Hoofdmenu openen
Standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck op de Grote Markt van Brugge
Het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck, de twee lokale volkshelden die in 1302 een grote rol speelden in het Vlaamse verzet tegen de Franse koning, met de Guldensporenslag tot gevolg. Het standbeeld werd opgericht in 1887, de periode van het historisch romantisme. Door de wrijvingen tussen het Vlaamsgezinde Breydelcomité en het Franstalige stadsbestuur is het standbeeld twee keer ingehuldigd geweest: op 11 juli 1887 en tussen 14 en 22 augustus 1887.

Jan Breydel was een 14de-eeuwse Vlaamse slager en verzetsstrijder uit Brugge. Dankzij Hendrik Consciences boek De leeuw van Vlaanderen is zijn rol uitvergroot en is hij uitgegroeid tot een icoon voor alle Vlamingen.

BiografieBewerken

Over Breydel is in feite weinig bekend. Noch zijn geboortedatum noch zijn sterfdatum zijn met zekerheid bekend. Zijn naam wordt in de kronieken ook vermeld als Jehans Breydel. Hij was een beenhouwer, maar niet de deken van het beenhouwersambacht van Brugge.

Op 1 mei 1302 voerde hij, samen met de Brugse wever Pieter de Coninck, Willem van Gulik (kleinzoon van de graaf van Vlaanderen) en hospitaalridder Willem van Boenhem, een groep gewapende ambachtslieden uit Brugge aan die het kasteel van Male bestormden. Hij was er betrokken bij het uitmoorden van het Franse garnizoen van 12 man onder leiding van Michel du Mans en de aanwezige Leliaards, die er een toevlucht hadden gezocht. Hij vertrok er met een rijke buit. Op dezelfde dag hadden de opstandelingen het kasteel van de heer van Sijsele geplunderd en in brand gestoken.

Mogelijk leidde Breydel samen met Pieter de Coninck de Brugse Metten, een opstand tegen Filips IV de Schone die leidde tot de Guldensporenslag, maar van beiden is dit zelfs zeer twijfelachtig. Twee weken voordien immers was Pieter de Coninck met de dood bedreigd geweest door de Bruggelingen en moest hij vluchten naar Zeeland. Hij kwam pas terug, samen met Willem van Gulik, op 23 mei 1302, dus ná de Brugse Metten van 18 mei, en werd nu triomfantelijk in Brugge ingehaald. Van Jan Breydel was er zelfs in de kronieken aangaande de gebeurtenis geen sprake.

Brugse stadsrekeningen tonen aan dat Jan Breydel op 8, 9 en 10 juli 1302 aanwezig was in Kortrijk, waar hij, zoals diverse andere beenhouwers, een paar varkens en wat varkensvlees aan de troepen leverde. Op basis hiervan nemen sommigen aan dat hij op 11 juli ook daadwerkelijk heeft meegevochten in de Guldensporenslag. Anderen betwijfelen dit. Het Vlaamse leger bestond voor een groot deel uit ambachtslieden en boeren die in de mate van het mogelijke tijdens de maandenlange krijgstochten hun beroep verder uitoefenden om hun gezinnen te onderhouden.

Op een dag in november 1308 hielp Breydel samen met een tachtigtal Bruggelingen, onder wie een zoon van Pieter de Coninck, mee om de lekenbroeder Willem van Saeftinghe, die meegevochten had in de Guldensporenslag, te doen ontsnappen uit de handen van de vrienden van de abt van de abdij Ter Doest, die hem belegerden in de kerk van Lissewege, waar hij zich had verschanst in de toren. Willem van Saeftinghe had die Fransgezinde abt dodelijk verwond en de keldermeester doodgeslagen tijdens een opstand van lekenbroeders.

Op 26 maart 1309 leidde Jan Breydel samen met Pieter de Coninck en Jan Heem een oproer in Brugge, gericht tegen de nadelige gevolgen van het vredesverdrag van Athis-sur-Orge (1305). Een maand eerder had Jan Breydel reeds Gilles de Clerck, een van de drie vervangers van de graaf van Vlaanderen, vermoord.

De rebelse Jan Breydel was getrouwd met de dochter van een beenhouwer, Kathelijne Berout, dochter van Heinric. Het echtpaar had vijf kinderen: Jacob, Jan, Kerstine (non in Spermalie), Margriet en Agnete. Ook familieleden van Jan Breydel deden mee aan de opstand: zijn vader (of broer) Lauwers (ook beenhouwer van beroep), zijn schoonvader Heinric Berout en schoonbroer Clais Berout (ook een beenhouwer) werden bestraft voor hun aandeel tijdens de opstand. Clais Berout was op 5 juli 1302 aanwezig in het Vlaamse legerkamp in Kortrijk, en vocht bijgevolg zeer waarschijnlijk ook mee in de Guldensporenslag.

In 1319 hadden Jan Breydel en zijn vrouw minstens vier kinderen onder wie een dochter, Kerstine, die toen al non in Spermalie was.

"De leeuw van Vlaanderen"Bewerken

In latere eeuwen werden de daden van de Bruggelingen opgehemeld, zoals in de "Chronyke van Vlaenderen" uit 1728, met woorden als "vrydom", "Fransche slaevernye", "dwingelandye", "al vegtende te sterven". De "Jaer-boecken der stadt Brugge" uit 1738 en 1765 van Karel Frans Custis vermeldden eveneens Breydel en de Coninck die "Vlaenderen in sijne voorgaende privilegien te herstellen, ofte voor het vaderland vechtende met eere te sterven". In 1790 schref Pieter J. de Borchgrave een "Ode aen de Vryheid" waarin Jan Breydel en Pieter de Conink voorgesteld werden als nationale helden (dit op een ogenblik dat de Zuidelijke Nederlanden, tijdens de Brabantse Omwenteling, kortstondig onafhankelijk waren).

In de 19de eeuw groeide Breydel door Hendrik Consciences boek De leeuw van Vlaanderen (1838) uit tot een held uit de vaderlandse geschiedenis, die een hoofdrol speelde gedurende de Guldensporenslag (terwijl hij er in werkelijkheid waarschijnlijk niet eens aanwezig was). De wijze waarop veel mensen zich Breydel voorstellen is gebaseerd op Consciences boek. Hij wordt er omschreven als een heldhaftige, maar opvliegende man die opkwam voor de rechten van de Vlamingen. Dankzij Consciences levendige, maar geromantiseerde beschrijving, is Breydel uitgegroeid tot een van de bekendste Vlaamse gedeeltelijk historische, gedeeltelijk legendarische figuren. Hij is bij het grote publiek beter bekend dan zijn compagnon Pieter de Coninck.

In 1867 werd in Brugge de "Breydelcommissie" opgericht met als doel fondsen in te zamelen voor het oprichten van een standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck op de Grote Markt. Men benoemde Hendrik Conscience tot erevoorzitter, maar de echte organisator was Julius Sabbe. Het door Paul De Vigne gemaakte beeld werd opgericht in 1887.

In populaire cultuurBewerken

LiteratuurBewerken

  • J. Fr VERBRUGGEN, Brugse ridders en volksleiders in 1302, in: Wetenschappelijke Tijdingen, 1955.
  • J. SABBE, De opstand van Brugge tegen graaf Robrecht van Bethune en zijn zoon Robrecht van Kassel in 1321-1322. Het laatste optreden van de volksleiders Pieter de Coninck en Jan Breidel, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1970.
  • J. Fr. VERBRUGGEN, 1302 in Vlaanderen, de Guldensporenslag, Brussel, 1977.
  • André VANHOUTRYVE, Jan Breydel en Pieter de Coninc, Brugge, 1987.
  • André VANDEWALLE, "Breydelt uw tonghe". Een heraldisch dispuut rond het monumnt voor Breydel en de Coninck, 1880-1887, in: F. Demeyer (red), Breydel en de Coninck herdacht, Brugge, 1987.
  • Jan Frans VERBRUGGEN, Jan Breidel en Jan Breidel f. Michiels te Brugge in de eerste helft van de 14e eeuw, in: Tijdschrift van het genootschap voor geschied- en oudheidkunde te Vilvoorde, 2000.
  • J.F. VERBRUGGEN & Rolf FALTER, 1302 Opstand in Vlaanderen, Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2001, ISBN 90 209 4412 6.
  • Karim VAN OVERMEIRE, De Guldensporenslag, het verhaal van een onmogelijke gebeurtenis, Uitgeverij Egmont, 2001, ISBN 90-805616-3-0.
  • Bernard SCHOTTE, De ware Breidel?, in: Brugs Ommeland, 2004, p. 156-192 & 195-226 en 2005, p. 43-71.
  • Bob WARNIER, Terug naar 1887. Breydel en De Coninck, Stoet en Programmaboekje, in: Brugge die Scone, 2017.