Hoofdmenu openen

Lippmann, Rosenthal & Co. (Sarphatistraat)

Het bankgebouw van 'Lippmann, Rosenthal & Co' in de Sarphatistraat in maart 1944
Kamp Westerbork tijdens het Joelfeest in 1942: Rechtsboven Scheltens van de firma Lippmann, Rosenthal & Co met van links naar rechts kampcommandant Albert Konrad Gemmeker, SS Untersturmführer Hassel en Ferdinand aus der Fünten.

Lippmann, Rosenthal & Co. of kortweg Liro, ook bekend als de "Duitse roofbank" of "Nazibank", was een bank aan de Sarphatistraat nabij het Weesperplein in Amsterdam. De bank werd tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog opgericht om Joods bezit (geld, waardepapieren en waardevolle bezittingen) systematisch te registreren en vervolgens te roven. Via deze bank plukten de nazi's de Nederlandse Joden systematisch kaal alvorens ze te deporteren.

Inhoud

OprichtingBewerken

De bank werd opgericht door Alfred Flesche, die de zaakwaarnemer ("Verwalter") was van de bank Lippmann, Rosenthal & Co gevestigd aan de Nieuwe Spiegelstraat. Deze bank was in 1859 door de Joodse ondernemers George Rosenthal en Leo Lippmann opgericht.

De bank werd als een filiaal aan de Sarphatistraat onder dezelfde naam gepresenteerd. Voor de buitenwereld leek het een gewone bank die Joden aanmoedigde er hun geld en bezittingen zoals sieraden en schilderijen te deponeren. De roofbank werd gevestigd in het souterrain en de parterreverdieping van een bijkantoor van de Amsterdamsche Bank aan de Sarphatistraat 55. De Duitse Walter von Karger werd tot directeur benoemd.[1]

Joods kapitaalBewerken

Verordening 148/1941 van 8 augustus 1941 verplichtte in eerste instantie alleen vermogende Joden hun banktegoeden en contant geld bij deze bank onder te brengen. Later werd dit verplicht voor alle Joden. Bij verordening 58/1942 van 21 mei 1942 moesten ook Joodse vorderingen aan de bank worden gemeld, zowel door de schuldeiser als door de schuldenaar. Joden moesten ook hun kunstcollecties, goud, platina, zilver, sieraden, antiek, alsmede alle edelstenen en parels inleveren bij de bank. Het resultaat hiervan was dat geen enkele jood na 30 juni over meer dan tweehonderdvijftig gulden kon beschikken.[1]

Ook een deel van door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg geconfisqueerde inboedels kwam bij de Liro-bank terecht.[2]

Het geld van de Liro Bank werd onder andere gebruikt voor de deportatie van Joden uit Nederland. De bank stelde 11 miljoen gulden beschikbaar voor uitbreiding en exploitatie van doorgangskamp Westerbork; 26 miljoen gaf de bank voor bouw en exploitatie van het concentratiekamp Vught.[1]

Om de onteigening compleet te maken opende Lippmann-Rosenthal een filiaal in kamp Westerbork, waar onder dwang alles werd afgenomen wat men aan dierbaars op het lichaam had trachten te verstoppen, tot aan dure mantels en schoenen aan toe.

De goederen moesten zo gauw mogelijk verkocht worden en de opbrengst ging naar de Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA), waar de opbrengst van geliquideerde Joodse bedrijven ook al was terechtgekomen. Uiteindelijk moest dit het Duitse rijk ten goede komen. Het grootste deel werd verkocht vanaf 1943. Bij de verkoop konden nazikopstukken een keus doen uit de geconfisqueerde kunst. Werken die overbleven gingen naar Duitse kunsthandelaren en musea. Kunstwerken van mindere garnituur mochten geveild worden in Nederland.[2]

Na de bevrijdingBewerken

 
Het bankgebouw in 2012

Na de bevrijding werd de Lirobank ten behoeve van de liquidatie hernoemd naar LVVS - Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat. De bank werd onder beheer gesteld van een speciaal agentschap. De afwikkeling van de zaken en de teruggave van de geroofde gelden aan rechthebbenden duurde tot 1956. Daarna huisde in het gebouw de ABN Amro, als rechtsopvolger van de Amsterdamsche Bank, die het gebouw uit 1928 ook voor en na de Tweede Wereldoorlog in gebruik had. In 2007 verkocht de bank het gebouw.[3] In 2019 vestigde zich er een CitizenM hotel.

Liro-affaireBewerken

In 1997 ontdekte een studievriend van journalist Yoeri Albrecht een deel van de Liro-archieven bij toeval in een kantoorpand dat hij gekocht had.[4] Albrecht schreef over de ontdekking twee artikelen in weekblad Vrij Nederland. Dit leidde tot de Liro-affaire. Het bleek dat bij de afwikkeling van de zaken er veelal geen claims meer waren gekomen. De rechthebbenden waren immers gedeporteerd en in veel gevallen vermoord. De toenmalige ambtenaren besloten de resterende bezittingen – sieraden, kleinoden – onderling te verloten en te verkopen. Het archief raakte zoek.

De overheid stelde hierop een Commissie van Onderzoek Liro Archieven[5] in onder leiding van Frans Kordes, voormalig president van de rekenkamer.[6] Minister Zalm schreef later in zijn autobiografie: Dat ‘mijn’ ministerie, waarop ik trots ben, zo onzorgvuldig is geweest, raakt me persoonlijk. Overweeg af te treden omdat ik ook staatsrechtelijk verantwoordelijk ben voor alles wat onder de verantwoordelijkheid van mijn voorgangers is gebeurd.[7]

RoofkunstBewerken

Rond 1990 werd de Commissie Museale Verwervingen 1940-1948 opgericht. De Nederlandse musea gingen zelfonderzoek doen, naar de voorwerpen die zij tijdens de oorlog hadden verworven. Door de commissie werd gevraagd om daarbij met name te letten op eventuele verwervingen via de Liro Bank.[2] In totaal deden 163 musea mee aan het zelfonderzoek. Het bleek niet mogelijk om van alle schilderijen die tijdens de oorlog zijn verworven de herkomst vast te stellen.

In 2015 kwam naar boven bij het herkomstonderzoek Koninklijke Verzamelingen,[8] dat het schilderij Het Haagse bos met gezicht op Paleis Huis ten Bosch van Joris van der Haagen via Liro in 1960 terecht is gekomen bij het Nederlandse koninklijk huis. Koningin Juliana kocht het toen van een kunsthandelaar. Zij zou niet van de roof hebben geweten. Nadat de geschiedenis van het schilderij duidelijk werd, heeft het Koninklijk Huis contact opgenomen met de erfgenamen van de oorspronkelijke Joodse eigenaar, voor de oorlog kunstverzamelaar, om het schilderij terug te geven.[9]

TriviaBewerken

Externe linksBewerken