Hoofdmenu openen

Huningameer

voormalig meer in Nederland
Het Huningameer op de kaart van Theodorus Beckeringh (1781)

Het Huningameer of Huiningameer, op kaarten ook Fledder (1616)[1], Oostwoltermeer (bed[ijckt]) (1635)[2] of Eeckelsmeer (1634, 1677)[3] genoemd, was een meer in de Nederlandse provincie Groningen. Het lag bij het huidige gehucht Meerland in de gemeente Oldambt en vormt sinds 2006 de kern van het Oldambtmeer. Het meer had een oppervlakte van ongeveer 450 hectare. Het meer stond in verbinding met de Tjamme.

Inhoud

GeschiedenisBewerken

Ontstaan en gebruikBewerken

Het meer lag in een van de noordelijkste uitlopers van Bourtangerveen en ontstond rond 1500 toen grote delen van het veen wegspoelden als gevolg van overstromingen vanuit de uitdijende Dollard. Het oorspronkelijke meerstal, dat zich verder in de richting van Midwolda uitstrekte, raakte hierdoor bedekt met overslagklei.[4]

Het meer was vermoedelijk eigendom van de familie Huninga, die op het oldt Steenenhuys (1636) in Oostwold woonde (rond 1775 vervangen door een deftige boerderij); een andere tak van deze familie bewoonde de Huningaborg te Beerta.[5] Volgens overleveringen stond de burcht van de Huninga's uit Oostwold oorspronkelijk midden in het meer, in het verlengde van de Huningaheerd. Mogelijk ging het om een 17e-eeuws buitenhuis. Een artikel uit 1903 schrijft over de restanten hiervan het volgende:

"Nog wijst men de plaats daarvan aan, nog zijn enkele sporen van grachten enz. aanwezig. In de wandeling noemt men dit heemsteê midden in het veld de Vossenberg. Ouden van dagen herinneren zich nog, dat hier breede grachten, gedeeltelijk echter al dicht gegroeid waren. Ook heeft men er veel puin, scherven, enz. gevonden. Thans [d.w.z. in 1903] is nog zichtbaar, waar de grachten, die het kasteel omsloten, geweest zijn. Vier wegen liepen op de burcht aan."[6]

Het Huningameer meer stond in de 18e eeuw grotendeels onder water en vormde het domein van roerdompen en andere watervogels. Omstreeks 1775 kon het meer nog "met scheepjes bevaren" worden en verschafte het "aan menige visser zijn bestaan".[7] Het meer was niet diep, want op de provinciekaart van Theodorus Beckeringh uit 1781 staat vermeld dat het "somers bijna droog" lag. A.J. de Sitter schrijft in de Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden (1794) dat het meer "nu grootendeels toegroeit". Dorpspredikant Lambertus van Bolhuis noemt het "eene groote vlakte van laag en moerig land, met eenige diepten". Hij vermoedde dat het ontstaan was "uit overstrooming der Dollertswateren, die wel eenig boven veen 'er af gespoeld konden hebben".[8] Het ijzerhoudende kleidek werd echter vooral gevormd door toestromend veenwater. De ontwatering verliep oorspronkelijk via de Oude Ae richting Goldhoorn, waar vanouds ook het zeewater kon binnendringen. Later stond het in verbinding met de Tjamme, die oorspronkelijk in het hoogveen achter Ekamp en ten noorden van Winschoten ontsprong.

Bemaling en droogleggingBewerken

De eerste pogingen om het meer droog te leggen dateren uit het begin van de zeventiende eeuw. De Groningse stadsbestuurder en oud-hoogleraar Johan Huninga nam hiervoor omstreeks 1636 het initiatief. De helft van het meer had hij in 1629 verkocht.[9] Er was sprake van een ringdijk (de latere Noorderringdijk en Zuiderringdijk) en een ringsloot met een poldermolen die uitwaterde op de Tjamme. De ringdijk ter hoogte van de Oude Ae werd in de negentiende eeuw vlintendam genoemd. Het meer werd in afzonderlijke kavels verdeeld, net als dat bij de droogmakerijen in Holland en Friesland gebeurde. Volgens een kaart van omstreeks 1638 was het meer toen inmiddels droog en verkaveld.[10] De kaart toont twee poldermolens aan het einde van de Klinkerweg, die het water via een kanaal (het Oostwoldermeer-zijldiep) naar de Dollard afvoerden; later loosden ze hun water via het Koediep. De ingelanden van Oostwold sloten in 1639 een nieuwe overeenkomst met Beerta over de afvoer van het water via de Tjamme. Johan Huninga zou ervoor zorgen dat het veenriviertje verder uitgediept zou worden tot aan het Grote Diep (Beertsterdiep) en dat er duikers aangelegd zouden worden.

De poldermolens waren geen succes. In 1666 klaagde molenbouwer Pieter Pieterse uit Zaandam dat de rekeningen niet betaald waren; zijn erfgenamen procedeerden negen jaar later nog over betaling van de achterstallige penningen. De molen aan de Tjamme werd in 1701 afgebroken, een andere "oude molen" staat nog afgebeeld op een kaart door landmeter Arnold Tideman uit 1706, maar hij was kennelijk defect en grote delen van het meer bestonden vermoedelijk uit rietmoerassen. De belangrijkste bezitter in deze tijd was borgbezitter dr. Frederik Sibinga.[11] Omstreeks het begin van de 18e eeuw werd de dijk verder naar het zuiden uitgelegd om vergroting van het meer tegen te gaan.

Daarentegen lag het meer rond 1800 grotendeels droog en waren de wegen en verkavelingssloten hersteld. Er groeiden vooral russen. Een kaart uit 1809 laat zien dat het centrale deel van het Meerland uit moerassige graslanden bestond, aan de oost- en westkant bevonden zich de betere weilanden, terwijl op de hoogveenrand aan de zuidkant wat akkerbouw werd bedreven. De bewoning was beperkt tot een drietal verhoogde erven; in het noordoosten bevond zich verder een verlaten ronde warf. Men beweerde dat hier oorspronkelijk nog meer huizen stonden.[12] Voor de afwatering maakte men gebruik van een uitwateringssloot langs de Westweg (de huidige Groeveweg) richting het Koediep. Twee doorbraakkolken getuigden van eerdere stormvloeden.[13]

In 1817 werd een nieuwe poldermolen geplaatst ter bemaling van het meer. Met de oprukkende vervening en ontginning van het omringende gebied werden in 1828 wijken gegraven naar het Koediep ten westen van het meer, waaraan kleine windmolens werden geplaatst ter bemaling van de landerijen. De kadasterkaart van 1832 toont al een handvol nieuwe huisjes of plaggenhutten aan de binnenkant van de oostelijke ringdijk (Kromme-Elleboog of Buiten Meerlandseweg) en aan de zuidelijke ringdijk (het "Ekamper Meerland"), terwijl op het hoogveen ten westen van het meer het buurtschapje Nijsiesoord of Niesoord verrees. In de jaren daarna ontstond er ook een snel groeiende arbeidersbuurt aan de westelijke ringdijk, die Meerland werd genoemd. Daarnaast verrezen er boerderijtjes aan de Oude en Nieuwe Meerlandseweg. Het meer was in die tijd eigendom van een handvol rijke beleggers. Aan de zuidkant van met meer werd turf gebaggerd.

In 1840 verleende de provincie toestemming voor de bouw van een grote windmolen (ter hoogte van Huningaweg 18 in Oostwold), waarop de definitieve droogmaking van het restant van het meer begon. Het schijnt dat enkele eigenaren zich eerder tegen de bouw van poldermolens hebben verzet. In 1848 was het meer drooggemalen en werd er op vele plaatsen graan en zelfs koolzaad verbouwd. De Groninger Courant schreef in 1852:

"Het heugt nog oude menschen, dat men met schuitjes om te visschen voer over het Huninga-meer [...]. Nu is dat meer in het heerlijkste bouwland herschapen."[14]

Later gebruik van het meerBewerken

Er waren destijds ook plannen voor de bouw van een tweede poldermolen. In 1886 werd ter bemaling van het Huningameer en het omliggende gebied het waterschap Huininga-Meerland opgericht. Daarvoor werd een stoomgemaal gebouwd als hulpgemaal bij de windmolen. In 1921 werden windmolen en stoomgemaal afgebroken en vervangen door nieuw elektrisch gemaal. In 1966 ging het waterschap op in waterschap Groeve en Binnenlanden en Huininga-Meerland, in 1967 in waterschap Oldambt en in 1986 in waterschap Eemszijlvest. Het gemaal werd in 1965 buiten bedrijf gesteld en vormt tegenwoordig een rijksmonument.

Door ontwatering en erosie verdween het grootste deel van het veendek, zodat de laagste delen van het meer ruim twee meter onder de zeespiegel kwamen te liggen. In 1886 hield men een zomerpeil van 2,16 m -NAP aan, dat later verder verlaagd moest worden. De oorspronkelijke veenbodem was grotendeels bedekt met ijzerhoudende overslagklei of rodoorn, die door het ploegen werd vermengd met veen. De bodem werd verder verbeterd door het opbrengen van kalkhoudende Dollardklei, waarvoor men omstreeks 1865 de oude Dollarddijk van 1701 afgroef. De veenachtige grond was later vooral geschikt voor de rozenteelt.

Herleving in het OldambtmeerBewerken

In 2005 werd het Oldambtmeer aangelegd. Sindsdien vormt het meer het diepste deel van dit meer: De gemiddelde diepte bedraagt 1,3 meter, hetgeen op de locatie van het vroegere Huningameer oploopt tot 2,5 tot 3,5 meter diepte. De Zuiderringdijk werd in de loop der tijd afgegraven. De Noorderringdijk vormde vroeger een weg, maar is bij de aanleg van het Oldambtmeer deels onder de waterlijn van het Oldambtmeer verdwenen.