Lithische periode

Kaart van Amerika die sites voor de Cloviscultuur toont.

De lithische periode (Engels: Lithic stage), ook wel paleo-indiaanse periode genoemd, omvat de vroegste periode van menselijke bewoning in de Amerika's, van het Laat Pleistoceen tot omstreeks 8000 v.Chr..

De periode ontleent zijn naam aan de vroegste vondsten van stenen gereedschappen in de Nieuwe Wereld. De fase omvat twee categorieën van steenbewerkingstechnieken:

  1. Ongespecialiseerde en grotendeels weinig gedefinieerde kernsteen- en afslagindustrieën, met afslag de dominante en misschien enige toegepaste techniek
  2. Zeer geavanceerde tweezijdige drukbewerkingstechnieken, met gespecialiseerde bladvormige klingen met of zonder bevestigingsgroef als de meest karakteristieke types

Het meest overtuigende bewijs voor de vroege lithische periode is gebaseerd op vondsten van sites in Zuid-Amerika waar dergelijke ruwe afslaggereedschappen zijn gevonden en op meer dan 20.000 jaar geleden gedateerd. Een van de oudste vindplaatsen is Monte Verde in Chili. Het vroege voorkomen (vóór er een landverbinding tussen Siberië en Alaska bestond) wijst op een vroege kolonisatie van de Amerika's via de kust.

De tweede fase begint met de Cloviscultuur in Noord-Amerika (vanaf 11.500 v.Chr.). Vanwege de plotseling zeer veel geavanceerdere techniek werd er vanuitgegaan dat deze het gevolg was van een nieuwe immigratie uit het laat-paleolithische Eurazië, ditmaal via de Beringlandbrug. Recent genetisch onderzoek toont echter geen verschil tussen de Clovis- en Pre-Clovismensen.[1] Dat maakt de technische vooruitgang van de vuursteenbewerking ofwel een volledig inheemse ontwikkeling of het gevolg van contacten met de Oude Wereld die niet tot een aantoonbare genetische invloed geleid hebben. In heel Zuid-Amerika zijn er stenen gereedschaptradities van het tweede stadium, zoals de "vissestaart met aanzetgroef" (fluted fishtail) die plaatselijke aanpassingen aan de diverse habitats van het continent weerspiegelen.

Tijdens de lithische periode leefden de mensen in vrij kleine, mobiele groepen die zich bezighielden met jagen, vissen en planten verzamelen. Het intensieve en voortdurende gebruik van wilde planten en dieren leidde uiteindelijk tot genetische veranderingen bij enkele van deze plant- en diersoorten en tot domesticatie. De levenswijze werd voortgezet tot rond 5000 v.Chr. toen de mensen deze gedomesticeerde planten en dieren begonnen te gebruiken.

De lithische periode wordt opgevolgd door de archaïsche periode.

Zie ookBewerken