Hoofdmenu openen

Kidinnutu (kidinnūtu) was een wettelijke status in het oude Mesopotamië die wel te vergelijken is met de latere stadsrechten.[bron?].

Aan de burgers van sommige steden verleenden de koningen van Babylon en Assur voorrechten die niet aan andere onderdanen werden toegekend. Een dergelijk recht heette een kidinnu in het Akkadisch. In Babylonië waren het Nippur, Sippar en Babylon zelf. In Assyrië was het Assur, de oude hoofdstad, en later ook het verre Harran. Men zou een stad onder kidinnu ook een vrijstad kunnen noemen. De vrijstelling betrof een aantal zaken en had ook een religieuze achtergrond. De stad werd geacht onder goddelijke bescherming te staan, meestal Ishtar in die tijd, en de koning pleegde heiligschennis als hij de rechten met voeten trad. De burgers waren vrijgesteld van het verrichten van arbeid voor de koning, er waren vrijstellingen van belastingen en van het vervullen van krijgsdienst, hoewel het laatste niet onbeperkt was. De koning kon niet zonder meer boetes of gevangenisstraf opleggen. De vorst kon ook een geding aangespannen door een burger niet zo maar naast zich neerleggen.

De rechten van Assur werden bevestigd door Sargon II in een bul die bewaard is gebleven na een tijd van burgeroorlog en er is een document dat bekendstaat als de Fürstenspiegel dat meer details verschaft.

Het is bekend dat de kidinnutu een belangrijke hinderpaal vormden voor de vorsten van het Neo-Assyrische rijk dat vanaf Adad-nirari II trachtte de zuiderburen aan zich te onderwerpen. Kidinnutu is daarom vooral bekend uit het eerste millennium v.Chr. maar het verschijnsel heeft waarschijnlijk een veel langere traditie. Zelfs in de tijd van Ishme-Dagan van Isin werden de burgers van Nippur al vrijgesteld van de gúr, een schatting in zilver en goud. Vrijstellingen voor stedelingen gaan dus waarschijnlijk al op de Sumerische vorsten terug en moeten ook gezien worden in het kader van de eeuwenlange pogingen van Mesopotamische vorsten de bevolking zo veel mogelijk aan een locatie -bij voorkeur een stad- te binden.

Ook de kudurru die door de Kassieten in de tijd van Kar-Duniash schijnen te zijn ingevoerd, omschrijven onder goddelijke bescherming rechten van degenen die op het land wonen dat door deze mijlpalen afgeperkt werd. De overeenkomst met de kidinnu van de stedeling is echter vrij oppervlakkig.