Lust en Rust

plantage in Suriname

Lust en Rust was een koffieplantage aan de Surinamerivier in het district Commewijne in Suriname; het lag tussen de plantages Dordrecht en Belwaarde.

Lust en Rust
Tropenmuseum Royal Tropical Institute Objectnumber 60006280 Een weg op plantage Lust en Rust.jpg
Land Suriname
Waterlichamen Cottica,
Suriname
Produceert Koffieboon
Beschreven op www.surinameplantages.com

GeschiedenisBewerken

De grond werd in 1735 uitgegeven aan Willem Gerard van Meel, Raad-fiscaal in Suriname en later griffier bij het Hof van Justitie in Paramaribo. Willem Gerard was een broer van Joan Hubert van Meel, de secretaris van de Sociëteit van Suriname. Omstreeks 1745 werd deze grond van duizend akkers in twee stukken verkocht. Het deel dat plantage Dordrecht zou worden werd gekocht door Pieter van der Werff. Het andere deel werd gekocht door Ephraim Comans Scherping. Hij kocht er gelijk driehonderd akkers bij en noemde de plantage 'Lust en Rust'. Scherping was in 1730 door Jacobus Braat, koopman te Brielle en secretaris van Suriname aangenomen als minderjarige klerk.[1] Hij werd in 1737 secretaris van het Hof van politie en later ook Raadsheer van Politie. Scherping was ook eigenaar en aanlegger van de plantage 'Paracouba' aan de Pauluskreek.

Scherping overleed in 1763 en de twee plantages 'Lust en Rust' en 'Paracouba' werden verdeeld over drie groepen eigenaren, allen familie van Scherping. Dat leidde tot een steeds verder versnipperde eigendomssituatie die de productie van de plantage niet ten goede kwam. Het aantal slaven op de plantage daalde gestaag. Toen in 1842 Jacob Bennebroek Evertz de plantage overnam werkten er nog 34 slaven. Bij de emancipatie (de afschaffing van de slavernij in Suriname) in 1863 was de familie Horst de eigenaar en kregen 96 slaven de vrijheid. De familie schakelde over op de teelt van cacao en banaan en nam een groot aantal Brits-Indische en Javaanse contractarbeiders in dienst. De plantage bleef lang in het bezit van de familie tot ergens rond 1914 Anton Nassy de nieuwe eigenaar werd. Door de krullotenziekte in de cacao en de Panamaziekte in de banaan was de productie van beide gewassen sterk afgenomen. De nieuwe eigenaar, H.E. May kon de plantage in 1923 dan ook voor een fractie van de waarde van een aantal jaren eerder opkopen. Onder zijn beheer werd weer teruggekeerd op de teelt van koffie. In de jaren dertig was de plantage in handen van de Surinaamse Cultuur Maatschappij en werd er koffie en rijst verbouwd.

Tegenwoordig bevindt zich het tehuis 'Koesikwarano' (Huis van Vrede) voor de opvang van Indiaanse kinderen uit kansarme gezinnen van de Evangelische Broedergemeente op de plantage. De rest van de plantage is verkaveld en wordt steeds verder bebouwd.

  Zie de categorie Lust en Rust van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.