Hoofdmenu openen

Juni

zesde maand van het jaar
mei juni jul
<< 1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30 >>

Juni (ook wel: zomermaand of rozenmaand) is de zesde maand van het jaar in de gregoriaanse kalender. De maand heeft 30 dagen. Juni is genoemd naar de Romeinse godin Juno, de vrouw van Jupiter.

Inhoud

GebeurtenissenBewerken

 
De maand juni, uit de Chronograaf van 354 van de Romeinse kalligraaf Filocalus.
 
Afbeelding bij de maand juni in Les Très Riches Heures du duc de Berry (± 1410)

MeteorologieBewerken

  Zie ook Zonnewende

Op het noordelijk halfrond is juni de eerste maand van de meteorologische zomer. De astronomische zomer begint rond 21 juni, dus behoort het grootste deel van de maand astronomisch gezien nog tot de lente. De gemiddelde temperatuur ligt in juni doorgaans iets lager dan in de twee erop volgende zomermaanden, juli en augustus. De gemiddelde dagduur is in juni het langst van alle maanden.

Op het zuidelijk halfrond is juni de eerste maand van de meteorologische winter. De astronomische winter begint hier rond 21 juni.[1]

Een koude periode in juni wordt Schaapscheerderskou genoemd.

WeerstatistiekenBewerken

  Zie Weerstatistieken juni Nederland en België.

WeerspreukenBewerken

  • In de Lage Landen horen bij deze maand onder meer de volgende weerspreuken:
    Juniregen is Gods zegen. Komt zonneschijn daarbij, dan maakt hij boer en stadslui blij.[2]
    Een boon in juni geplant, geeft vijftig in een hand.
    De eerste juni kil en wak, brengt veel koren in de zak.
    Juni met veel donder, brengt de oogst ten onder.
    Waait in juni de noordenwind over het land, dan krijgt de boer veel koren in z'n hand.
    Is de juni-avond mistig, dan het weer met gaven kwistig.
    Juni vochtig en warm, dan maakt ze de boeren niet arm.
    Is er in juni pas zonneschijn, dan wordt de zomer klein maar fijn.
    Niet te koel, niet zwoel, niet te nat, en niet te droog, juni vult de schuren hoog.

TriviaBewerken

  Zoek juni in het WikiWoordenboek op.