Legitimiteit (politiek)

politiek

Legitimiteit is het recht van een heerser om te regeren, dat wil zeggen besluiten te nemen die de gemeenschap aangaan. Deze heerser kan een persoon of een regeringscollege zijn. Usurpatie of illegale machtstoeëigening treedt op als de macht onrechtmatig is verkregen (tyrannus in títula), of als deze verkeerd gebruikt wordt (tyrannus in regímine). In beide gevallen is een opstand gerechtvaardigd. Bij uitbreiding kan het begrip legitimiteit toegepast worden op iedere vorm van bestuur binnen een willekeurige vereniging of organisatie.

De socioloog Max Weber onderscheidt drie vormen van gelegitimeerd gezag: charismatisch gezag, dat is gebaseerd op de persoonlijke kwaliteiten van de leider, traditioneel gezag, gebaseerd op gewoontes en gebruiken, en rationeel-legaal gezag, waarbij de macht wordt gelegitimeerd door regels die voor iedereen, zonder onderscheid des persoons, gelden: het principe van de democratische rechtsstaat. In de politieke werkelijkheid komen deze drie legitimerende ideaaltypes gemengd voor. Zo is er, in een rationeel-legaal democratisch bestel, bijvoorbeeld bij verkiezingen, vaak sprake van een sterke nadruk op het (ontbrekend) charisma van een lijstaanvoerder van een politieke partij. Daarnaast is de moderne constitutionele monarchie, als deel van een democratische rechtsstaat, een overblijfsel van traditioneel gezag. Met name de erfopvolging is een proces dat zich in principe aan democratische controle onttrekt.

Legitimiteit was een sleutelbegrip tijdens de restauratie, het herstel van de voor-revolutionaire politieke verhoudingen in Europa in 1814. De Fransman Talleyrand bepleitte op het Congres van Wenen een vorm van pragmatische legitimiteit, na de val van Napoleon. Deze legitimiteit moest zijn gebaseerd op wederzijdse erkenning, en op bindende, internationale afspraken tussen de Europese staten, en zo de pijler vormen onder een duurzame, Europese vrede.