Isidore Opsomer

kunstschilder uit België (1878-1967)

Isidore Edmond Henri Opsomer, ook wel geschreven als Isidoor Opsomer (Lier, 19 februari 1878Antwerpen, 31 mei 1967)[1] was een Vlaams kunstschilder. Hij was een realistisch en postimpressionistisch schilder van portretten, stadsgezichten, landschappen, en stillevens. Hij was tevens actief als etser en lithograaf.

Opsomer was een student aan de academies van Lier en Antwerpen en daarna aan het NHISKA (Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten, Antwerpen). In Antwerpen kreeg hij les van de schilders Albrecht De Vriendt (1843-1900) en Juliaan De Vriendt (1842-1935).[1] In 1940 verkreeg hij de titel van baron [2] en gebruikt hij de wapenspreuk "Maar zomeren zal 't".[3]

LevensloopBewerken

Opleiding en vormingBewerken

Zijn vader, afkomstig uit het Land van Waas, stierf in 1881. Zijn moeder zorgde samen met de grootmoeder verder voor de opvoeding van de vier kinderen. Aldus bracht hij een groot deel van zijn jeugd door in het huis van zijn grootmoeder aan de Lierse Grote Markt. In 1958 werd aan de gevel een gedenkplaat onthuld. Op de Middelbare School viel hij op door zijn tekentalent. Hij ging les volgen aan de Lierse Academie. Aangemoedigd door zijn omgeving ging hij naar de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen en studeerde af in minder dan drie jaar. Op achttienjarige leeftijd ontving hij de "Prijs Nicaise de Keyser". Samen met zijn broer Jaak, de latere toondichter die primus was te Gent, werd hij feestelijk onthaald in Lier.

Werk tot de Eerste WereldoorlogBewerken

Het werk, "Christus predikt te Lier", dat hij als opdracht kreeg voor de Prijs van Rome in 1901 zou een eerste openbaring worden. In dit werk figureren tientallen personages tegen een decor van oude verweerde gevels van de intussen verdwenen Kerkepoort in het hartje van Lier.

In 1902 ontving hij de prijs stad Antwerpen en in 1903 ontving hij de Godecharleprijs[1] voor een meesterlijk drieluik "Adam en Eva verjaagd uit het paradijs" ("Het Verloren Paradijs"). Als winnaar van de wedstrijd vertrok hij in 1904 naar Rome en nam zijn intrek in de villa Medici. Hij kwam in contact met Raoul Laparra, Louis-Henri Bouchard, Paul Landowski, Eugène-Désiré Piron, Maurice Ravel en Florent Schmitt.

Terug in België (1906) werd hij lesgever aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen.[3] Zijn leerlingen waren o.a. Alphonse Mora, Albert Van Dyck, Louis Jacques Camerlinckx, Franck Mortelmans, Theo Van de Velde, Remy de Pillecyn, Luc De Decker en Albert De Deken. In 1905 bezocht hij Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk.[2]

De nauwe steegjes en huisjes van Lier vormden tot de Eerste Wereldoorlog zijn voornaamste bron van inspiratie. In een van zijn werken schreef Felix Timmermans dat het de grote verdienste van Opsomer is geweest de ontdekker, de veropenbaarder te zijn van het Lierse Begijnhof. Ieder hoekje van dit stemmig begijnhof heeft hij op doek gebracht. Werken als de filosoof, de processie en de Lierse Klappeien getuigen van deze periode. In 1914 voltooide hij "De Vismijn te Lier".

Eerste WereldoorlogBewerken

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vertrok hij naar Beaconsfield. Kort nadien vervoegde hij Emile Claus en Albert Baertsoen voor een achttal maanden in Londen.[2][4] In mei 1915, pp voorstel van minister Prosper Poullet, vertrok hij naar Nederland om namens de Belgische regering tentoonstellingen in te richten.[4] Hij vestigde zich op het Plein in Den Haag. De schokkende omstandigheden waarin deze verhuis plaatsvond betekenden een keerpunt in zijn loopbaan. Hij kwam in contact met verschillende Nederlandse schilders waaronder George Hendrik Breitner. Hij was onder de indruk over de weergave van het licht in Breitners schilderijen. Dit is dan ook van invloed op zijn later werk. Enkele werken uit deze periode zijn: Het plein in 's Gravenhage, een Amsterdamse brug, de brug van Rynsburg, de kerk van Katwijk, de Hollandse boer, Katwijkse vrouwen en Delfts hoekje onder sneeuw. In 1916 nam hij met elf werken deel aan de tentoonstelling Belgische Kunst in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Na de wapenstilstandBewerken

Na de wapenstilstand keerde hij terug naar België. Zijn atelier in Lier was totaal verwoest en hij vestigde zich in Antwerpen.[4] In 1915 werd hij leraar aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. In 1919 werd hij ook leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten[2] Hij reist meermaals naar Frankrijk, Spanje, Algerije, Tunesië, Sicilië en Italië en maakte kennis met verschillende vooruitstrevende kunstrichtingen. Maar, zelfs Cézanne kon hem niet afbrengen van zijn eigen gekozen richting. "Schilderen moet een streling zijn voor het oog" was een ideaal dat hij steeds betrachtte. Van een schilderij is voor hem niet zozeer de inhoud van belang, wel de wijze van uitbeelden. Elke schepping moet beeldrijk blijven.

In 1922, op de driejaarlijkse tentoonstelling te Gent, stelde hij een portret van Felix Timmermans tentoon. Van dan af werd zijn nieuwe specialiteit het portret. Dit bevestigt hij in 1926 met zijn "Camille Huysmans". Andere personaliteiten welke hij vereeuwigde zijn: Frans Van Cauwelaert, Paul-Emile Janson, August Vermeylen, Emile Vandervelde, Victor Horta, Henry Van de Velde en Koning Albert I. In 1926 werd hij directeur aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten.[1][2] Later was hij ook nog directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen van 1936 tot 1949.[3]

Op 5 januari 1940 werd hij door Koning Leopold III van België in de adelstand verheven.

Bij leven woonde hij in een villa aan de Egelantierlaan (ook foutief Eglantierlaan gespeld) te Antwerpen.

Zijn laatste rustplaats vond hij op het Schoonselhof te Antwerpen.

Werken van Opsomer zijn te vinden in musea te Antwerpen, Brussel, Bergen, Elsene, Gent, Lier, Luik, Namen, Parijs, Straatsburg, Versailles, Amsterdam, Rotterdam, Florence, Rome, Venetië, Madrid, Caïro, Belgrado, Washington, Liverpool, Londen, Tel Aviv en Nieuw-Zeeland.

Onderscheidingen en tentoonstellingenBewerken

BibliografieBewerken

  • Emile Broes, Isidoor Opsomer, Dietsche Warande en Belfort, Antwerpen, maart 1911
  • Paul Collin, Tentoonstelling van Belgische Beeldende Kunst van de Laatste Honderd Jaren - Catalogus, Voorbericht - Avant-Propos, pp 5-23, 1931
  • Paul Collin, Opsomer', Les editions G. Crés et Cie, Paris, pp 34, 32 zw/w afb.,1931
  • Felix Timmermans, Schoon Lier, De Standaard-Boekhandel, Brussel en Van Kampen, Amsterdam, 132 pp, 1932
  • Paul Collin, Isidore Opsomer, Nouvelle Société d'Editions, 124 pp, 89 zw/w afb., 660 ex., 1933
  • Marnic Gijsen, Een interview met den heer Isidoor Opsomer, Weekblad Elkerlyc, Antwerpen, 16 december 1935
  • Dr. J. A. Goris, Inleiding tot het derde deel van Ars Belgica (Lier), door Prof. Dr. Ir. Stan Leurs, De Sikkel, Antwerpen, 54 pp, 118 zw/w afb., 220 ex., 1935
  • Frederik Clijmans, Opsomer - Beknopte Levenschets, De Standaard-Boekhandel, Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven, 74 pp, 33 zw/w afb., 1941
  • Lode Zielens, Opsomer, De Nederlandsche Boekhandel, Amsterdam, 84 pp en 25 zw/w platen, 800 ex., 1942
  • Felix Timmermans, Isidore Opsomer - Een voordracht te Lier bij zijn benoeming tot Baron, De Sikkel, Antwerpen, 32 pp, 6 zw/w afb. 500 ex., 1943
  • Charles Bernard, Opsomer, Monographieën over Belgische Kunst (1ste reeks), Ministerie van Openbaar Onderwijs, De Sikkel, Antwerpen, 28 pp, 24 zw/w afb., 1947
  • Cam. Huysmans, opsomer, Uitgave Stedelijke Museum, Amsterdam, no. 54, pp 20, 8 zw/w afb., januari 1949


Voorganger:
Emile Vloors
Directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen
1936-1945
Opvolger:
Constant Permeke
Voorganger:
Constant Permeke
Directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen
1946-1949
Opvolger:
Julien Creytens