Initiatiefwet

wet

Een initiatiefwet is in het Nederlandse en Surinaamse parlementaire stelsel een wet waarvan het ontwerp door een lid van het parlement bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangig wordt gemaakt met een begeleidende brief en als hij wordt aangenomen wordt ingediend bij de Eerste Kamer.

NederlandBewerken

In Nederland is de basis het recht van initiatief (het recht om wetsvoorstellen in te dienen) dat de Tweede Kamerleden hebben.

Het aantal initiatiefwetsvoorstellen bedroeg tussen 1970 en 2000 175, waarvan er 63 wet zijn geworden. Tussen 1945 en 1970 waren deze getallen resp. 16 en 3. Na 2000 is het aantal verder toegenomen. Tussen 1 januari 2000 en 1 januari 2022 zijn er in totaal ongeveer 250 voorstellen aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer, waarvan in de laatste vijf jaar (sinds 1 januari 2017) 75 voorstellen. In 2021 waren het er 14.

Initiatiefwetsvoorstellen kunnen zijn aangenomen, verworpen of ingetrokken, of nog actief in behandeling zijn, maar het komt ook vrij vaak voor dat ze een slapend bestaan leiden.[1]

Als een of meer Kamerleden een initiatief aanhangig maken, is de eerste vervolgstap dat er advies gevraagd wordt aan de afdeling advisering van de Raad van State. Dit advies wordt eerst verstrekt aan de initiatiefnemers. Het wordt pas gepubliceerd samen met de reactie van de initiatiefnemers op dit advies. Er kan dan ook besloten wordt om te komen tot een gewijzigd voorstel van wet of tot wijziging in de memorie van toelichting. Hierna wordt het wetsvoorstel door de Kamer in behandeling genomen door de meest betrokken commissie (bijvoorbeeld de algemene commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Vaak volgt er dan een (of meer) schriftelijke ronde waarbij de commissie die het voorstel van wet behandelt vragen kan stellen. De reactie hierop wordt gepubliceerd. Als de commissie van mening is dat het initiatiefwetsvoorstel voldoende is voorbereid, wordt het voorstel van wet aangemeld voor plenaire behandeling. Meestal wordt het voorstel dan in enkele ronden plenair behandeld, waarna de Tweede Kamer erover stemt. Tegelijk met de stemming over wetsvoorstel wordt ook gestemd over eventueel ingediende amendementen van andere Kamerleden. Bij de plenaire behandeling is de minister adviseur namens de regering. Gedurende het proces in de Tweede Kamer kan het voorstel ook worden gewijzigd door de initiatiefnemer(s). Als het voorstel is aangenomen, wordt het als voorstel van de Tweede Kamer naar de Eerste Kamer gestuurd. Daar wordt het op een vergelijkbare manier behandeld. Meestal wordt het initiatief dan verdedigd door de oorspronkelijke initiatiefnemers. Indien het voorstel ook door de Eerste Kamer is aangenomen, volgt bekrachtiging door de regering en op een later te bepalen moment inwerkingtreding.

Indien een initiatiefwetsvoorstel wordt aangenomen, betekent dat nog niet per se dat dit ook een wet wordt. In uitzonderlijke gevallen kan de Kroon besluiten om de wet niet te bekrachtigen (goedkeuring wordt dan onthouden). Dit gebeurde bijvoorbeeld bij een initiatiefvoorstel Vermeend/Vreugdenhil betreffende lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf in 1994.[2][3] Ook is dit voorgekomen in 1917 en 1928 rond initiatieven op onderwijsgebied. Wel is er soms discussie over al dan niet bekrachtigen, zoals bij een wetsvoorstel over een referendum[4] voor een nieuw Europees Verdrag.

De titel (het opschrift) van het wetsvoorstel bevat de namen van de initiatiefnemer(s), de officiële titel van de wet niet. Informeel wordt een initiatiefwet soms wel naar de initiatiefnemer genoemd, zie hieronder.

VoorbeeldenBewerken

Bekende initiatiefwetten zijn:

TriviaBewerken

  • In de titel Wet van 18 december 2003 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van het bevorderen van de financiering van de eigen woning met eigen middelen (materiële implementatie initiatiefwetsvoorstel Hillen) is wel de naam van initiatiefnemer Hillen terechtgekomen. Hier nam de regering het wetsvoorstel in aangepaste vorm over.[5]