Hoofdmenu openen

Jaap Kaas

Nederlands beeldhouwer (1898-1972)

Jacobus (Jaap) Kaas (Amsterdam, 4 augustus 1898 - aldaar, 4 oktober 1972) was een Nederlandse beeldhouwer, medailleur en graficus.[1]

Jaap Kaas
Leeuw met prooi (1939), Artis
Leeuw met prooi (1939), Artis
Persoonsgegevens
Volledige naam Jacobus Kaas
Geboren 4 augustus 1898
Overleden 4 oktober 1972
Geboorteland Nederland
Beroep(en) Beeldhouwer, medailleur, graficus
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Figuratief
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Inhoud

Jeugd en opleidingBewerken

Jaap Kaas werd op de Zwanenburgerwal geboren - in de Amsterdamse Jodenbuurt waar zijn familie groot was geworden in de handel in oud ijzer; hij kwam uit een vrijzinnig joods milieu. Zijn vader was Marcus Kaas - een koopman in oude metalen -, zijn moeder heette Rachel van Moppes; het gezin waar Jaap uit kwam was een socialistisch geëmancipeerd gezin.[2] In 1900 verhuisde hij als jonge kleuter met zijn ouders, broer en zus naar Antwerpen waar hij van 1900 tot 1914 zijn jeugdjaren doorbracht. Daar werd hij al vroeg een vaste bezoeker van de ZOO Antwerpen; al voor zijn tiende jaar begon hij er te boetseren en te tekenen,[3] en raakte bevriend met oppassers en andere kunstenaars die de dierentuin als werkterrein hadden.[4] Er bestaat de legende dat de jonge Jaap daar ter plekke geïnteresseerd raakte in de plastische kunsten toen hij gevallen klei van de beeldhouwer Josuë Dupon opraapte en er spontaan een dier uit boetseerde.[5]

Ook volgde hij al jong lessen aan de avondopleiding beeldhouwkunst van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog - tijdens het beleg van Antwerpen, in de late zomer van 1914 - ontvluchtte de familie Kaas de stad en keerde terug naar Amsterdam.[6][3] Daar werd Artis zijn nieuwe werkplek. Ook werd Kaas aangenomen aan de Rijksakademie van beeldende kunsten en studeerde er van 1914 tot 1920 als één van de eerste leerlingen van J. Bronner, hoogleraar in de beeldhouwkunst; Mari Andriessen was een van zijn klasgenoten, zoals ook Albert Termote, met wie hij later bevriend bleef. Als student was Kaas vaak in Artis te vinden, boetserend of tekenend voor de kooien[7] In juni 1915 maakte hij het 'Masker van Orang-oetan Sultan'[8]; het is zijn vroegste werk dat hij voor Artis maakte; hij was toen 17 jaar oud. Op 17-jarige leeftijd ging Jaap op zichzelf wonen op een zolder van de diamantfabriek Van Moppes, aan de Plantage Middenlaan.[2]

Leven en werkBewerken

beginjarenBewerken

Na zijn academietijd leidde Kaas aanvankelijk, tot eind 1924, een zwervend bestaan; hij was in dienst van Monumentenzorg en werkte mee aan restauratieprojecten door het gehele land. Ook voerde hij opdrachten uit ter versiering van de gevels van de vele nieuwe gebouwen die na de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam verrezen, zoals Theater Tuschinski (1920) en het Koloniaal Instituut (1922) in Amsterdam.[3] Mogelijk werkte hij ook mee aan de gevelbeelden van Gebouw Batavia aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam (1918/1920).[9] Van 1925 tot 1936 behoorde Kaas tot een groepje beeldhouwers dat in samenwerking met de architecten van de Amsterdamsche School, en betaald uit het gemeentelijk steunkrediet, de stad voorzag van anoniem bouw-beeldhouwwerk. Kaas voerde in totaal acht opdrachten uit. Eén van zijn opdrachten hakte hij in 1927, een gedenksteen met figurale zijstukken (Sint Barbara en Sint Joris en de draak) ter nagedachtenis van architect Pierre Cuypers, de bouwmeester van het Rijksmuseum te Amsterdam. De steen werd geplaatst in de westmuur van de onderdoorgang van het gebouw.[10]

Daarnaast was Kaas als toegepast kunstenaar actief, onder andere met het ontwerpen van gebruiksgrafiek en speelgoed; hij ontwierp speelgoed in dierenfiguren voor de Makawo-fabriek, zoals 'ganzen op een karretje'. Van 1923 tot 1932 was hij getrouwd met de romanschrijfster Elisabeth de Mooij. Om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien, gaf Kaas in deze periode ook teken- en boetseerlessen aan verschillende scholen in de hoofdstad. Niettemin waren het jaren van armoede en tegenslag voor hem en zijn gezin; zijn huwelijk ging te gronde aan huiselijke zorgen en spanningen. In 1936 kreeg Kaas een vaste aanstelling als leraar in beeldhouwen, boetseren en gips-bewerken aan het 'Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs' in Amsterdam. Ook in zijn privé-leven ging het hem beter; in hetzelfde jaar hertrouwde hij met Margot Brandon. Deze periode van relatief geluk duurde tot de Tweede Wereldoorlog[3]

de oorlogsjarenBewerken

Enkele maanden na de Duitse inval werd hij al in 1941 op grond van zijn joodse afkomst uit zijn leraarsfunctie ontheven. Kaas werd toen ook ook actief in het verzet tegen de Duitse bezetting; aan de vooravond van de Februaristaking van 1941 leverde hij strijd met een nationaal-socialistische knokploeg voor de deuren van de ijssalon 'Koco' in de Rijnstraat en raakte daarbij ernstig gewond. In december 1941 nam hij de leiding op zich van een speciaal opgerichte joodse kunstnijverheidsschool: de Middelbare Joodse Kunstnijverheidsschool "W A van Leer",[11], waaraan ook andere bekende lotgenoot-kunstenaars hun krachten gaven. Dit was een school, speciaal voor de Joodse leerlingen, opgezet voor (door?) de nazi's.[2] De school werd in juni 1943 opgeheven. Zijn ouders werden begin 1943 door de Duitse bezetting opgepakt voor deportatie, waarop Jaap besloot onder te duiken met zijn gezin.[12] Na verschillende onderduikadressen belandden ze op 27 februari 1944 bij een arbeidersgezin in Rotterdam. Daar hebben zij tot de bevrijding op 5 mei in een kamer op de bovenverdieping van het huis gewoond. De laatste maanden op dit adres waren zwaar: er waren veel spanningen en er was nauwelijks voedsel voor het hele huishouden.[13]

de W.A. van LeerschoolBewerken

Op 29 augustus 1941 verscheen in de Nederlandse kranten het bericht dat joodse kinderen per 1 september 1941 niet meer werden toegelaten tot de algemene onderwijsinstellingen. Vanaf dan mochten zij slechts nog onderwijs krijgen op een joodse school, van leerkrachten die ook 'van joodschen bloede' waren. Een aantal joodse leerlingen van Kaas op het I.V.K.N.O. konden daardoor hun opleiding niet voortzetten en vroegen hem om zich in te willen zetten voor het oprichten van een nieuwe Joodse kunstnijverheidsopleiding. Volgens zijn toenmalige leerling Arie Teeuwisse was hij aanvankelijk van mening dat de joodse gemeenschap zo meewerkte aan haar eigen maatschappelijke isolatie die de nieuwe machthebber in Nederland voor ogen had. Hij was erg gesteld op zijn leerlingen en besloot toch mee te doen met de oprichting. Bovendien gaf dit de nog te zoeken joodse leraren het voordeel van een zog. 'Sperr', waarmee zij tijdelijk niet te werk werden gesteld (= gedeporteerd) naar Duitsland. Dit leverde hen meer tijd voor het zoeken naar een veilig onderduik-adres.[13]

In september 1941 werd hij ook voor ditzelfde plan benaderd door de joodse ex-industrieel W.A. van Leer die door de Duitsers uit de leiding van zijn eigen fabriek was verwijderd. Dit bracht een proces op gang dat leidde tot het zoeken van joodse leraren en een locatie voor de nieuwe school. Dat laatste werd gevonden op de tweede verdieping van de Hollandsche Schouwburg die toen al de Joodsche Schouwburg werd genoemd op last van de bezetter; er mochten alleen maar Joodse musici en artiesten optreden voor uitsluitend een Joods publiek. De heer W.A. van Leer stierf onverwachts. Kaas werd daardoor een belangrijk figuur in de aanloop naar de nieuwe school; ook al omdat hij veel contacten had met toekomstige leerlingen en met joodse kunstenaars die er leraar zouden worden; ook Jo Spier was behulpzaam en vond de locatie. Alles verliep in overleg met de al ingestelde Joodsche Raad onder leiding van Abraham Asscher (1880-1950).[13]

Kaas werd behalve docent beeldhouwen en handtekenen ook de directeur van de school, hoewel hij die laatste functie niet ambieerde; hij bleek met zijn kennis van en jarenlange ervaring in het onderwijs uitermate geschikt voor het directeurschap. Hij kon volgens zijn goede vriend Siegfried van Praag goed opschieten met jonge mensen, op een amicale manier; tegelijkertijd kon hij ook streng zijn. Kaas verlangde van zijn leerlingen dat zij zich, net als hij, serieus zouden inzetten voor de kunsten. Conflicten loste hij op een diplomatieke manier op en in bange tijden wist hij door kalm te handelen of met een indringende toespraak de rust te behouden.[13]

De W.A. van Leerschool was tot juni 1943 een relatief veilige en aangename have voor leerlingen en leraren, te midden van de Duitse razzia's die alsmaar toenamen in de joodse buurt. Ex-leerlingen bewaarden na de oorlog goede herinneringen aan de school. Na een zoveelste razzia op 20 juni 1943 besloot Kaas de school te sluiten; enkele dagen later dook hij met vrouw en kind onder.[13]

naoorlogse jarenBewerken

Eind mei 1945 kregen Kaas en zijn vrouw toestemming om vanuit hun onderduikstad Rotterdam naar hun oude woonplaats Amsterdam terug te gaan, maar ze konden niet meer in hun voormalige woning terecht. Pas eind september 1945 vond het stel een nieuwe woning. Direct na de oorlog zette Kaas zich actief in voor de zuivering van de kunstwereld. Van het Militair Gezag kreeg Kaas op 2 augustus 1945 de bevoegdheid om onderzoek te doen naar de gedragingen van kunstenaars in bezettingstijd. Samen met Maurits van Dantzig en de kunstenaar Cephas Stauthamer benaderde hij voor dit onderzoek de kunsthandelaren in de provincie Noord-Holland. Daarbij mochten zij huiszoekingen doen, zelfs tegen de wil van de betrokkene in. Kaas verscheen in het najaar van 1945 ook diverse keren als getuige voor de zuiveringsraad.
In september 1945 zond Kaas vijf tekeningen in voor de grote tentoonstelling 'Kunst in Vrijheid', die van 22 september tot en met 15 november 1945 in het Rijksmuseum werd gehouden. Kultuurkamer-weigeraars en joodse kunstenaars hadden vijf jaar lang niet mogen exposeren. Nu kregen ze de kans om na vier jaar in stilte gewerkt te moeten hebben met hun beste werken naar buiten te treden.[13]

Na de Tweede Wereldoorlog werd Kaas aangesteld als docent tekenen en beeldhouwkunst aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen tot 1963, maar hij woonde en werkte in Amsterdam. Ook voerde hij enkele grote opdrachten uit, zoals het Egbert Snijder monument voor Edam in 1949 en het oorlogsmonument met de zuil en leeuw in Bilthoven in 1958. Verder was Kaas bijzonder actief in het verenigingsleven; in het conflict tussen de 'abstracten' en de 'figuratieven' binnen de Nederlandse Kring van Beeldhouwers speelde hij als secretaris van de ballotagecommissie een hoofdrol, ten gunste van de behoudende stroming. Teleurgesteld over de afbrokkeling van eensgezindheid en collegialiteit trok Kaas zich op den duur uit allerlei verbanden en verenigingen terug. Hij leefde de laatste tien jaar van zijn leven sterk op zichzelf - bouwend en schavend aan zijn beelden die bijna niemand meer te zien kreeg.[3]. Een aantal van hen werd pas na zijn dood in brons gegoten, zoals de 'lopende ijsbeer' en de 'lopende bruine beer'.

latere nachtmerriesBewerken

De Tweede Wereldoorlog had diepe sporen nagelaten bij Kaas. Zijn herinneringen aan wat hij had meegemaakt zette hij c. 1962-65 voor zichzelf op papier. Hij schreef onder het pseudoniem J. Markussen de tekst 'Een incident', waarin hij terugkeek op hoe hij in februari 1941 voor de deuren van de ijssalon 'Koco' levensgevaarlijk gewond raakte tijdens een gevecht met nationaalsocialisten. Rond diezelfde tijd schreef hij de notitie 'Oproep', waarin hij zich richtte tot zijn vermoorde leerlingen aan de voormalige joodse kunstnijverheidsschool. In deze notitie vroeg Kaas of zijn leerlingen hem wilden beschermen door om hem heen te gaan staan om zijn angsten te bezweren, en om hem op de hoogte te stellen van hun onvoorstelbaar wrede lot:

"Dus sta op, Sara en Andries, en Is en Netje, en Eli en Leentje en Keetje en Henri, en jij ook Christine, die zo gul kon lachen en blijdschap om je heen zaaide, en Ruth met de droeve ogen en het grote talent, en Sam, die immer goedmoedig was, en Louise ook die tot het einde harer dagen zorgde en sloofde en gaf. Jullie allemaal, die hele onafzienbare rij, duizendtallen, tienduizenden, miljoenen, die het onschuldige slachtoffer zijt geworden van de brute redeloosheid, sta op en bescherm mij, en bescherm door het verhaal van jullie lot de mensheid."[14]

DiersculpturenBewerken

Jaap Kaas was bij uitstek een beeldhouwer en tekenaar van dieren. Hij was een kenner van de dierlijke anatomie; het skelet speelde dan ook een grote rol in zijn werk. In de uiterlijke gedaante van de dieren lag voor hem de karakteristiek van hun wezen besloten. Hij ging daarom verder dan het pure realisme en bereikte een realisme dat op een expressieve wijze de individuele dynamiek en beweeglijkheid van de dieren uitbeeldde. Ook drukte hij zo emoties uit als eenzaamheid, hartstocht en de wil tot bescherming. Als beeldhouwer werd hij beïnvloed door het romantisch naturalisme van de Belgische dierkunstenaars - vooral Rembrandt Bugatti - en de gestileerde vormentaal van Joseph Mendes da Costa.
Dat het vrije werk van Kaas zo vaak in Artis ontstond was natuurlijk geen toeval; hier vond hij al jong de dieren die hem inspireerden en hij raakte er bevriend met oppassers en leden van de staf, aldaar. Hij maakte in de loop der jaren voor de personeelsvereniging belangeloos vele oorkonden voor jubilerend personeel. Op den duur gold hij zelfs als 'de beeldhouwer van Artis'.[3] Hij had er van 1927 tot 1945 een eigen, bescheiden atelier bij de zebra's. In 1938 bestond Artis 100 jaar en de personeelsvereniging bood Artis twee beelden aan, gemaakt door Jaap Kaas. De eerste, een 'tijger met prooi', werd op 1 mei onthuld, de tweede, een leeuw met prooi, kwam een jaar later gereed.[4]

citaten van Kaas over dierenBewerken

Jaap Kaas maakte in 1936 in opdracht van een woningbouwvereniging een gevelsteen van 'Twee pelikanen die hun jongen voeren', voor in de muurgevel van een pand, op de de hoek van de Gibraltarstraat en de Doggersbankstraat te Amsterdam. In een toelichting op zijn ontwerp schreef hij:

"Uitgaande van de gedachte, dat een nest bij ons associaties in het leven roept aan warmte en huiselijkheid, terwijl ook het bijeenbrengen van materiaal en het ineenvlechten van takjes en riethalmen tot een stevig geheel vaak als symbool wordt gebruikt voor het scheppen van een eigen home, leek mij dit motief voor versiering aan woningbouw zeer geschikt. (...) De pelikaan leek mij uiterst geschikt, zoowel uit decoratief oogpunt als om de legende van zelfopoffering, om het dier geweven, waardoor de bewoners wel gevleid zullen zijn, daarmede vergeleken te worden. Waar de pelikaan zijn nest bouwt aan de waterkant of zelfs in het water, is er een overeenkomst te vinden met de huizenbouw in ons drassig land."[15]


uit een interview met Kaas, in een vooroorlogse Telegraaf:

"Ik ga liever met dieren om dan met de meeste mensen. Ze reageren altijd zuiver, en daarom kan men ze vertrouwen, wanneer men ze eenmaal kent."[16]

DocentschapBewerken

Na een aantal wisselende leraar-banen kreeg Kaas in 1936 eindelijk een vaste aanstelling als leraar in het beeldhouwen, boetseren en gipsbewerken aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam, het I.V.K.N.O. Enkele van zijn leerlingen waren daar Jan Meefout, Henk Dannenburg, Ineke van Dijk, Kiek Bak, Jo Esenkbrink en Arie Teeuwisse. Plichtsbesef en academisme typeerden Kaas' leraarschap. Naast een gedegen aanpak van het ambachtelijke gedeelte besteedde hij ook veel aandacht aan de 'inhoud' van het beeld. Hij was niet alleen een compleet docent, maar stelde zich ook open voor persoonlijke problemen van zijn leerlingen. Naast zijn grote inzet, vakmanschap en encyclopedische kennis zal dit ertoe hebben bijgedragen dat Jaap Kaas door veel van zijn leerlingen op handen werd gedragen.[3]

Werken in de openbare ruimte (selectie)Bewerken

  • Gedenkbank (1927), Stadserf in Breda
  • Michelangelo (1928), Michelangelostraat in Amsterdam
  • Rubens (1928), Rubensstraat in Amsterdam
  • Moeder met kind (1932), Vierwindstrekenbrug over de Admiralengracht in Amsterdam
  • Tijger met prooi (1938) en Leeuw met prooi (1939), Artis in Amsterdam
  • Egbert Snijder monument (1949)[17], Egbert Snijderplein in Edam
  • Oorlogsmonument (1958), Soestdijkseweg Zuid in Bilthoven
  • Staande mandril (1958), Artis in Amsterdam
  • Hangbuikzwijn (1960), Artis in Amsterdam
  • Lopende bruine beer en Lopende ijsbeer (ca. 1960), Artis in Amsterdam
  • Parende tijgers (1972), Artis in Amsterdam

Galerij van sculpturenBewerken

LiteratuurBewerken

Externe linkBewerken