Hoofdmenu openen

Margaretha van Oostenrijk (1416-1486)

keurvorstin van Saksen
Portret van Margaretha van Oostenrijk door Antoni Boys, 1580.

Margaretha van Oostenrijk (Innsbruck, circa 1416 - Altenburg, 12 februari 1486) was van 1431 tot 1464 keurvorstin van Saksen. Ze behoorde tot het huis Habsburg.

LevensloopBewerken

Margaretha was de dochter van hertog Ernst de IJzeren van Binnen-Oostenrijk en diens tweede echtgenote Cymburgis van Mazovië, dochter van hertog Ziemovit IV van Mazovië. Na het overlijden van haar vader werden zij en haar broers en zussen opgevoed onder de voogdij van hun oom, hertog Frederik IV van Oostenrijk.

In Wiener Neustadt werd ze verloofd met keurvorst Frederik II van Saksen, kort na diens troonsbestijging in 1428. Het huwelijk vond op 3 juni 1431 plaats in Leipzig. De huwelijksalliantie met de Habsburgs versterkte de positie van haar echtgenoot, vooral toen Margaretha's broer Frederik V in 1440 onder de naam Frederik III tot Rooms-Duits koning werd verkozen. In 1442 waren Margaretha en haar echtgenoot aanwezig bij de kroning van Frederik III in de Dom van Aken. Margaretha had ook plannen om haar zoon Frederik uit te huwelijken met Elisabeth, de dochter van haar neef, Rooms-Duits koning Albrecht II van Habsburg. Dit ging echter niet door omdat Frederik in 1451 op twaalfjarige leeftijd stierf.

Als keurvorstin van Saksen resideerde Margaretha in Meißen, van waaruit ze een belangrijke impact had op de regering van haar echtgenoot: zo liet ze in 1432 alle Joden verwijderen uit het vroegere markgraafschap Meißen. In de Saksische Broederoorlog ten gevolge van de Deling van Altenburg in 1445 hielp ze haar echtgenoot verzoenen met diens opstandige broer, landgraaf Willem III van Thüringen. Met de Margarethagroten ontving ze haar eigen muntstelsel en ze had eveneens het bezit over een munthuis in het Saksische burggraafschap Colditz, wat nog meer conflict veroorzaakte met haar schoonbroer Willem. Niettemin werd haar munthuisprivilege in 1463 door haar broer keizer Frederik III bevestigd.

Margaretha werd beschouwd als een zeer christelijk geïnspireerde vrouw. Na de Saksische Broederoorlog startte ze de oprichting van een kloosterlijke stichting en in 1453 leidde ze de stichting van het Veertien Heilige Helpers-priesterkoor in een verwoest dorp nabij Jena. In 1464 werd de pelgrimskerk gewijd, wat het begin markeerde van de hervestiging in het gebied.

In de nacht van 7 op 8 juli 1455 werden haar twee minderjarige zoons Ernst en Albrecht ontvoerd uit het kasteel van Altenburg door handlangers van de Saksische edelman Kunz von Kaufungen, een vroegere ridder in dienst van Frederik II die compensaties probeerde af te dwingen voor de verliezen die hij in de Saksische Broederoorlog had geleden. Hij slaagde er niet in dit te bereiken, omdat hij korte tijd later aan de grens met Bohemen werd gevangengenomen en de prinsen werden gered.

In september 1464 stierf Margaretha's echtgenoot, waarna ze een uitgebreid weduwgoed ontving, waaronder het kasteel en de stad van Altenburg, Leipzig, Liebenwerda, Colditz en Eilenburg. Ze verbleef tot aan haar dood in het kasteel van Altenburg, van waaruit ze haar soevereine rechten uitoefende. In het Oude Kasteel stichtte ze in 1468 een graanhuis, dat in 1868 door een brand werd verwoest. Met de steun van haar burgerlijke ambtenaren die instonden voor haar huishouden, schonk ze de stad Altenburg verschillende toeleveringsindustrieën.

Ze maakte nog mee dat haar zoons Ernst en Albrecht met de Deling van Leipzig het keurvorstendom Saksen in 1485 onderling verdeelden. In februari 1486 stierf ze in Altenburg, waarna ze werd bijgezet in de lokale kasteelkerk. Ze overleefde zes van haar acht kinderen.

NakomelingenBewerken

Margaretha en Frederik II kregen acht kinderen: