Hoofdmenu openen
Mary Wortley Montagu, door Charles Jervas

Lady Mary Wortley Montagu (Thoresby Hall, Nottinghamshire, gedoopt op 26 mei 1689Londen, 21 augustus 1762) was een Engels aristocraat, poëet en schrijfster.

BiografieBewerken

Zij was een dochter van Evelyn Pierrepont, destijds graaf van Kingston, later markies van Dorchester en hertog van Kingston. Haar moeder was lady Mary Feilding, een dochter van William Feilding, graaf van Denbigh. Deze overleed in 1694 en haar vader, die pas 17 jaar later zou hertrouwen, verzorgde zelf haar opleiding. Mary complimenteerde haar opleiding echter door vrij gebruik te maken van haar vader’s bibliotheek, waar ze voornamelijk poezië en Franse romans las. Ze studeerde zo’n vijf tot zes uur per dag en leerde zichzelf Latijn, wat toentertijd een voorrecht van de mannen was.[1]

Huwelijk en vriendschappenBewerken

Mary was bevriend met Mary Astell, die wordt gezien als de eerste actieve voorvechtster voor vrouwenrechten in Engeland, en met Anne Wortley Montagu en haar broer Edward. Mary correspondeerde met Anne in de jaren 1703/1704 tot aan Anne’s dood in 1709, echter waren deze brieven bedoelt voor haar broer, Edward, met wie ze niet openlijk kon corresponderen vanwege zijn gender. In maart 1710 schreef Edward zelf een brief aan Mary waarin hij openhartig was over zijn twijfels met betrekking tot Mary’s gevoelens voor hem en of zij wel gelukkig zou kunnen zijn met een meer bescheiden inkomen. De correspondentie tussen hen was ontdekt dat jaar en Edward vroeg uiteindelijk om haar hand bij Mary’s vader, die er in eerste instantie gunstig tegenover stond. Echter was er nog een aanzoek, waar Mary’s vader gunstiger tegenover stond. Mary’s weigering van zijn hand riep dan ook woede op bij haar vader, waardoor ze uiteindelijk toch toegaf. Toen de voorbereidingen voor haar huwelijk al getroffen waren, besloot Mary om weg te rennen met Edward. Met hem trouwde zij, tegen haar vaders wil, in 1712.[1] Edward Mortley Montagu was op dat moment parlementslid en vervulde na de troonsbestijging van George I diverse functies. In 1714 werd Edward aangewezen als Junior Commissioner of Treasury en vergezelde Mary hem in London. Hier raakten Mary en Edward raakten goed bekend in hofkringen. Hij was bevriend met Joseph Addison, een vriendschap die ontstond toen Edward rondreisde na zijn educatie aan het Trinity College van Cambridge, waardoor lady Mary ook in aanraking kwam met de literaire kringen. Zij raakte zelf bevriend met prominente figuren zoals Alexander Pope, Lady Walpole en de gravin van Marlborough.[1]

Verblijf in NederlandBewerken

Tijdens haar doorreis naar Constantinopel in het Ottomaanse Rijk verbleef Lady Mary kort in Nederland. Tijdens haar verblijf deed zij de steden Rotterdam, Den Haag en Nijmegen aan. Haar route naar Rotterdam ging via Hellevoetsluis en Briel, gezien zij had besloten de boot eerder te verlaten. Haar beschrijving van Rotterdam is dat het een schone stad is, waar de kamermeiden de brede stenen van de straten wasten en waar zij vrijuit rond kon lopen zonder haar slippers vies te maken. Ook bevestigde zei dat de stad voordelig gesitueerd is voor de handel, gezien zijn zeven kanalen waardoor de schepen van handelaren praktisch tot de deuren van mensen kunnen komen. Er is dan ook een uitbundige voorraad aan handel en goedkoper geprijsd dan in London. Het reizen in Nederland is volgens Lady Mary een prachtige ervaring en zij omschrijft het land als een grote tuin met wel aangelegde wegen die aan elke kant in de schaduw worden geworpen door rijen bomen. Lady Mary vond Den Haag een van de fijnste steden en beschreef het Voorhout als het Hyde Park voor de welgestelden. De stad Nijmegen beschreef Lady Mary als lijkende op de stad Nottingham in het Verenigd Koninkrijk. Ook bezocht zij in Nijmegen de Belvédère, de voormalige uitkijktoren.[2]

Ambassadeur aan het Ottomaanse rijkBewerken

In 1716 werd Edward benoemd tot Engels ambassadeur in Constantinopel en hoewel hij in 1717 werd teruggeroepen, bleven hij en Mary in Turkije tot 1718. Ze verbleven in de stad Pera, waar voorgaande ambassadeurs, zoals William Harborne, ook verbleven.[3] Mary leerde zichzelf Turks en schreef vele brieven naar diverse mensen met wie zij correspondeerde. Haar bekendheid berust vooral op de uitgave van deze brieven, gebundeld in een boek dat aangevuld is met passages van haar dagboek en gepubliceerd een jaar na haar dood in 1762. Op haar terugreis naar Engeland vertrouwde Lady Mary het manuscript toe aan de dominee Benjamin Sowden in Nederland. De letters werden in eerste instantie gepubliceerd in de London Chronicle in 1763.[4] In deze brieven wordt een levendig beeld wordt geschetst van het leven in de Oriënt en aan het Ottomaanse hof.

Inoculatie van pokkenBewerken

Zij merkte ook het gebruik van inenting tegen pokken op gedurende haar tijd in het Ottomaanse rijk. Waar ze met een naald het levende pokken virus in een kleine wond van een ongeïnfecteerd persoon aanbrachten. Voornamelijk werd het op meerdere plekken op het lichaam aangebracht, voornamelijk op de armen en benen. Mary, wiens broer gestorven was aan de pokken in 1713 ondervond de ziekte zelf in 1715. Vandaar ook haar interesse in de inoculatie. In 1718 liet ze haar eigen zoon, Edward Montagu Jr. varioleren door de dokter van de ambassade Charles Maitland. Ze introduceerde deze methode in Engeland, ondanks aanvankelijke tegenstand van medici. Na een pokken epidemie in april 1721 had Mary ook haar dochter gevarioleerd, weder door Charles Maitland en publiceerde deze gebeurtenis. Dit overtuigde Caroline van Ansbach om de methode te testen. In augustus 1721 werden zeven gevangen van de Newport gevangenis de kans gegeven om zich te laten varioleren als alternatief op hun executie. Alle gevangen overleefden de vaccinatie en werden vrij gelaten. Caroline, prinses van Wales, liet dan ook haar eigen twee dochters varioleren in april 1722 door de Frans geboren dokter Claudius Amyand.[1]

Latere levenBewerken

Na haar terugkeer in Engeland werd zij een prominent figuur in literaire en intellectuele kringen. Er ontstond echter om onduidelijke redenen een ruzie met Alexander Pope, mogelijk omdat hij zich door haar aangevallen voelde in een satirisch gedicht, waarop hij zich keer op keer op scherpe wijze tegen haar uitliet. Zij bleef een uitgebreide correspondentie voeren, vooral met haar zuster, Lady Mar, in Parijs. In 1738 verliet zij haar man, met wie zij overigens nog steeds op goede voet stond, en vertrok zij uit Engeland. Zij woonde vervolgens op diverse plaatsen in Frankrijk en Italië, onder ander in Avignon, Brescia en aan het Iseomeer. Zij werd ernstig ziek en keerde op verzoek van haar dochter in 1762 terug naar Engeland, waar zij woonde in Hanover Square een klein huis op Great George Street dat haar dochter voor haar huurde, en waar zij korte tijd later overleed.[1]

OeuvreBewerken

Haar literaire werk bestaat uit de genoemde brieven en omvat verder gedichten en essays. In 1716 verschenen Town Eclogues en Court Poems by a Lady of Quality. Haar Letters during Mr Wortley's Embassy to Constantiople verscheen een jaar na haar dood. In 1767 volgde een tweede deel.

Externe linksBewerken