Max de Jong (dichter)

dichter

Max Jelle de Jong (Wageningen, 25 december 1917 - Amsterdam, 10 juni 1951) was een Nederlands dichter en essayist.[1][2][3]

BiografieBewerken

Max de Jong studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht, waar hij tot de vrienden en kennissen van Theo van Baaren, Gertrude Pape, Ad den Besten, Louis Lehmann en Leo Vroman behoorde. Hij werkte mee aan de literaire tijdschriften Groot Nederland - waarin hij in 1938 als dichter debuteerde -, De Gemeenschap, De Schoone Zakdoek en Tirade. Na de Tweede Wereldoorlog was hij o.a. bevriend met uitgever en schrijver Geert van Oorschot. In 1947 publiceerde Van Oorschot het gedicht Heet van de naald van Max de Jong. In zijn postuum verschenen Dagboek beschreef hij talrijke schrijvers onder wie Willem Frederik Hermans, Adriaan Morriën en Gerard Reve. Na zijn vroege dood is veel van zijn werk illegaal gepubliceerd.

Werk (selectie)Bewerken

  • 'De processie', in: De Gemeenschap. Jaargang 14 (1938)[4]
  • 'Neel', in: Groot Nederland (1939)[5]
  • 'Fragmenten', in: De Schoone Zakdoek (nummer 29-30, augustus-september 1943, poëziebesprekingen)
  • Plaquette. Zes gedichten, Huib van Krimpen, Den Haag, 1944
  • Communisme en intellect. I. De autonomie der cultuur. II. Gide's falen, uitgegeven in eigen beheer, Amsterdam, 1945, 8 p.
  • Heet van de naald, (G.A. van Oorschot, Amsterdam), 1947. Tweede druk 1974, derde druk 1982, vierde druk 2014. (Een autobiografisch gedicht van 91 kwatrijnen.)

Postuum:

BronBewerken

  • Calis, Piet, Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945, Meulenhoff, Amsterdam, 1989 (op DBNL)

Externe linksBewerken