de indianen, de oorspronkelijke bewoners van Amerika en de Afrikaanse Amerikanen 'inferieur' waren aan het witte ras. Vondsten van grote schedels van indianen zouden daarom 'niet welkom zijn geweest in het debat'. Hrdlička zou, volgens Giants on Record, betrokken zijn geweest bij de Eugenetica beweging, 'een pre-Nazistische filosofie gesteund door de Rockefeller Foundation'.

Met de komst van het verdrag NAGPRA (Native American Graves Protection and Repatriation Act) in 1990 kregen indianen de stoffelijk overschotten van hun voorouders terug. Ze werden door de indianen herbegraven.

Zie ookBewerken

LiteratuurBewerken