Hoofdmenu openen

Mariënbosch (plantage)

plantage in Suriname
Werk aan de winkel Dit artikel staat op een nalooplijst. Als je hebt gecontroleerd hebt of er geen auteursrechten worden geschonden, dan kun je dit sjabloon verwijderen.
Plantage Mariënbosch

Mariënbosch was een koffieplantage op het Landgoed Groot Marienbosch, aan de Commewijnerivier in het district Commewijne in Suriname. Zij lag links bij het opvaren, stroomafwaarts naast plantage Guadeloupe en stroomopwaarts naast plantage De Goede Vriendschap.

Na het gereedkomen van Fort Nieuw-Amsterdam in 1746 was de Commewijnerivier volledig beschermd en werden de gronden aan de monding van de rivier ontgonnen. In 1747 verkreeg Isaac Godeffroy een grondwarrande voor 500 akkers (1 akker = 10 vierkante ketting= 0,43 hectare). Godeffroy noemde zijn bezit Mariënbosch. Hij verwierf in 1759 het eigendom van de naastliggende grond van 348 akkers, en voegde deze samen met Mariënbosch, zodat een gunstige plantagevorm ontstond met een riante breedte van 51 kettingen (1 ketting = 20,72 meter). In 1752 was Mariënbosch nog een bescheiden plantage, met 66 slaven. In 1774 was zij uitgegroeid tot een grote en rijke koffieplantage met 170 slaven boven de 12 jaar. Zijn broer Charles legde tegelijkertijd de plantage Alkmaar aan de overzijde van de rivier aan.

Isaac Godeffroy, telg van de Berlijnse koopmansfamilie Godeffroy, kwam samen met zijn broers Charles en Jacques naar Suriname. Hij huwde in Suriname met Anna Maria Thomas. Het huwelijk bleef kinderloos. Het liep ook niet goed en werd in 1753 ontbonden. Het bezit werd getaxeerd en verdeeld. Isaac kreeg het volledige eigendom van Mariënbosch. Anna Maria bleef eigenaresse van plantage Bethlehem aan de Commewijne die zij van haar vader had geërfd. Later kocht zij de plantage Meyers Hoop aan de Warappakreek, die zij hernoemde tot Anna’s Zorg. In het Sranan Tongo heet deze plantage echter wel Goedoefrow, naar Godeffroy. Godeffroy was raadslid van het Hof van Politie en Criminele Justitie tijdens het bestuur van gouverneur Mauricius. In 1766 reisde hij naar Europa. Waarschijnlijk was het een definitief afscheid van Suriname. Isaac bracht de rest van zijn leven rentenierend in Europa door. Hij overleed in 1779 te Parijs. Zijn grote fortuin werd geërfd door de kinderen van zijn broers in Duitsland.

In 1757 was de plantage verhypothekeerd bij het negociatiefonds van Willem Gideon Deutz te Amsterdam, dat later werd bestuurd door Jan en Theodoor van Marselis.

In 1793 was de plantage het eigendom van de Dordrechtse koopman Frank van der Schoor cs. Het is niet precies bekend wanneer hij het eigendom vanMariënbosch heeft verworven. Waarschijnlijk werd de plantage na de dood van Isaac Godeffroy verkocht door diens erfgenamen. Dat moet rond 1780 zijn geweest. De koopman en reder Frank van der Schoor vestigde te Dordrecht de handelsfirma “F. van der Schoor & zn.”. Als reder bezat hij diverse schepen die onder meer door de V.O.C. werden gehuurd, maar ook voor eigen rekening voeren. Ook bezat hij een schip dat slaven vervoerde. Hij bekleedde ook bestuurlijke functies, en was Raad en Schepen van de stad Dordrecht. Voor zover bekend is hij nooit in Suriname geweest, en had hij er ook geen speciale handelsbetrekking mee. Desondanks belegde hij zijn kapitaal, samen met zijn handelspartner Gerrit van Hoogstraten in Mariënbosch. Hij bekostigde de aankoop (deels) via een negociatie. De firma Gerrit van Hoogstraten en zoon uit Dordrecht was waarschijnlijk vanaf 1780 al mede-eigenaar van Mariënbosch. De twee firma’s werkten wel meer samen. Gerrit van Hoogstraten senior was, net als Van der Schoor, een reder en een koopman

De plantage was in 1833 1230 akkers groot, en produceerde koffie & cacao. De slavenbevolking omvatte 142 mensen. In 1853 staat Mariënbosch te boek als een koffieplantage “waar nu ook suiker is geplant”. Die suiker was waarschijnlijk een experiment. Mariënbosch had zelf geen verwerkingsinstallatie, maar kon leveren aan de Centraalfabriek op Buitenrust. Later werd er over de suiker niet meer gesproken.

Bij de emancipatie in 1863 kregen 91 slaven de vrijheid. De eigenaren van de plantage waren het Huis van Negocie van Gerrit Hoogstraten en zoon te Dordrecht, en de familie Van der Schoor te Dordrecht. Na de emancipatie werd met contractarbeiders het plantagebedrijf voortgezet. In totaal arriveerden 269 Hindoestanen en 242 Javanen op de plantage.

In 1891 waren van de 527 hectare er 95 in cultuur. Dit liep op tot 196 hectare in 1935. Het jaar daarop daalde het productieve areaal fors, maar was de plantage wel 200 hectare groter. De plantage produceerde koffie en cacao, bananen en bacoven, rijst en sinaasappels. Van 1906 tot 1938 is de plantage eigendom van de Naamlooze Vennootschap Cultuur-maatschappij Mariënbosch.

Cores Abdoelrahman en zijn vrouw en kinderen zijn de recentste eigenaren van de plantage. Het bezit is inmiddels in een stichting ondergebracht, in de hoop dat het gemakkelijker zal zijn om fondsen te werven voor de restauratie van de plantage. De gebouwen waren in 2002 behoorlijk verwaarloosd, maar de eigenaar hield in ieder geval de dammen en afwateringen in goede conditie. In 2004 werd op bescheiden schaal begonnen met de reparatie van het grote plantagehuis en 2005 voltooide familielid Saoed de renovatie van het statige oude landhuis.

LiteratuurBewerken

  • Aa, A.J. van der (1845): Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, 7e deel, p. 672, Gorinchem: Jacobus Noorduyn.
  • Brown, C. (1793-1795): Surinaamsche Staatkundige Almanach, Paramaribo: Wilkens.
  • Dikland, F., Hest, C. van (et al.) (2011): Surinaamse architectuurdocumentatie: Marienbosch.
  • Dikland, F., Hest, C. van (et al.) (2011): Surinaamse architectuurdocumentatie: Anna’s Zorg.
  • Hoogendam, Jaap (2013): Reisgids Suriname. Buitenkansjes, Paramaribo: Caribbean Media Group, blz. 112-113, ISBN 978 90 79557 00 4.
  • Hove, O. ten & H.E. Helstone & W. Hoogbergen: Surinaamse emancipatie 1863, familienamen en plantages, Amsterdam: Rozenberg Publishers, ISBN 978 90 5170 777 9.