Mustafa Kemal Atatürk

Turks politicus (1881-1938)
(Doorverwezen vanaf Kemal Atatürk)

Kemal Atatürk[1] (geboren als Mustafa, tot 1934 Mustafa Kemal Pasja, na 1935 Kamâl Atatürk;[2] Thessaloniki, 1881[3]Istanboel, 10 november 1938) was een Turkse maarschalk, schrijver, politicus en grondlegger van de republiek Turkije, waarvan hij de eerste president was. Zijn leiderschap ondernam ingrijpende progressieve hervormingen, die Turkije moderniseerden tot een seculiere, industriële natie.[4][5][6] Idealiter een secularist en een nationalist, werden zijn beleid en theorieën bekend als Kemalisme. Vanwege zijn militaire en politieke prestaties, wordt Atatürk volgens studies beschouwd als een van de grootste leiders van de 20e eeuw.[7] De Turkse leider was een van de dragers van de Turkse Onafhankelijkheidsmedaille.

Kemal Atatürk
Mustafa Kemal Atatürk
Geboortedatum 1881
Geboorteplaats Vlag van Ottomaanse Rijk Thessaloniki, Ottomaanse Rijk
Sterfdatum 10 november 1938
Sterfplaats Vlag van Turkije Istanboel, Turkije
Politieke partij Cumhuriyet Halk Partisi
Handtekening Handtekening
Eerste president van Republiek Turkije
Periode 29 oktober 1923 - 10 november 1938
Premier Ali Fethi Okyar
İsmet İnönü
Celal Bayar
Voorganger -
Opvolger İsmet İnönü
Eerste premier van Republiek Turkije
Periode 3 mei 1920 - 24 januari 1921
President -
Voorganger -
Opvolger Fevzi Çakmak
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Ottomaanse periodeBewerken

Eerste jarenBewerken

 
Zuster Makbule, moeder Zübeyde en Mustafa Kemal, 1905

Mustafa werd geboren in een Turks gezin in Thessaloniki (Turks: Selanik) in Ottomaans Macedonië. Rondom de precieze geboortedatum van Atatürk bestaat onduidelijkheid, doordat daar in die tijd geen strikte burgerlijke stand bestond. Hij was de zoon van de douanebeambte Ali Rıza. Deze overleed toen Mustafa nog een kind was. Hij werd opgevoed door zijn moeder Zübeyde. Mustafa had meerdere broers en zussen, die allemaal in hun kindertijd zijn overleden, behalve een zus genaamd Makbule.

In zijn jeugd bezocht hij op wens van zijn moeder een religieuze school, maar verwisselde die later op eigen verzoek voor een openbare school, de Şemsi Efendi school. Toen hij klaar was met deze school, werd hij naar de Selanik Mülkiye school gestuurd. Op deze school werd de elfjarige Mustafa op een dag tot bloedens toe in elkaar geslagen door zijn koranleraar, Kaymak Hafız Hoca. Mustafa verklaarde daarna aan zijn moeder, dat hij niet meer naar die school zou gaan en dat hij een militaire school wilde gaan. Zijn moeder probeerde dat te voorkomen, maar tegen haar wens in schreef Mustafa zich uiteindelijk in de Selanik Askeri Rüştüyesi, een militaire cadettenschool.

In 1893 begon hij aan de militaire cadettenschool, waar hij uitblonk in de wiskunde. Van zijn wiskundeleraar kreeg hij de bijnaam Kemal ("de perfecte"). Van 1896 tot 1899 volgde hij de militaire academie in de voormalige Ottomaanse stad Manastir (het tegenwoordige Bitola in Macedonië). In Manastir leerde hij studiegenoot Ali Fethi Okyar kennen, met wie hij jarenlang bevriend zou worden. Na afronding van zijn studie in Manastir studeerde hij aan de Ottomaanse Militaire Academie in Istanboel en voltooide deze in 1902. Aansluitend ging hij naar de Ottomaanse Militaire College, waar hij tot 1905 studeerde. Op de Militaire Academie leerde hij studiegenoten als Ali Fuat Cebesoy en Kâzım Karabekir kennen, die een belangrijke rol in zijn leven zouden spelen. In zijn tijd moesten Ottomaanse officieren Duits en Frans leren, waardoor hij net als alle andere studenten beter inzicht kreeg in de Franse geschiedenis en revolutie, alsmede in westerse denkbeelden. In zijn vrije tijd las hij de boeken van Voltaire, Jean-Jacques Rousseau, Montesquieu en Ottomaans intellectueel Namık Kemal.

 
Leden van Vatan ve Hürriyet. Van links naar rechts: Halil, Mustafa Kemal, Lütfi Müfit, Beiroet, 1906

Net als zijn studiegenoten zag hij met lede ogen aan hoe het Ottomaanse Rijk steeds verder in verval raakt. Mustafa Kemal begon de cafés en de geheime genootschappen te bezoeken, waar nagedacht werd over manieren om het autoritair bestuurde rijk te redden. Samen met Ali Fuat Cebesoy hielp hij mee bij de productie van een clandestien politiek blad. Na het behalen van zijn diploma in 1905 werd Mustafa Kemal door de politie gearresteerd vanwege zijn antimonarchistische activiteiten. Ook Ali Fuat Cebesoy werd gearresteerd. Na enkele maanden opsluiting werd hij alleen vrijgelaten met de steun van Rıza Pasha, zijn voormalige schooldirecteur. Na zijn vrijlating werd Mustafa Kemal toegewezen aan het Vijfde Leger in Damascus als stafkapitein in het gezelschap van Ali Fuat Cebesoy en Lütfi Müfit Özdeş. In Damascus sloot hij zich aan bij een klein geheim revolutionair genootschap, genaamd Vatan ve Hürriyet ("Moederland en Vrijheid"), van hervormingsgezinde officieren onder leiding van koopman Mustafa Elvan Cantekin. Mustafa Kemal werd sterk beïnvloed door de ideeën van Mustafa Elvan Cantekin.

In 1907 werd hij overgeplaatst naar zijn geboortestad Thessaloniki, waar hij in contact kwam met leden van de Jonge Turken, welke organisatie hun machtsbasis had in Thessaloniki. Hij besloot zich aan te sluiten bij de Jonge Turken, omdat deze organisatie hetzelfde doel nastreefde als zijn genootschap en bovendien een grotere organisatie is. In 1908 zette hij zich als sympathisant van de Jonge Turken af tegen sultan Abdülhamit II, toen die al te conservatieve hervormingen wilde doorvoeren. Deze officieren van het seculiere en nationalistische "Comité voor Eenheid en Vooruitgang", bijgenaamd de Jonge Turken pleegden een staatsgreep en maakten van het Ottomaanse rijk een constitutionele monarchie, waarbij Abdülhamit als sultan geen enkele macht meer had. Na de mislukte countercoup in 1909 werd Abdülhamit definitief vervangen door sultan Mehmet V Reşat, die niet meer dan een marionet was onder de Jonge Turken.

 
Staf-majoor Mustafa Kemal samen met Libische strijders in 1912 nabij de stad Tripoli in Libië

In 1911 begon Italië met een militaire invasie van Libië, dat toen onderdeel was van het Ottomaanse rijk. Gelijk hierna brak de Italiaans-Turkse Oorlog uit, waarvoor Mustafa Kemal zich vrijwillig voor aanmeldde. Mustafa Kemal werd naar Ottomaans Libië uitgezonden, waar hij nabij de stad Tripoli als militair officier onder het commando van Enver Pasja tegen de Italiaanse invasie van Libië moest vechten. Enver Pasja en Mustafa Kemal wisten met de hulp van lokale Libische stammen onverwacht veel weerstand te organiseren tegen het Italiaanse leger. Enver Pasja was even oud als Mustafa Kemal en de twee mannen zouden later uitgroeien tot ware rivalen van elkaar. Enver had een hekel aan Mustafa Kemals behoedzame houding ten opzichte van de politieke agenda van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang. Mustafa Kemal had veel kritiek op Enver en beschouwde Enver als een gevaarlijke man, wiens acties het land tot de ondergang zouden kunnen brengen.

Terwijl de oorlog in Libië nog in volle gang was, brak opeens in 1912 de Balkanoorlog uit, waarin Balkanlanden als Griekenland, Bulgarije, Montenegro en Servië het deel van het Balkangebied wilden veroveren, dat nog in handen was van het Ottomaanse rijk. Haastig ondertekende het Ottomaanse rijk toen een vredesverdrag (Vrede van Ouchy) met Italië en trok zijn troepen terug uit Libië. Mustafa Kemal werd teruggehaald naar Istanboel, waar hij werd ingezet bij het terugveroveren van aan de Balkanlanden verloren gebied. Mustafa Kemal vocht tegen het Bulgaarse leger bij Gallipoli en Bulair (Bolayır). Hij speelde ook een cruciale rol bij de herovering van Edirne en Didymoteicho. In 1913 vond er, als gevolg van het slechte verloop van de Balkanoorlog, een tweede staatsgreep in de Ottomaanse regering plaats. Ditmaal binnen de Comité voor Eenheid en Vooruitgang, waarna Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja aan de macht kwamen en het Ottomaanse rijk daarna als driemanschap begonnen te regeren. Het Ottomaanse rijk verloor uiteindelijk de Balkanoorlog en daarmee een groot deel van zijn Europees grondgebied in de Balkan. Toen Thessaloniki in de handen van de Grieken kwam, vluchtte Mustafa Kemals familie naar Istanbul.

Na het einde van de Balkanoorlog werd Mustafa Kemal aangesteld als militair attaché in de stad Sofia (Ottomaans Bulgarije), waar hij tot aan het begin van de Eerste wereldoorlog gestationeerd bleef. Zijn aanstelling in Sofia was bewerkstelligd door Enver pasja, die Mustafa Kemal het liefst zo ver mogelijk wilde hebben van de politieke intriges in Istanbul, zodat hij hem niet in de weg zou kunnen staan. Op 1 maart 1914 werd hij tijdens zijn dienst in Sofia gepromoveerd tot de rang van luitenant kolonel. Vanuit Sofia werd Mustafa Kemal een uitgesproken criticus van de deelname aan de naderende Eerste Wereldoorlog van het Ottomaanse rijk aan de kant van Duitsland. Op 16 juli 1914 stuurde hij vanuit Sofia een officieel bericht naar het Ministerie van Oorlog in Istanboel, waarin hij aandrong op een beleid van neutraliteit in geval van oorlog. Enver Pasja was echter voorstander van een alliantie met Duitsland, wat leidde tot de ondertekening van een geheim alliantie-verdrag met Duitsland op 2 augustus 1914.

Eerste WereldoorlogBewerken

Het Ottomaanse Rijk nam deel aan de Eerste Wereldoorlog aan de zijde van de Centrale Mogendheden tegen de landen van de Entente. Op 29 oktober 1914 liet Enver Pasja Duitse oorlogschepen onder Ottomaanse vlag Russische havens in de Zwarte Zee bombardeerden, waarmee het Ottomaanse rijk in de oorlog belande. Vanwege de alliantie met Duitsland stonden verschillende Ottomaanse legereenheden onder leiding van Duitse commandanten. Mustafa Kemal was totaal niet tevreden met deze situatie.

 
Mustafa Kemal in de loopgraven bij de Slag om Gallipoli, Çanakkale, 17 juni 1915

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Mustafa Kemal eerst gestationeerd bij de Dardanellen. Mustafa Kemal kreeg hierbij de leiding over de 19de divisie van het Vijfde leger van het Ottomaanse Rijk en diende van 25 april 1915 tot 9 januari 1916 onder de Duitse officier Otto Liman von Sanders, die de leiding had over het Vijfde leger. Mustafa Kemal speelde een belangrijke rol in het afslaan van de geallieerde invasie in de Slag om Gallipoli. Door zijn militaire successen werd hij tot kolonel gepromoveerd en steeg zijn aanzien binnen het Ottomaans leger.[8] Het verhaal gaat, dat voor de geallieerde aanval op de Dardanellen begon, Mustafa Kemal zijn soldaten het bevel gaf door te gaan met de strijd tot de dood, zodat er voldoende tijd was voor hulptroepen om op het front te arriveren. De Gallipoliveldtocht werd een rampzalige nederlaag voor de geallieerden, omdat ze er maar niet in slaagden om voorbij de stranden van Gallipoli te komen. De geallieerden besloten uiteindelijk het offensief af te breken en evacueerden hun troepen. Hun laatste troepen vertrokken op 8 januari 1916.

 
Cevat Pasja en Mustafa Kemal Bey op de dagelijkse Tasvîr-i Efkâr van 29 oktober 1915

Na het einde van de Slag om Gallipoli werd Mustafa Kemal, na een kleine uitstap naar Edirne, op 14 januari 1916 overgeplaatst naar het oostfront, waar op dat moment de oorlog in de Kaukasus aan de gang was. Hier kreeg hij de leiding over het 16de divisie van het Tweede leger, die het moest opnemen tegen het Russische leger, die werd bijgestaan door Armeense vrijwilligerseenheden. Op 1 april 1916 werd hij gepromoveerd tot brigadegeneraal. In de zomer van 1916 slaagde zijn leger erin de steden Muş en Bitlis terug te veroveren van de Russen. Wederom vielen de militaire bekwaamheden van Mustafa Kemal op binnen het Turkse leger. Maar toen de Russen in de herfst weer aanvielen, was zijn leger genoodzaakt zich weer uit de veroverde steden terug te trekken. Op 7 maart 1917 kreeg hij de gehele leiding over het Tweede leger toegewezen.

In juli 1917 werd hij aangesteld als commandant van het Zevende leger van de legergroep Bliksemschicht in Palestina, maar hij kon niet opschieten met maarschalk Erich von Falkenhayn onder wiens commando hij stond. Samen met İsmet İnönü rapporteerde hij daarover aan Talaat Pasja en deed een verzoek om een sterkere verdedigingslinie in het noorden van Syrië, geleid door Turken in plaats van Duitsers. Talaat Pasja weigerde echter het verzoek van Mustafa Kemal te voldoen. Ontevreden over de weigering nam Mustafa Kemal begin oktober 1917 ontslag van zijn functie en keerde hij terug naar Istanboel.

In Istanboel kreeg hij de taak prins (en latere sultan) Mehmet VI 'Vahideddin' te vergezellen bij een treinreis naar Oostenrijk-Hongarije en dan verder naar Duitsland. In Duitsland bezocht Mustafa Kemal de Duitse linies van het westfront en concludeerde na een analyse dat de Centrale Mogendheden de oorlog spoedig zouden verliezen. Hij aarzelde niet om zijn mening kenbaar te maken aan keizer Wilhelm II en zijn generaals. Tijdens de reis had Mustafa Kemal ook meerdere gesprekken met Mehmet VI, waarin hij hem probeerde over te halen een nieuw leger te vormen en hem als zijn adviseur aan te stellen. Tijdens de terugreis naar Istanbul werd Mustafa Kemal ziek en verbleef hij enige tijd in de stad Karlsbad in Oostenrijk-Hongarije voor een medische behandeling. Vanuit het ziekenhuis komt Mustafa Kemal te weten, dat in juli 1918 Mehmet V Reşat overleden is en opgevolgd is door zijn broer Mehmet VI Vahideddin. Bij zijn terugkomst in Istanbul ontdekte hij, dat Mehmet VI zijn plan had opgegeven mede onder de invloed van Enver Pasja.

Mehmet VI stelde Mustafa Kemal op 7 augustus 1918 (voor de tweede keer) aan als bevelhebber van het Zevende Leger in Palestina, dat zich nabij Nablus bevond. Inmiddels had Otto Liman von Sanders begin 1918 het commando van het Ottomaanse leger in de Sinai en de Palestina Campagne overgenomen van Erich von Falkenhayn. In Palestina kreeg Mustafa Kemal te maken met de Arabische Opstand, welke georganiseerd was door Groot-Brittannië, die de lokale Arabieren tot een opstand had aangemoedigd tegen de Ottomaanse overheersing. Toen Liman von Sanders de strijd verloor bij Megiddo, stond de Britse leger niets meer in de weg om Mustafa Kemals leger aan te vallen. Vanwege een gebrek aan mankracht om het Britse leger aan te kunnen, was Mustafa Kemal genoodzaakt zich helemaal terug te trekken naar Jordanië en dan nog verder naar Aleppo. Op 30 oktober 1918 verving hij Liman von Sanders als commandant van de legergroep Bliksemschicht. Daarna slaagde hij ondanks de slechte situatie erin de opmars van het Britse leger tot een halt te brengen. Ondanks dit succes van Mustafa Kemal, zou het Ottomaanse rijk de Eerste wereldoorlog verliezen. Opmerkelijk genoeg was Mustafa Kemal de enige Ottomaanse commandant, die bij deze oorlog geen nederlaag op zijn naam had staan.

BezettingsperiodeBewerken

 
Mustafa Kemal Pasja in november 1918

Op 30 oktober 1918 werd het verdrag van Mudros ondertekend, waarmee de Ottomaanse capitulatie werd bevestigd. Na de Eerste Wereldoorlog werd het Ottomaanse Rijk grotendeels bezet door de geallieerden. Het gehele Europese deel en een groot deel van Anatolië werden bezet door het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Italië, Frankrijk en Armenië. Ondanks de animositeit van Mustafa Kemal richting het Huis van Osman, ging hij in op het verzoek van de sultan om de door de geallieerden opgelegde demilitarisering van de Ottomaanse legers in goede banen te leiden als commandant van de legergroep Bliksemschicht. Samen met ongeveer vijftig andere officiers vormde hij nu de ruggengraat van de militaire vleugel van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang (İttihat ve Terakki Cemiyeti) (ook wel: Unionisten). Ondanks verzet van Mustafa Kemal werd in de lijn van het Mudrosverdrag op 7 november zijn legergroep door Grootvizier Izzet Pasja ontbonden, en was hij gedwongen terug te keren naar Istanboel. Op 13 november 1918 komt hij via Adana per trein aan in Istanboel en moest 3,5 uur wachten op Station Haydarpaşa vanwege 56 oorlogschepen van het bezettingsleger van de Geallieerden. Vandaar werd hij met de Kartal stoomboot naar de overzijde gebracht. Adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer vroeg toen wat er nu ging gebeuren, waarop Mustafa Kemal antwoordde: "Ze zullen gaan zoals ze gekomen zijn" (Geldikleri gibi giderler).[9]

Door Izzet Pasja kreeg hij een administratieve functie toegewezen bij het ministerie van Oorlog. Hij nam zijn intrek in het Pera Palace hotel, waar vele bevelhebbers van de Geallieerden ook hun intrek hadden. Later verhuisde hij naar het huis van zijn vriend Salih Fansa in Beyoğlu om vervolgens te verhuizen naar het triplex appartement van Madame Kasabyan in Şişli. Moeder Zübeyde Hanım en zus Makbule kwamen over van het huis in Akaratlar, te Beşiktaş en namen de bovenste verdieping in. Mustafa Kemal nam de middelste verdieping in en in de onderste verdieping sliep Adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer. In dit huis vonden vele vergaderingen met vrienden en gelijkgezinden plaats.

Mustafa Kemal werd benaderd door leden van de Karakol beweging. Deze organisatie was in het geheim na de Ottomaanse capitulatie opgericht door het Comité voor Eenheid en Vooruitgang en had als doel het organiseren van het verzet in het Anatolisch binnenland. Omdat veel van hun leden waren opgepakt door de geallieerden om te worden berecht bij de Malta-tribunalen, zochten ze naar iemand die het verzet in het binnenland kon leiden. De Karakol-leden vonden Mustafa Kemal een ideale kandidaat voor het leiderschap, wegens zijn goede reputatie binnen het Ottomaans leger. Toen Mustafa Kemal besloot deze taak op zich te nemen, was een gelegenheid om naar het binnenland te vertrekken snel gevonden. De regering van Damat Ferit Pasja maakte zich grote zorgen over het voortdurende geweld tussen verschillende etnische groepen in Oost-Anatolië het Zwarte zeegebied en zij wilde een militaire inspecteur instellen om de orde te herstellen en de bevolking te ontwapenen. Via connecties met minister Mehmet Ali Bey werd Mustafa Kemal tot militaire inspecteur benoemd en vertrok hij op 16 mei 1919 naar Samsun.

Turkse OnafhankelijkheidsoorlogBewerken

  Zie ook Turkse Onafhankelijkheidsoorlog

Op 19 mei 1919 kwam hij vanuit Istanboel per boot in Samsun aan, waar hij zijn eerste congres organiseerde, dat de aanzet vormde voor de latere Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Nadat de geallieerden achter zijn plannen kwamen, werd hij eind 1919 per direct door de sultan teruggeroepen. Hierop diende hij officieel zijn ontslag in bij het ministerie van Oorlog. Kâzım Karabekir, bevelhebber van de resterende Ottomaanse legers die gestationeerd stonden aan de oostgrens, liep samen met andere prominente figuren uit de Ottomaanse legers (zoals Fevzi Çakmak en İsmet İnönü) over naar de kant van Mustafa Kemal. Met dit leger, dat bestond uit de Anatolische bevolking en restanten van het Ottomaanse leger, kwam Mustafa Kemal in opstand tegen zowel de geallieerde bezetters als tegen de Ottomaanse sultan. Tussen 1919 en 1923 streden Kemals troepen tegen de Europese en sultangezinde troepen.

 
Mustafa Kemal Pasja inspecteert de troepen in İzmit, 18 juni 1922

In 1920 accepteerde 'Vahideddin' het Verdrag van Sèvres, hetgeen door veel Turken als vernederend werd gezien. Kemals beweging kreeg hierdoor veel steun onder de Turkse bevolking. Op 23 april 1920 werd het nieuwe Turkse Parlement (de TBMM) opgericht, hetgeen Mehmets regime verder verzwakte. Veel parlementsleden uit het Ottomaanse kabinet liepen over naar de TBMM nadat de sultan hen, onder druk van de Britten, ontslagen had.

Toen een Grieks invasieleger door fouten van Turkse officieren nog slechts enkele kilometers verwijderd van de TBMM was (Slag om Kütahya-Eskişehir), kreeg Mustafa Kemal naast zijn functie van parlementsvoorzitter ook die van opperbevelheber van het leger. Onder zijn leiding werden de Grieken, hoewel in de meerderheid en beter uitgerust, tijdens de Slag om Sakarya verdreven tot ver achter de Sakarya. Deze veldslag leverde Mustafa Kemal een promotie tot veldmaarschalk op. Na een jaar van voorbereidingen begon hij in 1922 de Slag om Dumlupınar, waarbij de Grieken zich terug moesten trekken tot aan İzmir. Nadat ze ook daar verslagen werden, waren ze genoodzaakt om per boot terug te keren naar Griekenland.

Op 11 oktober 1922 werd in de stad Mudanya een wapenstilstand gesloten. Hierna begonnen in november de vredesbesprekingen in de stad Lausanne met de geallieerde landen. Op 23 juli 1923 werd het vredesverdrag van Lausanne overeengekomen, die grotendeels de grenzen van de nieuwe staat Turkije vastlegde en de regering van Mustafa Kemal erkende als rechtmatige regering daarvan. Het vredesverdrag van Lausanne diende als vervanging van het vredesverdrag van Sèvres en werd door veel Turken als meer acceptabel gezien.

Turkse republiekBewerken

Vestiging van de republiekBewerken

 
Atatürk spreekt het volk toe in Bursa, 1924

Na het einde van de Turkse bevrijdingsoorlog werd op 1 november 1922 het sultanaat officieel afgeschaft door de TBMM en Mustafa Kemal werd erkend als de nieuwe leider van Turkije. Sultan Mehmet VI werd verbannen naar het Malta en werd opgevolgd door zijn neef Abdülmecit II, maar alleen in de functie van kalief, niet als sultan. Het was toen nog niet duidelijk wat voor staatsvorm Turkije zou krijgen. Het volk bleef de nieuwe kalief Abdülmecit II als het nieuwe staatshoofd zien. Mustafa Kemal wou aan de onduidelijke situatie een eind maken. Nadat de Lausanne-onderhandelingen waren afgerond, werd door Mustafa Kemal op 29 oktober 1923 officieel de republiek uitgeroepen.

Turkije werd een seculiere republiek met Mustafa Kemal als eerste president. Mustafa Kemal plaatste zijn vertrouwelingen in politiek gunstige posities, zodat hij verzekerd was van de goede uitvoer van zijn geplande hervormingen. Zo werd İsmet İnönü benoemd tot de eerste premier, Kâzım Özalp werd minister van defensie en Fevzi Çakmak werd de stafchef van de Turkse strijdkrachten. Onder de leiding van Mustafa Kemal werd er een politieke partij opgericht, de CHP (Cumhuriyet Halk Partisi, Republikeinse Volkspartij) (1923-1938), waarvan hij benoemd werd tot partijvoorzitter. Hij zorgde voor een nieuwe grondwet voor Turkije. Ankara werd de nieuwe hoofdstad van Turkije, omdat dat centraler in het land gelegen was dan Istanboel en omdat het nieuwe Turkse parlement daar gevestigd was. De politieke ideeën, die Atatürk in de loop van zijn presidentschap zou ontwikkelen, worden het Kemalisme genoemd. De basisprincipes van het Kemalisme zouden pas in 1931 duidelijk worden gedefinieerd in het partijprogramma van de CHP. Het Kemalisme zou door Atatürk op 5 februari 1937 officieel worden opgenomen in de Turkse grondwet.

HervormingsbeleidBewerken

 
Toen in 1928 het latijnse schrift voor de Turkse taal ingevoerd zou worden, ging Atatürk met schoolbord en krijt het land in en gaf het volk enkele demonstraties van het nieuwe Turkse alfabet, Kayseri, 1928

Mustafa Kemal wilde van Turkije een modern land maken door verregaande sociale en politieke hervormingen in te voeren. Volgens Mustafa Kemal was de teloorgang van het Ottomaanse rijk veroorzaakt door de te grote invloed van de islamitische geestelijken op het rijk. Deze geestelijken wezen elke vernieuwing vanuit de westerse wereld af. Hoewel Mustafa Kemal niet tegen religie was, vond hij dat een staat ook zonder religie geregeerd kon worden. Hij wou definitief afrekenen met de Ottomaanse erfenis van zijn land. Omdat Atatürk moest breken met oude vastgeroeste traditionele opvattingen, liet hij zijn hervormingen op een radicale en dwingende manier uitvoeren.

Zijn grootste hervorming was de invoering van het secularisme in een strengere vorm genaamd laïcisme. Op 3 maart 1924 schafte hij het kalifaat af. Hierop werd ook de gewezen kalief Abdülmecit II, een neef van Mehmet VI, gedwongen Turkije te verlaten. Vanuit islamitische landen werd geprotesteerd tegen deze actie van Mustafa Kemal, waarna zij verschillende congressen organiseerden (Cairo 1926, Mekka 1926, Jeruzalem 1931) om een nieuwe kalifaat te kiezen, maar zij kwamen niet tot een consensus. Dit is de reden dat de islamitische wereld geen centrale leiding meer kent. Tegelijk met het afschaffen van het kalifaat stichtte Atatürk de Diyanet, een presidium voor godsdienstzaken, die de functie van Sjeikh ul-Islam verving en als taak kreeg alle moskeeën en andere islamitische instellingen in het land te controleren. Op 8 april 1924 schafte hij de sharia-rechtbank af. Op 30 november 1925 liet Atatürk alle islamitische soefikloosters (tekke's) sluiten. Tenslotte liet Atatürk op 5 februari 1937 het principe van secularisme opnemen in de Turkse grondwet.

 
Atatürk bezoekt studenten in Adana, 19 november 1937

In begindagen van de Turkse republiek was het analfabetisme onder de bevolking van Turkije hoog. Atatürk wilde dit bestrijden, omdat een goed opgeleide bevolking mede zorgt voor de vooruitgang en modernisatie van een land. Op 3 maart 1924 sloot Atatürk de islamitische scholen (medrese's) en stelde de rest van de bestaande scholen onder toezicht van de staat. Voortaan werd seculier en wetenschappelijk onderwijs de norm. Atatürk riep ook de hulp in van de Amerikaanse pedagoog en filosoof John Dewey, die op uitnodiging van Atatürk naar Turkije kwam op 19 juli 1924. John Dewey bezocht in 3 maanden verschillende Turkse scholen en praatte met verschillende leraren, waarna hij in een rapport zijn aanbevelingen deed.[10] Dit rapport werd door de Turkse regering als leidraad gebruikt voor het opzetten van een modern schoolsysteem in Turkije. Onder Atatürks leiding werden duizenden nieuwe scholen gebouwd, werd het basisonderwijs gratis en verplicht gemaakt voor zowel jongens als meisjes. Vanaf 1927 werd het gemengd onderwijs ingevoerd voor het basisonderwijs. Atatürks hervormingen op het gebied van onderwijs maakten het onderwijs veel toegankelijker. Tussen 1923 en 1938 steeg het aantal leerlingen op basisscholen met 224% van 342.000 tot 765.000. Het aantal leerlingen op middelbare scholen nam 12,5 keer toe van ongeveer 6.000 tot 74.000. Het aantal leerlingen op middelbare scholen werd bijna 17 keer zo groot van 1.200 naar 21.000.

In 1925 voerde Atatürk een kledingcode in voor een moderne, westers georiënteerde kledingwijze voor zowel mannen als vrouwen. De fez werd officieel afgeschaft en vervangen door westerse hoeden en petten. In 1926 werd het strafrecht overgenomen vanuit het Italiaanse strafrecht en werd het burgerlijk wetboek overgenomen vanuit het Zwitsers burgerlijk wetboek. De aanname van het nieuwe burgerlijk wetboek betekende automatisch de afschaffing van polygamie. Vanaf begin 1926 liet Atatürk de islamitische kalender vervangen door de Gregoriaanse kalender en zondag werd de officiële rustdag in plaats van de vrijdag, de traditionele islamitische rustdag. Deze hervorming zorgde voor een betere aansluiting bij de werktijden in westerse landen.

 
Atatürk spreekt tot een burger in İzmir, 1931

Destijds werd de Turkse taal geschreven in Arabische letters. Maar het gebruik ervan voor de Turkse taal was onhandig. Atatürk wilde dit veranderen door over te stappen naar het Latijns alfabet. Hij stelde een taalcommissie samen van taalkundigen, die een nieuw Turkse alfabet creëerde met Latijnse letters. De Taalcommissie stelde een overgangsperiode van vijf jaar voor, maar Atatürk vond dit veel te lang en bracht het terug tot drie maanden. Op 1 november 1928 werd de wet aangenomen voor de adoptie en implementatie van het nieuwe Turkse alfabet, waarna op scholen het nieuwe alfabet geïntroduceerd werd. Voor volwassenen werden er zogenaamde volksscholen (Millet mektebleri) opgericht, waar ze het nieuwe alfabet konden leren. Dit voorzag dat heel Turkije binnen een aantal maanden volledig overstapte. Het culturele aspect van deze hervorming was enorm. Niet alleen was het Turks hierna makkelijker te leren, het zorgde ook voor betere aansluiting bij de Westerse wereld.

Op 12 april 1931 richtte Atatürk de Turkse Historische Vereniging (Türk Tarih Kurumu, TTK), die als taak had de Turkse geschiedenis nader te bestuderen. Op 12 juli 1932 richtte Atatürk de Turkse Taalvereniging (Türk Dil Kurumu, TDK) op, die als taak had de Turkse taal te reguleren en werd geleid door de Armeense taalkundige Agop Dilâçar. Een van de taken van de Turkse Taalvereniging was om de Turkse taal te ontdoen van Arabische en Perzische leenwoorden.

In 1934 werd de achternamen-wet ingevoerd. Iedereen in het land moest voortaan een familieachternaam hebben. Het Turkse parlement gaf hem de achternaam Atatürk, wat 'Vader der Turken' betekent, als erkenning voor de rol die hij speelde bij de totstandkoming van de moderne Turkse Republiek.[11] Hij maakte iedereen in het land tot Turks staatsburger en propageerde een sterk nationalisme als middel om onderlinge verbondenheid onder het volk te creëren. Bekend is zijn leus "Hoe gelukkig is degene, die zich Turk noemt" ("Ne mutlu Türküm diyene"). Deze leus sprak hij voor het eerst uit bij een beroemde speech op 29 oktober 1933 tijdens de tiende viering van het Turkse Republieksfeest (Cumhuriyet bayramı). Zijn regering voerde een beleid van turkicisatie om een homogene en verenigde natie te creëren.[12][13][14] Onder Atatürk werden niet-Turkse minderheden onder druk gezet om in het openbaar Turks te spreken,[15] niet-Turkse toponiemen en achternamen van minderheden moesten worden gewijzigd in Turkse uitleveringen.[16][17]

VrouwenrechtenBewerken

 
Achttien vrouwen werden gekozen tot het Turkse parlement in de verkiezingen van 1935.

In de Ottomaanse periode was de positie van de vrouw ondergeschikt aan die van de man. Atatürk vond dat Turkije zich niet naar een moderne maatschappij kon ontwikkelen, als vrouwen niet op een gelijkwaardige manier kunnen participeren in de samenleving. Atatürk wilde daarom een einde maken aan de achterstelling van de vrouw, hoewel deze vrouwenemancipatie voornamelijk van bovenaf opgelegd werd. In de beginjaren van de republiek was er ook een vrouwenbeweging (Kadınlar Halk Fırkası) actief, die ijverde voor betere rechten voor vrouwen. Bekende vrouwen bij deze beweging waren Nezihe Muhiddin en Halide Edib Adıvar.

Met de aanname van het Zwitsers burgerlijk wetboek in 1926 kregen Turkse vrouwen gelijke burgerrechten in Turkije[18], zoals het erfrecht, het scheidingsrecht, het recht om te studeren, het recht op eigen beroepskeuze en andere rechten, die eerder alleen aan mannen toebedeeld waren. Op 3 april 1930 kregen vrouwen stemrecht bij lokale verkiezingen bij wet nr. 1580. Enkele jaren later, in 1934, kregen vrouwen volledig algemeen stemrecht, lang voor veel westerse landen dit ingevoerd hadden in hun land.[19] Het dragen van moderne westerse kleren werd voor vrouwen aangemoedigd. Het dragen van een hoofddoek werd nadrukkelijk afgeraden maar niet verboden. Atatürks vrouw Latife Uşşaki toonde hierbij het initiatief door demonstratief haar hoofddoek af te doen en het publiekelijk niet meer te dragen. Vrouwen werden aangemoedigd om in "mannenberoepen" te werken. Atatürk gaf zelf het voorbeeld door zijn geadopteerde dochters de kans te geven om te studeren. Dochter Sabiha Gökçen werd piloot en dochter Afet İnan werd lerares geschiedenis en later professor in de sociologie. Atatürk stelde zijn adoptiedochters op als rolmodellen voor de moderne Turkse vrouw.

De twaalfde internationale vrouwenconferentie werd op 18 april 1935 in Istanboel gehouden en Egyptische nationalistische feminist Huda Sha'arawi was de president en het lid van twaalf vrouwen. De conferentie koos Huda uit tot vice-president van de Internationale Vrouwenunie en beschouwde Atatürk als een rolmodel voor haar en zijn acties. Ze schreef in haar memoires:

"Na afloop van de conferentie in Istanboel kregen we een uitnodiging om de viering bij te wonen die werd gehouden door Mustafa Kemal Atatürk, de bevrijder van het moderne Turkije ... In de salon naast zijn kantoor stonden de uitgenodigde afgevaardigden in de vorm van een halve cirkel, en na een enkele ogenblikken ging de deur open en kwam Atatürk binnen, omgeven door een aura van majesteit en grootsheid, en een gevoel van prestige overheerste. Eervol, toen ik aan de beurt was, sprak ik rechtstreeks met hem zonder vertaling, en de scène was uniek voor een oosterse moslimvrouw die opkwam voor de Internationale Vrouwenautoriteit en een toespraak hield in de Turkse taal waarin hij bewondering en dankbaarheid uitdrukte aan de Egyptische vrouwen voor de bevrijding beweging die hij leidde in Turkije, en ik zei: dit is het ideaal om Oh, de oudere zus van de islamitische landen, te verlaten, hij moedigde alle landen van het Oosten aan om te proberen de rechten van vrouwen te bevrijden en te eisen, en ik zei: als de Turken beschouwden je als de waardigheid van hun vader en ze noemden je Atatürk, ik zeg dat dit niet genoeg is, maar je bent voor ons "Atasjarq" [Vader van het Oosten]. De betekenis ervan kwam niet van een vrouwelijk delegatiehoofd en bedankte me heel erg voor de grote invloed, en toen smeekte ik hem om ons een foto te presenteren van zijne excellentie voor publicatie in het tijdschrift L'Égyptienne."[20]

EconomieBewerken

 
Atatürk en premier İsmet İnönü tijdens het bezoek aan de Nazilli katoenweeffabriek op 9 oktober 1937. Atatürk ondersteunde in toenemende mate grote door de overheid gesubsidieerde industriële complexen zoals de "Sümerbank" na de wereldwijde economische crisis. Hij ondersteunde de ontwikkeling van de nationale landbouw-, textiel-,[21][22][23] machine-, vliegtuig-[24][25][26] en automobielindustrie.[27] In 1935 ontwikkelde Turkije zich tot een industriële samenleving op basis van het West-Europese model van Atatürk.[28] De kloof tussen de doelstellingen van Atatürk en de resultaten van de sociaal-politieke structuur van het land is echter niet gedicht.[28]

Bij het begin van de Turkse republiek, was de economische situatie als volgt. Het land was nog herstellende van de oorlog. De economie van Turkije was voornamelijk gebaseerd op de landbouw. De landbouw was echter primitief en de productie laag, omdat er een gebrek was aan mechanisch landbouwgereedschap, doordat er in Turkije bijna geen industrie bestond. De boeren bezaten zelf geen landbouwgrond. In plaats daarvan werkten ze voor de grootgrondbezitters, de zogenaamde agha's, die de meeste landbouwgronden bezaten. De weinige industrie was in de handen van buitenlanders. Ook het spoorwegennetwerk was in handen van buitenlanders. Turkije bezat geen olie- en gasvelden en een groot deel van de bevolking was analfabeet. Volgens het overeengekomen vredesverdrag van Lausanne moest Turkije de uitstaande schulden van het voormalig Ottomaanse rijk afbetalen. Verder had Turkije last van de capitulaties, die tijdens de Ottomaanse periode waren toegekend aan westerse landen, en volgens het Lausanne-verdrag nog tot 1929 geldig zouden blijven. De capitulaties gaven westerse landen gunstige handelsvoorrechten. Turkije had volgens de capitulaties niet het recht om invoerrechten te heffen op buitenlandse import, om zo de eigen producten te beschermen.

Al in februari 1923, toen de vredesonderhandelingen in Lausanne nog bezig waren, werd in de stad İzmir het eerste Turkse economiecongres gehouden, waarin werd besproken wat het economisch beleid voor de komende jaren zou worden. Bij de opening van dit congres hield Atatürk een toespraak met de boodschap dat er geen politieke onafhankelijkheid kan zijn zonder economische onafhankelijkheid en dat de strijd voor een waarlijk onafhankelijk Turkije nu pas echt begonnen is. Bij dit historisch belangrijke congres debatteerden meer dan 1100 afgevaardigden, bestaande uit boeren, handelaren, arbeiders en industriëlen, over economische vraagstukken. Een groot deel van het debat ging over de keuze tussen liberalisme of etatisme als het economisch beleid voor de Turkse republiek. Het congres riep op tot een protectie van de lokale industrie, maar keerde zich niet tegen buitenlandse investeringen. De politieke leiding koos aldus voor een gemengde economie. Tot 1929 zou dit het economisch beleid van de Turkse regering worden. Het beleid was liberaal in de zin, dat het particuliere ondernemingen toeliet. Het beleid was niet liberaal in de zin dat de Turkse staat zich niet buiten de economie hield. De staat greep in waar het om grote investeringen ging. Grote investeringen door de staat waren nodig, omdat Turkije in die tijd een zwakke private sector had.

Atatürk opteerde voor het omvormen van Turkije tot een modern industrieel land, maar erkende tegelijkertijd ook, dat het grootste deel van de Turkse economie uit de landbouw bestond. Niets voor niets noemde Atatürk de boer de meester van het volk ("Köylü milletin efendisidir"). Volgens Atatürk diende de staat daarom extra te aandacht schenken aan de boeren. In 1925 werden de boeren geholpen door de afschaffing van de Aşar (tiende penning), welke vervangen werd door een landbelasting (arazi vergisi).[29] Er werden stukken landbouwgrond toegewezen aan boeren, die geen land bezaten. Dit leidde echter wel tot verzet van de grootgrondbezitters. De Ziraatbank (Landbouwbank) verstrekte renteloze leningen aan de boeren. Er werden landbouwscholen en instituten opgericht, waar er opleidingen werden aangeboden aan de boeren. Er werden maatregelen genomen om de producten van de boeren te beschermen. Boeren werden aangemoedigd om zich te verenigen in coöperaties. Vanaf 1925 stichtte Atatürk verschillende modelboerderijen in het land, met als doel als voorbeeld te dienen voor de boeren. De belangrijkste hiervan is de Bosboerderij (Orman Çiftliği, de naam is Atatürk Orman Çiftliği sinds 1950) gelegen nabij Ankara, die door Atatürk zelf werd onderhouden. Hier experimenteerde hij met het modernste landbouwgereedschap en de nieuwste landbouwtechnieken van die tijd. De genomen maatregelen in de landbouw hadden direct invloed. In de jaren 1923-1926 verbeterde de landbouw met een spectaculaire groei van 90%. In de jaren 1927-1928 werd de landbouw echter getroffen door een droogte en was de groei in de periode 1927-1930 nog maar 11%.

 
Atatürk samen met premier Celâl Bayar in de trein op 12 november 1937 tijdens een tocht door het land. Atatürk hield regelmatig uitstappen per trein naar land om contact te leggen met het volk.

De belangrijkste investering van de Turkse staat was het spoorwegennetwerk. Een goed spoorwegennetwerk was zeer belangrijk om logistieke ondersteuning te verlenen aan de economie. Het reeds bestaande spoor voldeed hier niet voldoende aan, doordat het te beperkt was en alleen in het westen van het land aanwezig was. De Turkse staat maakte grote investeringen om het spoor uit te breiden. De bouw van het spoorwegennetwerk begon al in 1923. In 1929 was 800 kilometer spoor aangelegd en in 1930 was er 5400 kilometer spoor aangelegd. In 1927 werd de Turkse Staatsspoorwegen opgericht. Buitenlandse aandeelhouders van het spoor werden door de staat uitgekocht. Uiteindelijk zou het hele spoorwegennetwerk door de staat worden gekocht.

Atatürk wilde ook de financiële infrastructuur verbeteren. De grootste bank van Turkije was in die tijd de Ottomaanse bank, die als staatsbank diende, maar in handen was van buitenlandse aandeelhouders. Atatürk erkende dat Turkije behoefte had aan een eigen nationale bank. Daarom vestigde hij in 26 augustus 1924 de Türkiye İş Bankası (Zakenbank) en de Türkiye Sanayi ve Maadin Bankası (Industrie en mijnenbank). Hij benoemde Celal Bayar tot directeur van de Türkiye İş Bankası. In 1926 werden de voorbereidingen getroffen voor de oprichting van een centrale bank, genaamd Merkez bank, die de rol van staatsbank kon overnemen van de Ottomaanse bank. De Merkez bank werd uiteindelijk opgericht op 3 oktober 1931.

 
Atatürk en Cevat Abbas Gürer met zijn dochter Sevda kijken naar de vliegshow bij de opening van de vliegopleiding Türkkuşu op de luchthaven Etimesgut, 3 mei 1935

Atatürk ondersteunde de vestiging van een automobielindustrie. In 1923 werd de Turkse Automobiel Associatie opgericht. In 1925 werd de tabaksmonopolie door de staat uitgekocht van buitenlanders. Deze werd een staatsmonopolie, waaraan later andere sectoren werden toegevoegd zoals alcohol, suiker, lucifers en explosieven. Veel havens werden geregeld door buitenlanders. De havens werden genationaliseerd in 1926 en als resultaat begon zich de Turkse scheepvaart te ontwikkelen. Op 16 februari 1925 richtte Atatürk de Turkse luchtvaartvereniging (Türk Hava Kurumu) op. Atatürk benoemde zijn adjudant Cevat Abbas Gürer tot directeur van de Turkse luchtvaartvereniging. Als toevoeging werd er in 1926 een vliegtuigfabriek gevestigd in de stad Kayseri, wat het begin betekende van de Turkse vliegtuigenindustrie. In 1933 werd Turkish Airlines opgericht. Op 3 mei 1935 werd een vliegopleiding opgericht, genaamd Türkkuşu. Volgens Atatürk zouden vliegtuigen een steeds belangrijkere rol spelen in de wereld en zou Turkije achterlopen als het niet meedeed aan de vliegtuigindustrie. Een bekende uitspraak van Atatürk hierover is: "De toekomst ligt in de lucht" ("İstikbal göklerdedir").

In 1930 barstte een wereldwijde economische crisis uit, bekend als de Grote Depressie. De economische crisis trof ook Turkije en vernietigde de markt voor de Turkse landbouw. Het enige pluspunt voor Turkije was dat de capitulaties een jaar eerder definitief afgeschaft waren. Het was toen dat de Turkse regering de beslissing nam om een beleid van uitsluitend economisch etatisme oftewel staatsinterventie te voeren. Men geloofde dat dat beleid de Turkse economie uit het slop zou trekken, waarbij de staat zich vooral op de industrie zou richten. Als voorbeeld nam men de Sovjet-Unie, wiens economie weinig door de wereldwijde economische crisis aangetast was door haar plangeleide economisch beleid. Binnen de Turkse leiding waren er twee strijdige stromingen. De ene geleid door premier İsmet İnönü zag het etatisme als een betere permanente oplossing voor de economie. De andere geleid door Celal Bayar, directeur Türkiye İş Bankası, zag het etatisme als een tijdelijk noodzakelijke oplossing, totdat de Turkse economie rijp genoeg was om over te gaan op een vrije markteconomie. De frictie tussen beide groepen werd verergerd doordat er nu eenmaal weinig investeringsmogelijkheden waren. Het conflict werd opgelost toen Atatürk in 1932 Celal Bayar benoemde tot minister van economische zaken, waardoor de coördinatie van het economisch beleid verzekerd was. In 1937 kreeg Atatürk ruzie met İsmet İnönü over het te voeren beleid. Als gevolg hiervan liet hij hem als premier vervangen door Celal Bayar op 25 oktober 1937. Onder Celal Bayar werd er een meer liberale koers gevoerd voor de economie.

Atatürk leende in 1933 geld van de Sovjet-Unie ter waarde van 8 miljoen Turkse lira's. Met het geleende geld werden er door de overheid gesubsidieerde holdings opgericht om de industrie te stimuleren, zoals Sümerbank voor de industrie en Etibank voor de mijnbouw. Een Russische delegatie bezocht Turkije in 1933 gaf de Turkse regering economisch advies. Het stelde voor een vijfjarenplan op te stellen en zich te concentreren op de sectoren textiel, ijzer, papier, cement en chemicaliën. Turkije volgde dit advies op en stelde het eerste vijfjarenplan op voor de jaren 1934-1938. Het vijfjarenplan bleek succesvol en vanaf de tweede helft van de jaren 30 wist Turkije zich uit de economische crisis te trekken. Na de dood van Atatürk en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 zou het weer slechter gaan met de Turkse economie, ondanks dat Turkije neutraal bleef in de Tweede Wereldoorlog.

Buitenlandse relatiesBewerken

 
Bezoek van Eleftherios Venizelos aan Ankara op 29 oktober 1930. Voorste rij: Eleftherios Venizelos tweede van links, Atatürk vierde van links, Kâzım Özalp zesde van links, Afet İnan eerste van links

In het buitenlands beleid hanteerde Atatürk zijn motto: "Vrede in het land, vrede in de wereld" ("Yurtta sulh, cihanda sulh").[30] Deelname aan oorlogen hadden het land alleen maar ellende gebracht en Atatürk wilde dit niet meer. Daarom ging hij geen militaire operaties aan in het buitenland, maar concentreerde zich allereerst op het moderniseren van Turkije. Buitenlandse issues zouden worden opgelost door vreedzame methoden tijdens zijn presidentschap. Ditzelfde beleid zou worden voortgezet door zijn opvolger İsmet İnönü en dit zou leiden tot het niet deelnemen van Turkije aan de Tweede Wereldoorlog.

Apart van het vredesverdrag van Lausanne werd er tussen Atatürk en de Griekse premier Eleftherios Venizelos afgesproken, dat er een bevolkingsuitwisseling tussen Turkije en Griekenland zou plaatsvinden. Deze overeenkomst trad op 1 mei 1923 in werking. In totaal werden zo'n twee miljoen mensen gedwongen te verhuizen, ongeveer 1,5 miljoen Grieken en 0,5 miljoen Turken. Beide landen kregen toen in korte tijd te maken met een grote instroom van vluchtelingen, waarvan de opvang niet altijd even gemakkelijk was. In de jaren daarna werkte Atatürk samen met de Griekse premier Eleftherios Venizelos aan de verdere normalisatie van de relaties tussen Griekenland en Turkije. Dit leidde tot het ondertekenen van het vriendschapsverdrag tussen Griekenland en Turkije op 30 oktober 1930.

Na het vredesverdrag van Lausanne ontstond er een territoriaal geschil tussen Turkije en Engeland over de regio Mosoel. Volgens Turkije had Engeland dit gebied op een illegale wijze verkregen, omdat Engeland het gebied veroverde drie dagen na de wapenstilstand van Mudros. Mosoel was erg gewild tussen beide landen, omdat het vermoeden bestond, dat er olie in de grond zat. Engeland probeerde van alles om zijn belang in de regio te behouden. Zo trachtte Lord Curzon, de minister van Buitenlandse Zaken van Engeland, Turkije voor te houden, dat het bestaan van olie in Mosoel niet meer dan hypothetisch was. Het conflict werd voorgelegd aan de Volkenbond, waarna die in 1925 het gebied aan het Brits mandaatgebied Irak toewees. Atatürk overtuigde het Turks parlement ervan, dat het accepteren van het besluit van de Volkenbond niet betekende dat Turkije Mosul moest opgeven, maar eerder kon wachten op een betere tijd waarin Turkije sterker zou zijn. Op 5 juni 1926 ondertekende Atatürk samen met Engeland en Irak het verdrag van Ankara, waarbij Turkije formeel afstand deed van Mosoel in ruil voor 10 procent de olieopbrengsten voor 4 jaar en een financiële compensatie van 700.000 Engelse ponden door Engeland. Na de ondertekening van het verdrag begonnen de betrekkingen tussen Turkije en Irak geleidelijk te verbeteren. Koning Faisal en zijn ministers brachten in juli 1931 een staatsbezoek aan Turkije en begin 1932 werden de Turks-Iraakse verdragen van residentie, handel en uitlevering ondertekend.

 
Balkantop in 1938 in Ankara. Vanuit links: Atatürk, Milan Stojadinović van Joegoslavië, Ioannis Metaxas van Griekenland, Nicolae Petrescu-Comnen van Roemenië.

Al in de tweede helft van de jaren 20 deed Atatürk een oproep aan de Balkanlanden voor economische samenwerking met Turkije, maar die landen hadden toen geen interesse om samen te werken met hun voormalige vijand. Het aan de macht komen van de fascisten in Italië onder leiding van Benito Mussolini verontruste Atatürk, met name de expansionistische ambities van Mussolini richting de Balkan, de Middellandse Zee en Turkije. Italië was na de Italiaans-Turkse Oorlog in het bezit gekomen van de Dodekanesos eilanden, gelegen vlak voor de zuidwestkust van Turkije. Mussolini liet geregeld aan de Turkse regering horen, dat Italië nog steeds de zuidwestkust van Turkije wilde, zoals overeengekomen was in het verdrag van Sèvres. Turkije had dit verdrag echter nooit geratificeerd. Om tegenwicht te bieden aan Mussolini deed Atatürk wederom een voorstel aan de Balkanlanden om tot een samenwerkingsovereenkomst te komen. Ditmaal hadden de balkanlanden geen andere keus, want ook zij voelden de dreiging door Italië maar ook door Duitsland, waar Adolf Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. Na diplomatiek overleg werd op 9 februari 1934 het Balkan-pact gesloten, welke ondertekend werd door Griekenland, Joegoslavië, Roemenië en Turkije. In het Balkan-pact werd afgesproken de geopolitieke status quo in de Balkan te handhaven en af te zien van territoriale claims tussen de Balkanlanden onderling, om zodoende zorg te dragen voor de vrede en stabiliteit in de regio. Atatürks inspanningen om de vrede te bewaren in de Balkan maakten dusdanig veel indruk op Eleftherios Venizelos, dat hij in 1934 Atatürk nomineerde voor de Nobelprijs voor de Vrede.[31] Na Atatürks dood hield het Balkan-pact echter niet lang stand. Toen de asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen, kwam geen van de landen van het Balkan-pact ter hulp. Dit betekende automatisch het effectieve einde van het pact.

Omdat Mussolini ook expansionistische ambities had richting de landen van het Midden-Oosten, werd op 8 juli 1937 het Sadabad-pact gesloten tussen Turkije, Irak, Iran en Afghanistan. Dit was een niet-aanvalsverdrag en was een soortgelijk pact als het eerder genomen Balkan-pact met de Balkanlanden. De onmiddellijke uitkomst van het verdrag was, dat het Mussolini ervan weerhield zich met het Midden-Oosten te bemoeien.

 
Bezoek van de Russische militaire leider Kliment Vorosjilov aan Ankara op 29 oktober 1933 tijdens het Turkse Republiekfeest

De relaties tussen Turkije en de pas opgerichte Sovjet-Unie, waar de communisten de macht over hadden genomen van de Russische tsaar, waren tijdens Atatürks presidentschap goed te noemen. Russische communisten hadden tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog Atatürk met wapens en goud ondersteund. Nog voor Turkije en de Sovjet-Unie waren gevestigd, was al een vriendschapsverdrag op 16 maart 1921 ondertekend door Vladimir Lenin en Atatürk. De betrekkingen tussen de twee landen waren vriendschappelijk, maar waren gebaseerd op het feit dat ze tegen een gemeenschappelijke vijand waren: Groot-Brittannië en Frankrijk. De Sovjet-Unie zag Turkije onder Atatürk als een potentieel land, dat over zou kunnen gaan op het communisme. Atatürk speelde daar wel op in om de Sovjet-Unie gunstig te stemmen, maar in werkelijkheid was Atatürk niet van plan om over te gaan op het communisme. In 1929 nam Turkije de verbannen Leon Trotski over van de Sovjet-Unie. Turkije plaatste hem op het eiland Büyükada in de zee van Marmara, waar hij een tijd zou verblijven.

De relaties met Engeland en Frankrijk waren sinds de stichting van de Turkse republiek slecht, omdat die landen in de Turkse bevrijdingsoorlog de vijand waren geweest. Vanaf de tweede helft van de jaren 30 begon de relatie met Engeland en Frankrijk zienderogen te verbeteren. De reden hiervoor was de opkomst van nazi-Duitsland en het fascistische Italië. Dit dreef ongewild zowel Turkije als Engeland en Frankrijk naar elkaar toe, tot ongenoegen van de Sovjet-Unie. Sinds het vredesverdrag van Sèvres van 1921 waren de zeestraten Bosporus en Dardanellen met de beide oevers gedemilitariseerd en tot internationaal territorium verklaard. De situatie daar was na het verdrag van Lausanne van 1923 niet veel anders. De zeestraten stonden onder toezicht van een internationale commissie, waarin alle grote mogendheden waren vertegenwoordigd, evenals Griekenland en de landen van de Zwarte Zee, maar niet Turkije zelf. Turkije kreeg pas een vertegenwoordiger in de commissie toen het in 1932 tot de Volkenbond werd toegelaten. In april 1936 vroeg de Turkse regering om teruggave van de zeestraten. Gezien de oplopende spanningen met Duitsland en Italië werd dit verzoek toegewezen door Engeland en Frankrijk, om zo te bewerkstelligen dat Turkije niet voor de kant van Duitsland zou kiezen. In het daarop gesloten verdrag van Montreux van 20 juli 1936 werd bepaald, dat Turkije de soevereiniteit over het gebied terugkreeg in ruil voor een gegarandeerde vrije doorvaart.

Syrië was sinds de afsplitsing van het Ottomaanse rijk na de Eerste Wereldoorlog een maandaatgebied van Frankrijk geworden, bekend als Frans Mandaat Syrië. Omdat er veel Turken in een deelgebied van Syrië, genaamd sandjak Alexandretta, woonden, hadden de Turken daar een speciale status gekregen om hen tegemoet te komen. Toen de nieuw gekozen leiding van sandjak Alexandretta in 1936 naar een onafhankelijk Syrië begon te streven met aansluiting van sandjak Alexandretta daarbij, leidde dit tot protest van de daar wonende Turken, waarbij rellen uitbraken tussen de Turkse en Arabische bevolking. Atatürk legde dit conflict voor aan de Volkenbond, met het verzoek dit gebied toe te voegen bij Turkije, wegens de grote Turkse bevolking in het gebied. Namens de Volkenbond stelden de vertegenwoordigers van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, België en Turkije een grondwet voor sandjak Alexandretta op, die het als een autonome sandjak binnen Syrië vestigde. Ondanks enig etnisch geweld werden er in 1938 verkiezingen gehouden door de plaatselijke wetgevende vergadering en werd de republiek Hatay uitgeroepen, die een jaar later besloot zich aan te sluiten bij Turkije.[32]

Binnenlandse politieke ontwikkelingenBewerken

Tijdens het presidentschap van Atatürk regeerde de CHP het land grotendeels als eenpartijstaat. In die tijd is er twee keer een zekere vorm van democratie geweest in Turkije. Beide keren zou de invoering van de democratie mislukken.

 
Grondleggers van de Progressieve Republikeinse Partij in circa 1924. Van links naar rechts: Adnan Adıvar, Ali Fuat Cebesoy, Kâzım Karabekir, Rauf Orbay, Refet Bele

Na de seculaire hervormingen en afschaffing van het kalifaat in Turkije, waren niet alle leden van Atatürks partij tevreden over deze veranderingen. Atatürk stond toe dat deze leden een eigen partij begonnen. Zij richtten op 17 november 1924 de Progressieve Republikeinse Partij (Terakkiperver Cumhuriyet Fırkası; TCF) op met als grondleggers Kâzım Karabekir, Adnan Adıvar, Ali Fuat Cebesoy, Rauf Orbay en Refet Bele. Veel van de kopstukken van de partij hadden als generaals meegevochten in de Turkse onafhankelijkheidsoorlog. De partij was voor een liberale economie, maar al gauw werd de partij beschuldigd een islamitische agenda te voeren. Atatürk liet de partij definitief sluiten op 5 juni 1925.

In juni 1926 werd een poging tot een moordaanslag op Atatürk ontdekt in de stad İzmir en voorkomen. Het bleek te gaan om een kleine bende huurmoordenaars onder leiding van voormalig parlementslid Ziya Hurşit. Voormalige leden van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang en voormalige leden van de Progressieve Republikeinse Partij werden ervan verdacht achter de moordpoging te zitten. Atatürk reageerde furieus en liet veel partijleden oppakken. Hiervan ontsnapten alleen Rauf Orbay en Adnan Adıvar, omdat die al naar het buitenland waren vertrokken. Ook de feministische schrijfster Halide Edib Adıvar, de vrouw van Adnan Adıvar, vertrok toen samen met haar man naar het buitenland. Een rechtszaak volgde door een Turks onafhankelijkstribunaal, eerst gehouden in İzmir en later in Ankara, waarna een aantal leden van de partij de doodstraf kreeg. Enkele prominente leden van de Progressieve Republikeinse Partij werden onder druk van de publieke opinie en van tekenen van onrust in het leger weer vrijgelaten, waaronder Kâzım Karabekir, Ali Fuat Cebesoy, Refet Bele en Cafer Tayyar Eğilmez. Politiek was hun rol echter uitgespeeld. Rauf Orbay en Adnan Adıvar zouden pas na de dood van Atatürk weer terug durven te keren naar Turkije.

 
Atatürk houd zijn toespraak de Nutuk in het parlement op 15 oktober 1927. Boven hem staat İsmet İnönü

Van 15 tot 20 oktober 1927 op het tweede congres van de CHP las Atatürk een toespraak voor genaamd de Nutuk. De toespraak behandelde de samenvatting van de gebeurtenissen tussen het begin van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog op 19 mei 1919 en de oprichting van de Republiek Turkije in 1923. De toespraak is een belangrijke bron voor de studie van het kemalisme. Het duurde zesendertig uur (over een periode van zes dagen) om door Atatürk te worden gelezen. Ongeveer twee derde van deze toespraak bestaat uit een reeks zware kritiek op de volgende personen: Kâzım Karabekir, Rauf Orbay, Refet Bele, Mersinli Cemal pasja, Nureddin pasja, Kara Vasıf bey, Zeki bey, Celaleddin Arif bey, Cafer Tayyar pasja, Ali Ihsan pasja, Bekir Sami bey, Rıza Nur bey, Edhem bey en zijn broers, Selahaddin bey, Hussein Avni bey, Ali Rıza pasja, Şerif pasja, Ahmet Izzet pasja en Çürüksulu Mahmud pasja. Atatürk liet van deze personen hun aandeel in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog voortaan negeren in de Turkse geschiedenisboeken.

 
Links naar rechts: Okyars dochter Nermin Kırdar, Atatürk, Ali Fethi Okyar op 18 augustus 1930 in Atatürks zomerhuis in Yalova

Op 11 augustus 1930 besloot Atatürk om nog een keer te proberen een multipartijenstelsel in te voeren. Hij vroeg aan Ali Fethi Okyar, die net als ambassadeur van Parijs teruggekeerd was naar Turkije van zijn post, om een nieuwe partij samen te stellen, waarbij Atatürk erop stond dat de nieuwe partij de republikeinse en seculiere principes zou respecteren. Ali Fethi Okyar stond erop, dat hij alle vrijheid zou krijgen. Ali Fethi Okyar richtte de Vrije Republikeinse Partij (Serbest Cumhuriyet Firkasi; SCF) op en werd de voorzitter van de nieuwe partij. De Vrije Republikeinse Partij streefde naar een vrije markteconomie, buitenlandse investeringen en vrijheid van meningsuiting. De partij werd spoedig een groot succes en verkreeg een grote aanhang, maar werd al snel het oppositiecentrum tegen Atatürks hervormingen, in het bijzonder tegen de rol van religie in het publieke leven. Toen Okyar in september 1930 de stad İzmir bezocht, ontstonden er rellen met de politie en de partijaanhang, waarbij de politie op de menigte schoot. In oktober 1930 waren er plaatselijke verkiezingen en de SCF slaagde erin 30 van de 502 gemeenteraden te winnen. Hoewel het een klein aantal zetels betrof, alarmeerde dit de regeringspartij CHP, die de verbaasd en geschrokken reageerde op de verkiezingswinst van de SCF. In een parlementair debat beschuldigde Okyar de CHP van grootschalige verkiezingsfraude. Atatürk deelde Okyar daarna vertrouwelijk mee, dat hij in deze omstandigheden niet langer onpartijdig kon blijven en dwong Okyar zijn partij de SCF te ontbinden. Dit gebeurde op 16 november 1930. De vriendschap tussen Okyar en Atatürk leed hier ernstig onder. Een maand later op 23 december 1930 vond er een incident plaats in het plaatsje Menemen, nabij Izmir. Een groep jonge derwisjen, aangevoerd door een zekere Mehmet, riep op tot de herinvoering van de sharia en het kalifaat. Er ontstonden er rellen tussen hen de gendarmerie, waarbij Mehmet en het hoofd van de gendarmerie Mustafa Fehmi Kubilay werden vermoord. Hierna werden 2000 arrestaties verricht, die veel voormalige SCF-leden betroffen, waarna 28 mensen werden terecht gesteld. Het incident in Menemen werd door de CHP beschouwd als serieuze bedreiging voor de seculiere hervormingen.

Omdat het experiment met de democratie was mislukt, achtte Atatürk de tijd nog niet rijp voor de invoering van de democratie en stelde deze voor een latere periode uit. Pas na Atatürks dood zou de democratie definitief worden ingevoerd in 1945 door zijn opvolger İsmet İnönü.

KritiekBewerken

 
Een Britse cartoon van 1923 die de heerschappij van Atatürk in Turkije hekelde

Als leider van de nationale beweging 1919-1923 werd hij door de geallieerden beschreven als "overvaller". Lord Balfour (1848 - 1930) noemde hem in dit verband de "verschrikkelijkste van alle verschrikkelijke Turken" (most terrible of all the terrible Turks).[33] De Britse officier Harold Courtenay Armstrong (1892 - 1943), die tijdens de geallieerde bezetting van Istanboel diende als militair attaché-assistent, publiceerde in 1932 een uiterst kritisch boek over Atatürk met de titel Grey Wolf: Mustafa Kemal – An Intimate Study of a Dictator.[34] De nationaal bekende Istanboelse journalist Ali Kemal (1869 - 1922) had ook veel kritiek op hem. Ali Kemal diende ook als minister van binnenlandse zaken in de regering van Damat Ferit Pasja tijdens de geallieerde bezetting van Istanboel. Voor zijn te grote Britsgezindheid zou Ali Kemal uiteindelijk vermoord worden door leden van de nationale beweging van Atatürk tijdens de inname van Istanboel.

Dat Atatürk Turkije veranderde in een seculiere staat leidde behalve tot instemming ook tot kritische geluiden. Zo was de conservatieve islamitische geestelijkheid het helemaal niet eens met de afschaffing van het kalifaat en de scheiding tussen religie en staat. Ook een aantal leden van het TBMM (Turks parlement) waren het hiermee niet eens. Atatürks 'wereldse', op het Westen stoelende, leefwijze oogstte eveneens kritiek. Hij was een liefhebber van wijn, raki en andere alcoholische dranken, hetgeen volgens velen niet in overeenstemming met de islam is. Sommige islamisten beweerden dat hij in werkelijkheid een Dönme was in een poging om hem in diskrediet te brengen.

Hij wordt ook bekritiseerd vanwege zijn autoritarisme.[35][36] Ook het uitgesproken Turkse nationalisme dat hij – evenals de nationaal-liberale Jonge Turken – voorstond en waarvan niet-Turkse bevolkingsgroepen in Klein-Azië en Anatolië zoals Grieken, Koerden, Assyriërs, Arameeërs en Armeniërs het slachtoffer werden, werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Vele minderheden zijn als gevolg van zijn nationalistische ideologie onderdrukt. Dit Turks nationalisme en het streven naar een homogene culturele staat Turkije – zoals door Atatürk voorgestaan – zou ook na zijn regering slepende conflicten veroorzaken.[37][38][39][40] De Koerden werden behandeld als tweederangsburgers; werden "bergturken" genoemd;[41] aan hen werd verboden het Koerdisch te spreken; en ze mochten zichzelf niet Koerdisch noemen.[42][43] In het Verdrag van Lausanne werden de Armeniërs, Grieken, Joden en later ook Bulgaren erkend als etnische minderheden in Turkije, echter zowel de Arameeërs als de Koerden werden niet erkend en beschouwd als Turken. Vervolgens moesten de niet-erkende minderheden op bevel van Atatürk verplicht een Turkse achternaam aannemen.[44]

OverlijdenBewerken

 
Begrafenisstoet van Atatürk, 21 november 1938

Begin 1938 ging de gezondheid van Atatürk hard achteruit. De dokter stelde de ziekte levercirrose vast, welke te wijten was aan zijn jarenlange alcoholgebruik. Atatürk werd bedlegerig vanaf eind juli. Op 15 september 1938 liet hij zijn testament vaststellen. Hij liet al zijn persoonlijke bezittingen na aan zijn Republikeinse Volkspartij (CHP) onder de voorwaarde, dat zijn zuster Makbule, zijn geadopteerde kinderen en de kinderen van Ismet Inönü financieel ondersteund werden. Ook wilde hij dat er financiële steun zou komen voor de Turkse Taalvereniging en de Turkse Historische Vereniging.

Vanaf 16 oktober geraakte hij 5 dagen lang in een coma. Hij stierf op 10 november 1938 op 57-jarige leeftijd in het Dolmabahçepaleis te Istanboel.[45] De klok in de kamer waar Atatürk stierf, werd vastgezet op 9:05 uur, de tijd van zijn overlijden.

Na de dood van Atatürk was het land in diepe rouw gedompeld. Zijn lichaam werd in een met vlag bedekte kist op een door paarden getrokken koets in een massale rouwstoet van Istanboel naar Ankara vervoerd en daar tijdelijk te ruste gelegd in het Etnografisch Museum. Maar liefst 17 landen stuurden speciale vertegenwoordigers om de begrafenisceremonie bij te wonen, waarvan 9 landen ook gewapende detachementen hadden gestuurd om mee te lopen met de begrafenisstoet, waaronder Engeland, Iran en Joegoslavië. Het Turkse parlement koos oud-premier İsmet İnönü als president.[46]

In 1953 werd een mausoleum gebouwd en geopend in Ankara, waar het graf van Atatürk naartoe werd verplaatst. Het iconisch mausoleum van Atatürk is omgeven door een park genaamd Barış Parkı (Vredespark) ter ere van zijn beroemde uitdrukking "Vrede in het land, vrede in de wereld" ("Yurtta sulh, cihanda sulh").

Nagedachtenis en erfenisBewerken

 
Bezoekers van het Anıtkabir mausoleum te Ankara bidden voor Atatürk, 2017

In de vijftien jaar dat hij aan de macht was, wist Atatürk in een rap tempo Turkije te moderniseren en een enorme invloed uit te oefenen op het politieke, sociale en economische leven in Turkije, welke invloed nog decennialang voort zou duren. Zijn pogingen tot modernisatie bereikten echter veelal de bovenlaag van de samenleving, met name in de grote steden. Op het platteland waren zijn sociale hervormingen minder zichtbaar, waar de conservatieve en religieuze opvattingen nog lange tijd de boventoon zouden voeren. Op het platteland zag men Atatürk voornamelijk als redder van de natie. Hoewel Atatürk veelal geregeerd had als dictator, zou Turkije door zijn beleid zich later ontwikkelen naar een democratie. Ongetwijfeld was Atatürk de juiste man op de juiste plaats voor Turkije. Zonder hem zou Turkije een arm onderontwikkeld land zijn geworden zonder enige betekenis.

Zijn voormalige vijanden de Brits premier Winston Churchill en de Griekse premier Eleftherios Venizelos spraken later hun bewondering uit voor Atatürk. Ook president Franklin Delano Roosevelt van de Verenigde Staten was diep onder de indruk van Atatürk, met name hoe Atatürk zijn land wist om te vormen naar een seculaire industriestaat. Ook Adolf Hitler was nagenoeg een bewonderaar van Atatürk. Reza Shah van naburig Iran, Habib Bourguiba van Tunesië en Amanoellah Khan van Afghanistan probeerden Atatürk te imiteren door seculiere hervormingen in hun land door te voeren.

Het Turkse leger nam zijn dood de taak op zich de gevestigde principes van de Turkse republiek, zoals ingesteld door Atatürk, te bewaken, met name die van het secularisme. Het leger zou ingrijpen wanneer die principes naar hun mening in gevaar kwamen. Dit zou gebeuren in de jaren 1960, 1970, 1980 en 1997, waar het Turkse leger hetzij zou ingrijpen hetzij een staatsgreep plegen van tijdelijke aard om het bestuur van het land later weer terug te geven aan het volk. In 1951 vaardigde de toenmalige Turkse premier Adnan Menderes een wet (5816) uit die beledigingen tegen Atatürk strafbaar stelde. Dit was opmerkelijk, want zijn partij de Democratische partij (Demokrat Parti, DP) was een oppositiepartij van de Republikeinse Volkspartij (CHP), de partij opgericht door Atatürk.

In Turkije staan in bijna elke stad standbeelden en bustes van Atatürk. Portretten van hem hangen in alle overheidsgebouwen. Atatürks portret staat op de nationale munteenheid, de Turkse lira. Vele plaatsnamen in Turkije zijn naar hem genoemd. Ook bij verschillende landen over de hele wereld zijn er straten naar hem genoemd. Er staan standbeelden van hem in Australië, de Verenigde Staten, Mexico, Venezuela, Macedonië, Roemenië en Azerbeidzjan. Elk jaar op zijn sterfdag loeien in Turkije de sirenes en wordt er een minuut stilte gehouden voor Atatürk. Officieel wordt Atatürk elk jaar op 19 mei herdacht. Die dag wordt tevens het Jeugd- en sportfeest gehouden. Veel sportfestiviteiten worden dan georganiseerd door scholen in het land. Op belangrijke feestdagen komt de Turkse regering samen op het mausoleum van Atatürk en plaatsen een krans op zijn graf. Wanneer buitenlandse leiders een officieel bezoek aan Turkije brengen, bezoeken ze ten eerste het graf van Atatürk, voordat ze de premier of president te spreken krijgen.

In 1981 werd de honderdste verjaardag van Atatürk geëerd door de VN en UNESCO door dat jaar uit te roepen tot het "Atatürk-jaar van de wereld" en een internationaal symposium over Atatürk in Parijs te organiseren. Een resolutie werd door de VN en UNESCO aangenomen, waarin Atatürk werd beschreven als "een uitzonderlijk hervormer op de gebieden, welke thans ook door de Unesco worden nagestreefd" en "een leider van de eerste strijd tegen het kolonialisme en imperialisme" en "een opmerkelijke promotor van het gevoel van begrip tussen volkeren en duurzame vrede tussen de naties van de wereld, die zijn hele leven werkte aan de ontwikkeling van harmonie en samenwerking tussen volkeren zonder onderscheid".[47][48]

Samenvatting belangrijke maatschappelijke hervormingenBewerken

Let op: sommige hervormingen van Atatürk kunnen door voorstanders als positief gezien worden en door tegenstanders als negatief

  • Hij schafte het sultanaat af en voerde de republiek in.
  • De hoofdstad werd van Istanboel naar Ankara verplaatst.
  • Hij schafte de sharia af en voerde de scheiding tussen religie en staat in.
  • Het onderwijs kwam onder controle van de Turkse regering. Seculier en wetenschappelijk onderwijs was essentieel. Scholen van buitenlanders werden onder staatstoezicht genomen.
  • Er werd onderwijsmobilisatie opgestart om de mensen geletterd te maken.
  • Hij veranderde het Arabische schrift waarmee het Turks werd geschreven naar het Latijns schrift.
  • De Arabische cijfers (٣ ,٢ ,١,...) werden veranderd naar Europese cijfers (1, 2, 3,...).
  • De islamitische kalender werd veranderd naar de gregoriaanse kalender.
  • Hij gaf de islamitische geleerde Muhammed Hamdi Yazır de opdracht om de Koran in het Turks te vertalen. Deze gepubliceerde vertaling wordt beschouwd als een van de beste Koranvertalingen in het Turks.
  • Er werd besloten om bepaalde delen van de islamitische eredienst in het Turks te maken, in het Turks te prediken (khutbah) en de azan in het Turks te reciteren. Tegenwoordig zijn er alleen predikingen in het Turks.
  • Voor het eerst werden op radio's religieuze uitzendingen in de Turkse taal gemaakt.
  • Turkse vrouwen kregen gelijke burgerrechten en politieke rechten. Vrouwen werden aangemoedigd om in "mannenberoepen" te werken. Vrouwen kregen stemrecht in 1930. Bij de Turkse parlementsverkiezing van 1935 werden 18 vrouwen verkozen tot het parlement.
  • Het dragen van moderne westerse kleren werd aangemoedigd. Voor vrouwen werd het dragen van een hoofddoek nadrukkelijk afgeraden maar niet verboden.
  • Hij verbood polygamie.
  • De Volkshuizen (Halkevleri) werden opgericht om de mensen te verlichten en de invloed van de conservatieve kringen te verminderen. Er werden gratis cursussen aangeboden over de onderwerpen literatuur, drama, muziek, schone kunsten, spreken en schrijven, evenals handwerk en maatwerk. Mensen en volksliederen werden onderzocht. De Volkshuizen hadden ook bibliotheken en leeszalen.
  • Turks theater werd ondersteund. Voor het eerst werden Turkse opera's opgevoerd.
  • Hij ondersteunde de ontwikkeling van schilder- en beeldhouwkunst.
  • De zware belastingen die de dorpelingen moeten betalen, zijn verlaagd.
  • De economische voorrechten die aan buitenlanders werden gegeven, werden afgeschaft en hun productievoertuigen en spoorwegen werden genationaliseerd.
  • De Turkse Staatsspoorwegen, de Turkish Airlines, de Algemene Directie van Mineraal Onderzoek en Exploratie, de Hıfzıssıhha Enstitüsü, de Türkkuşu, de Sümerbank, de Etibank, de Turkse Onderwijsvereniging, de Turkse Historische Vereniging, de Turkse Taalvereniging en vele andere instellingen werden opgericht.
  • Er werd een Turkicisatiebeleid gevoerd, waarbij werd getracht een homogene en verenigde natie te creëren. Niet-Turkse minderheden (Koerden, Arabieren, Assyriërs, Grieken, enz.) werden onder druk gezet om Turks in het openbaar te spreken, niet-Turkse toponiemen en achternamen van minderheden moesten worden gewijzigd in Turkse vertolkingen.
  • De Hagia Sophia werd omgebouwd van een moskee tot een museum.

PrivélevenBewerken

 
Zijn vrouw Latife en Atatürk, 1923
 
Geadopteerde dochters van Atatürk; Vanuit links: Rukiye Erkin, Sabiha Gökçen, Afet İnan en Zehra Aylin, jaren 1930

Mustafa Kemal Atatürk had een kortstondig huwelijk met Latife Uşşaki tussen 1923 en 1925. Uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort. Nadien zouden zowel hij als Latife Uşşaki niet meer hertrouwen. Na zijn huwelijk adopteerde hij zeven dochters en een zoon: Sabiha Gökçen, Rukiye Erkin, Zehra Aylin, Afet İnan, Fikriye, Ülkü Adatepe, Nebile en Mustafa. Bovendien had hij twee kinderen onder zijn bescherming: Abdurrahim Tuncak en İhsan. Sabiha Gökçen werd de eerste luchtvaartpionier van Turkije en 's werelds eerste vrouwelijke gevechtspiloot. Afet İnan werd geschiedenislerares. Op initiatief van Afet Inan richtte Atatürk de Turkse Historische Vereniging op in 1931 met het doel de Turkse geschiedenis beter te bestuderen.

Als persoon was Atatürk perfectionistisch, pragmatisch en een harde werker. Als militair officier werd hij door zijn naasten omschreven als zeer bekwaam, maar ook als een moeilijk mens. Na invoering van de kledingcode besteedde hij extra aandacht aan wat voor hij kleren hij publiekelijk droeg om zo een modern mogelijk imago te creëren. Zo droeg Atatürk soms een Engelse bolhoed, soms een panamahoed en soms een hoge hoed. Als vreemde talen kon Atatürk Frans, Duits, Perzisch, Arabisch, Grieks, Bulgaars en Russisch spreken. Atatürk was een liefhebber van de natuur. In zijn vrije tijd hield Atatürk zich bezig met naar muziek luisteren, dansen, paardrijden en zwemmen. Hij speelde graag backgammon en biljart. Hij was geïnteresseerd in Zeybek dans, Turks worstelen en liederen uit de Balkan. Hij hield van boeken lezen, voornamelijk over geschiedenis.

Hij had een zeer inspannende levensstijl. Lange uren hard werken, heel weinig slapen en werken aan zijn projecten en dromen waren zijn manier van leven. Atatürk hield zijn maaltijden meestal eenvoudig. Atatürk consumeerde vaak een halve liter raki per dag, rookte 3 pakjes sigaretten per dag en dronk 15 kopjes Turkse koffie per dag. Het avondeten van Atatürk tijdens zijn presidentschap was een evenement op zich. Vrijwel elke avond werden aan zijn eettafel denkers, schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, politici, diplomaten en goede vrienden uitgenodigd in zijn presidentiële villa in Çankaya met wie hij discussies voerde tot in diep in de nacht. Onderwerpen waren zeer gevarieerd, waarbij suggesties werden gedaan, kritiek geuit en plannen werden gemaakt over de toekomst van de Turkse republiek.

TriviaBewerken

  • Toen in 1933 Hitler aan de macht kwam in Duitsland, baarde dat de Duits-Joodse en de Oostenrijks-Joodse wetenschappers flinke zorgen, waaronder Albert Einstein, die toen professor was aan de universiteit van Berlijn. Gelijk daarna werden alle Joodse wetenschappers ontslagen van hun functie, waardoor veel Joodse wetenschappers Duitsland wilden verlaten om in andere landen werk te zoeken. Op 17 september 1933 schreef Einstein een brief naar Atatürk met het verzoek om 40 Joodse wetenschappers en doktoren op te nemen in Turkije. Einstein was op het idee van de brief gebracht door Sami Günzberg, de joodse tandarts van Atatürk, die Einstein toevallig ontmoet had bij een Joodse internationale conferentie in Parijs. Het lukte om Atatürk, mede door bemiddeling van Sami Günzberg, ervan te overtuigen van het grote potentieel van de Joodse wetenschappers voor de opbouw van de Turkse republiek. Atatürk liet daarna de Joodse wetenschappers samen met hun families en assistenten overkomen naar Turkije. Het aantal overgekomen wetenschappers liep op tot ongeveer 300. Ook Einstein wilde eerst naar Turkije, maar koos dan toch voor de Verenigde Staten. De komst van de Joodse wetenschappers betekende automatisch een flinke stijging van het wetenschappelijk niveau in de Turkse universiteiten. Met hun hulp werden nieuwe universiteiten opgericht zoals de Ankara universiteit en de Universiteit van Istanboel. Tijdens hun verblijf in Turkije leidden Joodse wetenschappers vele Turkse academici op, waarna ze in de jaren 50 emigreerden naar Israël of de Verenigde Staten.[49][50][51][52]
  • Om de oprichting van de Grote Nationale Assemblee van Turkije (TBMM) op 23 april 1920 tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog te herdenken, werd deze datum door Atatürk tot een nationale feestdag uitgeroepen in 1921. In 1927 besloot Atatürk hier een nationaal kinderfeest van te maken (Turks: Ulusal Egemenlik ve Çocuk Bayramı, letterlijk: "De feestdag van nationale soevereiniteit en kinderen"). Sindsdien wordt dit feest ieder jaar op 23 april door Turkse schoolkinderen zeer uitbundig gevierd met verschillende evenementen en festiviteiten, zoals onder andere het Turkse kinderfestival. Vanaf 1979 werden ook andere landen uitgenodigd om delegaties van kinderen te sturen naar Turkije om deel te nemen aan het Turkse kinderfestival.
  • Tijdens zijn schooljaren blonk Atatürk uit in de wiskunde. Atatürk was dermate enthousiast over dit vak, dat hij tijdens zijn presidentschap speciaal voor middelbare scholieren een boek schreef over meetkunde met de titel Geometri en dit publiceerde in 1937. Hij wou hiermee een geheel eigen bijdrage leveren aan de verbetering van het wiskundeonderwijs in Turkije.
  • İsmet İnönü werd na zijn dood op 28 december 1973 begraven precies voor het plein voor het mausoleum van Atatürk, welke besloten werd door het toenmalige Turkse kabinet ter ere van zijn vriendschap met Atatürk.
  • De (voormalige) belangrijkste luchthaven in Turkije werd in 1985 naar hem vernoemd: Atatürk Airport (Turks: İstanbul Atatürk Havalimanı). Luchthaven Istanboel Sabiha Gökçen, de tweede belangrijkste luchthaven gebouwd in 2009, is vernoemd naar de eerste vrouwelijke piloot van Turkije, die ook een geadopteerde dochter van Atatürk is.

Zie ookBewerken

  Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Mustafa Kemal Atatürk op Wikimedia Commons.