Herman Wirth

Nederlands archeoloog (1885-1981)

Herman Felix Wirth (Utrecht, 6 mei 1885Kusel, 16 februari 1981), ook Herman Wirth Roeper Bosch, was een Nederlands-Duitse filoloog, historicus, musicoloog en musicus. Hij was één van de wegbereiders van het Derde Rijk, maar werd al in 1938 op een zijspoor gezet. Hij werd vooral bekend vanwege zijn opvattingen over de Germaanse oorsprong van het Christendom en als medeoprichter van de Ahnenerbe.

Wirth is in Nederland vooral bekend door zijn beschouwingen over het Oera Linda Boek (Die Ura Linda Chronik, 1933), waarin hij de echtheid van dit boek verdedigt. In zijn werken over de voorgeschiedenis van het Christendom kent hij het Friese volk een grote plaats toe. Met name het uilenbord is volgens hem een oeroud cultussymbool.

Wirths vormen zijn een schoolvoorbeeld van pseudowetenschap. Zijn theorieën zijn speculatief en racistisch, maar ze vonden veel weerklank bij het publiek. Vakonderzoekers beschuldigden hem niet ten onrechte van fantasterij en dilettantisme.

Centraal in zijn werk staat de bestudering van primitieve schrifttekens en zinnebeelden (Schrift- und Sinnbildkunde), waarvan hij meende dat de diepere betekenis in het onderbewuste van de plattelandsbevolking is opgeslagen en door de eeuwen heen gelijk is gebleven.

LevensloopBewerken

Wirth was de zoon van Dr.phil. Ludwig Wirth (1847-1925), een germanist die leraar was aan het gymnasium in Utrecht; hij stamde uit het Musikantenland in Rijnland-Palts, waar veel rondreizende speellieden vandaan kwamen. Zijn moeder Sophia Gijsberta Roeper Bosch (1851-1891) kwam uit Utrecht. Zelf beweerde hij dat haar familie uit Friesland of West-Friesland kwam en voegde (na 1945) haar achternaam toe aan de zijne.[1] Zijn grootvader stamt uit Groningen, diens voorgeslacht kwam uit Amsterdam.

Herman Wirth bezocht het gymnasium in Utrecht en Kampen. Hij studeerde Nederlandse taalkunde, germanistiek, geschiedenis en muziekwetenschap in Utrecht en Leipzig, werd in 1909 lector te Berlijn en promoveerde in 1911 in Bazel met een proefschrift over de teloorgang van het Nederlandse volkslied. In dit proefschrift hekelt hij het gebrek aan heroïek in de Nederlandse liedcultuur, waarvoor hij de schuld gaf aan het calvinisme. Hij onderwees daarna Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Bern, waaraan hij, althans op papier, tot 1918 verbonden was.[2]

VlaanderenBewerken

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog meldde Wirth zich als vrijwilliger aan het front, waarna hij werd benoemd tot persattaché in Gent in het door Duitsland bezette België. Hij werd belast met de censuur en kreeg de opdracht contact te onderhouden met Vlaamse separatisten. Zo raakte hij bevriend met Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard, predikant te Oostende, en andere leden van Jong-Vlaanderen, die hun gewest wilden losmaken van Wallonië. In 1916 werd Wirth uit actieve dienst ontslagen en trouwde hij Margarethe Schmitt (1890-1978), dochter van de kunstschilder en academiedocent Vital Schmitt te Berlijn. Het echtpaar zou vier kinderen krijgen. Inmiddels was hij Duits staatsburger geworden en werd hij in december met andere buitenlandse geleerden benoemd tot titulair professor zonder leerstoel. In maart 1917 was hij een van de oprichters van het Duits-Vlaamse genootschap te Berlijn, dat de Duitse annexatieplannen ondersteunde.[3] Met lichtbeelden en lezingen over Vlaanderen nam hij deel aan muzikale steunavonden voor de Duitse troepen. In december was hij betrokken bij de Vlaamse onafhankelijkheidsverklaring, een ontwikkeling die de Duitse legerleiding minder welgevallig was. Kort daarop kreeg hij een aanstelling als leraar aan het Koninklijk Conservatorium Brussel.

NederlandBewerken

Nog voor het einde van de oorlog week het echtpaar uit naar Amsterdam, waar ze een muziekgroep vormden die onder andere in de Jordaan oud-Hollandse liedjes ten gehore bracht, begeleid op een dubbelkorige luit.[4] Ze vestigden zich in Baarn. Vanwege zijn muziekhistorische werk genoot Wirth enige bekendheid, maar hij viel tevens op door zijn pro-Duitse houding en zijn antisemitisme.[5] Hij organiseerde concerten en richtte april 1920 samen met zijn vrouw de Landbond der Dietsche Trekvogels op. Met een speelliedengilde trok hij door het land, waarbij hij zelf de aartsluit bespeelde, gekleed in zeventiende-eeuwse dracht.[6] Ook verzamelde hij antieke volksmuziekinstrumenten (hij zou zijn collectie in 1942 in Amsterdam laten veilen).[7] Wirth koppelde de concerten aan propaganda-avonden voor de Wandervogel-beweging. De Trekvogels werden ondersteund vanuit conservatieve kringen, waaronder koningin Wilhelmina. De organisatie was extreem nationalistisch en gericht tegen de stadscultuur. De bond hanteerde als embleem de Duitse adelaar met een swastika. Dat alles stond een uitnodiging om voor de het koninklijk huis op te treden echter niet in de weg. Andere jongerenbewegingen namen deze organisatie niet serieus. Men constateerde spottend dat Wirth:

... ons wilde laten wandelen in pakjes waarin we gedeeltelijk op een Blaricumse schilder, gedeeltelijk op een watergeus zouden lijken. We zouden weer gaan leren zingen en gewapend met dubbelkorige luiten naar heem- en gouwfeesten trekken, en niet meer 'Bonjour' maar 'Heil' tegen elkaar zeggen.[8]

In Zwolle organiseerde Wirth mei 1922 een groot openluchtspel voor kinderen in het kader van een landelijke demonstratie van de geheelonthoudingsbeweging. Dit was ook de laatste keer dat de Dietsche Trekvogels van zich lieten horen. In augustus kreeg hij een onbezoldigde aanstelling in Marburg (Hessen), maar hij keerde eerst nog terug naar Nederland. Hij had een tijdelijke baan in Sneek gevonden, waar hij gedurende anderhalf jaar als leraar Nederlands en aardrijkskunde aan het gymnasium verbonden was. In zijn vrije uren toerde hij met de motorfiets door de provincie, waar hij foto's maakte die hij later als lichtbeelden zou vertonen; al in 1911 had hij hier al zijn eerste opnamen gemaakt. In november hield hij voor het Fries Genootschap in Leeuwarden een lezing over De uileborden en oudere zinnebeeldige teekens in Friesland. Daarbij kwam voor het eerst het Oera Linda Boek ter sprake:

Dit boek, een oeroude overlevering, opgeschreven in de geweldige strijd van Friezen en Franken, is een waar boek, staat hoger dan het Testament en is een antwoord op het zesspakige rad (teken van God). Hoe verminkt dit boek mag worden door hen die er niets van begrijpen, al blijven er maar tien bladzijden van bestaan, dan zullen die toch nog het hoogste en waardevolste zijn, wat ooit uit het Oosten tot ons is gekomen.[9]

Wirths bezigheden wekten niet alleen Friesland, maar ook daarbuiten veel interesse. Ze lokten tegelijkertijd een reactie uit van Wumkes, die benadrukte dat het bij dit boek om een recente vervalsing ging. Wumkes herinnerde zich later zijn felle kop en electrificerende verschijning, maar ook het schelden op de 'haatleer van Jahwe' en het verheerlijken van Wralda, de vermeende godheid van de heidense Friezen.[10] In joodse kringen reageerde men bezorgd op zijn plannen de oud-Germaanse godencultuur in ere te herstellen. Het antisemitisme lag, zo meende men niet zonder reden, op de loer.

Omstreeks deze tijd begon Wirth zich te verdiepen in voor hem nieuwe vakgebieden als archeologie, volkskunde, religiewetenschappen en oudgermanistiek. In vergelijking met vakgeleerden bleef hij echter een amateur, wat hem later zou opbreken. In 1923 kondigde hij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant een nieuw boek aan, dat zou aantonen dat hoe men door 'erfherinneren' (een term van de ariosoof Guido von List) het sluimerende geloof van Oergermanen weer tot leven zou kunnen wekken. De foto's die hij had verzameld ("in het gehele Noordzeegebied, van Holland tot Denemarken toe"), toonden volgens hem aan dat de symbolentaal in deze regio "een rechtlijnige continuïteit van het jonge steentijdperk tot op de huidige dag" liet zien.[11]

Atlantis en Oera LindaBewerken

Wirth vestigde zich februari 1924 met zijn gezin in Marburg. Hij werd augustus 1925 lid van de nazipartij, maar bedankte het jaar daarop om zijn (deels joodse) geldschieters niet voor het hoofd te stoten. Vanaf 1931 sprak hij zich in zijn geschriften openlijk uit ten gunste het nationaal-socialisme.

In 1928 publiceerde hij zijn eerste grote studie over de geschiedenis van de mensheid, waarin hij probeerde de bewijzen dat het monotheïsme de oorspronkelijke religie van de oudste Germanen was, voordat dit door oosterse (lees: joodse) invloeden werd gecorrumpeerd. Het Christendom zou al in de vroegste steentijd zijn ontstaan in het hoge noorden, waar een complete Arische beschaving in de oceaan was verdronken. Wirth dacht daarbij tevens aan het ondergegane Doggerland, een klein Atlantis in de Noordzee waarvan het rotseiland Helgoland een laatste restant zou vormen. Ook Christus zelf stamde af van een verdwaalde volksstam uit het noorden. Het ging bovendien om een cultus waarin de moederverering centraal stond. Daarmee sloot hij aan bij bestaande ariosofische en occulte netwerken die al langer op zoek waren naar een alternatieve vorm van Christendom, die zich beter met het Germaanse heldengeloof liet verenigen. Mede dankzij hem kreeg Duitse Geloofsbeweging – een nazistische en antisemitische richting binnen het Duitse protestantisme – flink de wind in de zeilen. Binnen de nazipartij bestond echter ook een stroming die zijn ideeën te verwekelijkt, te pacifistisch en niet viriel genoeg vonden.

Wirths was een charismatische persoonlijkheid, sportief gekleed, geheelonthouder en vegetariër. Hij wist het publiek enthousiast te maken met zijn lezingen en publicaties, doorspekt met aanvallen op de gevestigde academische orde en de kerkelijke orthodoxie, bovendien antisemitisch en antimarxistisch van toon. Hij vond meerdere vooraanstaande personen die het völkische gedachtengoed aanhingen bereid om zijn werk te financieren. De rijke koffiehandelaar en mecenas Ludwig Roselius uit Bremen, die nauwe relaties had met de kunstenaarskolonie in Worpswede, beschouwde hem min of meer als huisfilosoof. Roselius gaf opdracht tot de bouw van het Haus Atlantis in de Böttcherstraße in 1930/31, ontworpen door de architect Berhard Hoetger, maar geïnspireerd door Wirth. De gevel werd versierd met een reusachtige crucifix in de vorm de wereldboom, geplaatst binnen een zonnerad, waarbij de gestalte van Christus werd gelijkgesteld aan de Noorse God Odin. Dit geruchtmakende kunstwerk is in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Wirths werk werd verder ondersteund door de in 1929 opgerichte Hermann-Wirth-Gesellschaft met afdelingen in diverse steden.

In 1932 vertrok hij naar Rostock, waar hij leiding gaf aan een op te bouwen onderzoeksinstituut voor de archeologie van menselijke geest (Geistesurgeschichte) te Bad Doberan dat verbonden zou worden met een openluchtmuseum. Begin mei 1933 richtte hij in Berlijn de tentoonstelling Der Heilbringerin in, over de oudste godsgestalte. De oorspronkelijke Thule-cultuur uit het hoge noorden werd hier neergezet als belangrijkste inspiratiebron voor mensheid; de ondertitel "van Thule naar Galilea en weer terug" gaf aan hoe hij het Christendom vanuit het perspectief van verval zag. De tentoonstelling was daarna te zien in Bremen. In zijn lezingen speelden de gemaakte lichtbeelden die hij in Friesland had gemaakt een belangrijke rol. Volgens de kranten was dit "een show, die een paar maal geprolongeerd moest worden, en elke dag opnieuw volliep [met] complete schoolklassen en SA-gardes".[12] Oktober 1933 werd hij buitengewoon hoogleraar aan de Friedrich-Wilhelm-Universität te Berlijn. Enkele maanden later verhuisde het gezin naar Michendorf bij Potsdam waar de Brandenburgse regering een museum voor prehistorische religie wilde stichten. Hij werd opnieuw lid van de NSDAP; twee jaar later werd hij opgenomen in de SS. Zijn denkbeelden schaafde hij intussen bij zodat ze beter zouden aansluiten bij de partijlijn.

De publicatie van Die Ura Linda Chronik eind 1933 – opgedragen aan "mijn Germaanse moeders" – leidde tot een ware hype. Wirth zag in het Oera Linda Boek de oerbijbel van de Ario-Germanen, een opvatting waarin hij gesteund werd door Heinrich Himmler, de leider van de SS. Op 5 mei 1934 werd Wirth echter in een openbaar debat in de aula van de Berlijnse universiteit ten overstaan van meer dan duizend toehoorders door een viertal germanisten en historici terechtgewezen.[13] De professoren namen hem vooral kwalijk dat hij overgeleverde tekst niet aan een kritisch onderzoek had onderworpen alvorens die te vertalen. Himmler liet zich door dit alles niet overtuigen en gelastte meerdere onderzoekingen op Helgoland, die pas onder druk van de naderende oorlog werden afgebroken.[14]

Ook in de Nederlandse pers werden deze discussies op de voet gevolgd. Wirth bezocht intussen in december 1934 Leeuwarden, waar hij drie lezingen hield voor de Federaasje fan Fryske Studinteferienings. Een handvol studenten ging mee terug naar Duitsland om in de leer te gaan bij hem. Het volgende voorjaar maakte hij in Berlijn de tentoonstelling 'De Levensboom', waarna hij in augustus terugkeerde naar Friesland voor een studiekamp op de Volkshogeschool Allardsoog te Bakkeveen. Hij toonde zich daarbij een warm pleitbezorger voor "de grootse zending van de nordische mens". Ook organiseerde hij een archeologische opgraving bij de 'Poppestien' in Burgum, waarvan hij dacht dat dit een prehistorisch heiligdom betrof. Zijn propaganda voor wat hij zelf het nieuwe heidendom noemde, stuitte echter op veel kritiek.[15]

AhnenerbeBewerken

Juli 1935 richtte Himmler samen met landbouwminister Walther Darré en Herman Wirth het SS-onderzoeksbureau Deutsches Ahnenerbe op. Wirth kreeg de leiding; hij was direct verantwoordelijk voor de afdeling voor de bescherming van materieel en immaterieel cultureel erfgoed (Pflegestätte für Schrift- und Sinnbildforschung). Maar Himmler verving hem al in 1938, nadat hij eerder ontheven was van een aantal taken. Niet alleen zijn geloofwaardigheid had geleden; zijn chaotische werkwijze en zijn ruimhartige omgang met geld riepen steeds meer irritatie op. Zijn opvattingen over het matriarchaat en de impliciete kritiek op het leidersprincipe strookten niet met de partijlijn. Hitlers topideoloog Alfred Rosenberg had al eerder bezwaar gemaakt tegen de plek die het Chistendom Wirths theorieën innam. De groep rond Darré werd eveneens vervangen door wetenschappers van zwaarder kaliber. Speculatieve germanofilie (Deutschtümlerei) moest plaats maken voor een harde, biologische gefundeerde rassenwetenschap. In 1939 werden alle banden die Wirth nog met de Ahnenerbe had afgesneden. Zijn lesbevoegdheid raakte hij kwijt; zijn verzameling en de boekerij – een geschenk van Roselius – moest hij inleveren; publiceren was niet meer mogelijk. Desondanks bleef hij contact houden met Himmler, die hem aan verdiensten hielp en terugkeer naar de universiteit mogelijk maakte. Hij kreeg een onderzoekstoelage van het Rijksministerie van Onderwijs en extra middelen van de Deutsche Forschungsgemeinschaft. In 1944 werd hij (op papier) aangesteld in Göttingen. Hij behield bovendien de rang van SS-Hauptsturmführer.

Zelf deed Wirth het later voorkomen alsof hij zich vanwege zijn bezwaren tegen het regime vrijwillig uit de Ahnenerbe had teruggetrokken.[16] Omdat hij door Himmler aan de kant was gezet, meende hij tevens aanspraak te kunnen maken op een uitkering als oorlogsslachtoffer. Zijn aanhangers stellen dan ook dat zijn betrokkenheid bij de Ahnenerbe na 1938 een kwaad gerucht is dat alleen door antifascisten wordt verspreid.[17] In publicaties bleef Wirth echter tot ver na de oorlog getuigen van zijn trouw aan het naziregime en de principes van het nationaal-socialisme. Ook het racisme bleef verkapt aanwezig. Door zijn rancune ten opzichte van de naoorlogse politieke orde verloor hij het recht op staatspensioen.[18]

NaoorlogsBewerken

In 1945 werd Wirth door de Amerikaanse troepen twee jaar lang gevangen gezet en verhoord. Zijn vrienden wisten de autoriteiten echter te overtuigen dat hij slachtoffer van politieke willekeur was. Eenmaal vrijgelaten, verhuisde hij begin 1948 met zijn vrouw naar Dieren (Gelderland), waar zijn schoonzuster woonde, maar hij merkte dat hij in Nederland niet erg welkom was. Het echtpaar week vervolgens in oktober uit naar Zweden, waar Wirth in 1951 een aanstelling aan de universiteit van Lund kreeg. Begin 1954 keerde hij terug naar in Marburg, waar hij zijn eerdere onderzoek, nu als privé-persoon, voortzette. Wetenschappelijke erkenning bleef uit; hij bleef aangewezen op een kleine kring van getrouwen, waaronder zijn voormalige medewerker Werner Haverbeck en de extreemrechtse publicisten Gert Meier en Rudolf Krohne (alias H.K. Horken).

Wirth bleef ook na de oorlog een centrale persoon in het rechtsradicale netwerk. Zijn boeken werden uitgegeven door uitgeverijen als Eccestan Verlag te Marburg, Volkstum-Verlag in Wenen en Mutter Erde Verlag te Frauenberg. Zijn gedachtegoed werd vooral verspreid door organisaties als de Armanen-Orde en het in 2008 verboden Collegium Humanum.[19] Zo zijn de Thule-romans van de oud-SS-er Wilhelm Landig geënt op het werk van Wirth. Vanaf het midden van de jaren zeventig raakten ook antroposofische, feministische en ecologische kringen geïnteresseerd in zijn esoterische theorieën, waardoor nieuwe raakvlakken tussen linksalternatieve en rechtsradicale stromingen ontstonden ("groen met een bruin randje").[20] Wirths vertrouwelingen ontfermden zich al snel over groeperingen die zich bezig hielden met de cultuur van inheemse volkeren, met name Noord-Amerikaanse indianen.[21]

In zijn naoorlogse publicaties concentreert Wirth zich vooral op religieuze symboliek en op iconische objecten als rotstekeningen, prehistorische heiligdommen en heilige bergen. Daarbij werkte hij het materiaal uit dat hij in 1935 en 1936 tijdens twee expedities naar Scandinavië had verzameld, waaronder een grote hoeveelheid gipsafgietsels van middeleeuws houtsnijwerk en rotstekeningen uit de Bronstijd. In 1962 en 1964 hij nogmaals twee reizen naar Zweden. Hij organiseerde verder een korte tentoonstelling te Marburg in 1960. Halverwege de jaren zeventig exposeerde hij zijn verzameling in een leegstaande boerderij te Fromhausen bij Detmold, niet ver van de Externsteine, waarvan hij de Gemaanse wereldboom Irminsul vermoedde. Nog eenmaal richtte hij een tentoonstelling in, namelijk in een tiendschuur te Thallichtenberg in de Palts, niet ver van waar zijn vader was geboren. Hij verhuisde daarom naar de Palts, 94 jaar oud. Maar de plannen voor een permanende expositie strandden toen Der Spiegel over zijn oorlogsverleden publiceerde.[22] Kort daarna kwam hij te overlijden.

De Herman-Wirth-Gesellschaft was in 1933 opgeheven, maar werd in 1957 opnieuw opgericht onder de naam Gesellschaft für europäische Urgemeinschaftskunde. De vereniging werd werd in 2000 omgevormd tot de stichting Ur-Europa e.V. Zijn verzameling en bibliotheek werden - voor zover nog compleet - na zijn dood naar het Österreichische Felsbildermuseum in Spital am Pyrhn in Opper-Oostenrijk overgebracht, waar ze in 1998 gedeeltelijk voor het publiek werden opengesteld. Sinds 2015 bevinden ze zich in het Vytlycke Museum te Tanum (Zweden), waar veel rotstekeningen waarover hij schreef te vinden zijn.[23]

NalatenschapBewerken

Wirths godsdiensthistorische en etnografische stellingen worden door de wetenschappelijke wereld eensgezind afgewezen. Niettemin vinden zijn theorieën nog steeds weerklank, enerzijds binnen het feminisme en de New Age-kringen, anderzijds bij volgelingen van het neopaganisme en neonazistische groeperingen. Ook Russische rechtsradicalen als de geopoliticus Aleksandr Doegin beroepen zich op zijn werk; Wirths uitgave van het Oera Linda Boek is in 2007 in het Russisch verschenen.[24] In Frankrijk wordt hij geregeld geciteerd in tijdschriften als Nouvelle Droit, Éléments en Éditions Heimdal.

PublicatiesBewerken

Herman Wirth was een uiterst productief schrijver. Zijn bibliografie bevat minstens 600 titels; een belangrijk deel van zijn kleinere bijdragen is moeilijk te te vinden. Een deel van zijn onuitgegeven manuscripten gingen direct na de Tweede Wereldoorlog verloren, maar een hondertal bleef over.

LiteratuurBewerken

Een uitvoerige literatuurlijst is te vinden op de Duitstalige wikipedia-pagina. Aanvullend, met name voor Vlaanderen en Nederland:

  • Eberhard Baumann, Herman Wirth: Schriften, Manuskripte,Vorträge und Sekundärliter, Toppenstedt 1995 (bibliografie)
  • Lammert Buning, 'Notities betreffende Hermann Felix Wirth (geboren te Utrecht 6 mei 1885)', in: Wetenschappelijke Tijdingen [Gent] 33 (1974), nr. 3, kol. 141-165
  • Johan Frieswijk, 'Over boerenhuizen, ûleboerden en kippentrappetjes. Volkskundige activiteiten in Friesland in de periode 1918-1945', in: Volkskundig Bulletin 25 (1999), p. 1-38
  • Aat P. van Gilst, Herman Wirth, Soesterberg 2006
  • Arend H. Huussen jr., Hermann Felix Wirth (1885-1981) in Nederland, België en Duitsland. Muziek en politiek 1885-1924, Soesterberg 2018
  • Goffe Jensma, De gemaskerde god: François HaverSchmidt en het Oera Linda-boek, Zutphen 2004, p. 182-187
  • Bernard Thomas Mees, The Science of the Swastika, Budapest/New York 2008, p. 135-166 (download)
  • Robin te Slaa & Edwin Klijn, De NSB: Ontstaan en opkomst van de Nationaal Socialistische Beweging, 1931-1935, Amsterdam 2009, p. 706-707
  • Ingo Wiwjorra, 'Herman Wirth – Ein gescheiterter Ideologe zwischen "Ahnenerbe" und Atlantis', in: Barbara Danckwortt (red.), Historische Rassismusforschung. Ideologen, Täter, Opfer, Hamburg 1995, p. 90-112

Externe LinksBewerken