Hoofdmenu openen

Gerrit Benner

Nederlands kunstschilder

Gerrit Benner (Leeuwarden, 31 juli 1897Nijemirdum, 15 november 1981) was een Nederlands winkelier, huisschilder èn kunstschilder.[1]

Gerrit Benner
Glasappliqué voor De Ark in Helmond
Glasappliqué voor De Ark in Helmond
Persoonsgegevens
Geboren Leeuwarden, 31 juli 1897
Overleden Nijemirdum, 15 november 1981
Geboorteland Nederland
Beroep(en) schilder, glazenier
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Inhoud

Opleiding en startBewerken

Benner was een zoon van timmerman Hendrikus Jacobus Benner en Idske Zijlstra. Hij werd aan de ambachtsschool opgeleid tot huisschilder. Na zijn huwelijk in 1918 met Geesje Schaap, opende het echtpaar een winkel in galanterieën in Leeuwarden; De slagzin 'Een kenner koopt bij Benner' stamde uit die tijd. Daarnaast bleef hij werkzaam als huisschilder en was ook enige tijd postbode. Bovendien ontwikkelde Benner zichzelf als autodidact tot kunstschilder in deze jaren. Sommige bronnen noemen de schilder en docent Hendrik Wadman uit Leeuwarden als een mogelijke leraar van Benner.[2] In 1937 werd de winkel failliet verklaard en Benner raakte in een psychische crisis. Het advies van de psychiater was: doorgaan met tekenen en schilderen, wat hij al zijn leven lang deed. Verschillende malen verbrandde Benner de werken die hij in en kort na die tijd gemaakt had.[3].De paar toevallig overgebleven vroege schilderijen, een molen, een landschap met boerderij, zijn geen meesterwerken.[4]

De weinige werken die van Benner uit zijn vooroorlogse tijd bewaard zijn gebleven, kenmerken zich door een realistische stijl in een vrij somber kleurpalet. Er zijn sterke vermoedens dat hij al ruim voor 1940 een expositie van de Belgische schilder Permeke heeft gezien en diens stevige schilderstoets en kleurkeuze heeft uitgeprobeerd voor zichzelf. Hij zou de tentoonstelling toen hebben bezocht in het gezelschap van vader en zoon Andries en Bouke van der Sloot. In zijn 'Liwwadders' (dialect van Leeuwarden) hield Gerrit zijn twee collega-schilders toen voor: 'Kiek, wat die man ken, mut ik oek kenne!' . Zij eerste tentoonstelling had Benner pas in 1946, in de privé-vertrekken van de verzamelaar drs. J. Sluiter; hij was toen 49 jaar![5] Willem Nagel beschreef deze expositie in het Parool als een 'ontdekking' en deze werd goed ontvangen. Ook exposeerde hij datzelfde jaar in Groningen, in galerie De Mangelgang. [6]

Leven en werkBewerken

Friesland, tot 1954Bewerken

Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest het gezin Benner onderduiken in Eernewoude omdat Gerrit weigerde te tekenen voor de Kultuurkamer die de Duitse bezettingsmacht had ingesteld [7] èn zijn beide zoons hadden de leeftijd waarop zij zich moesten melden voor tewerkstelling in Duitsland - de Arbeitseinsatz. Benner verbouwde daar een schuur tot atelier en vond in die periode vooral inspiratie in het boerenleven, zoals twee van zijn tekeningen uit 1946 laten zien: 'Aardappelrapers' en 'De maaier'.[8]

Pas na de oorlog koos Benner definitief voor het kunstenaarschap en kreeg hij waarschijnlijk pas voor het eerst in zijn leven kunst onder ogen die hem op de hoogte brachten van eigentijdse ontwikkelingen in de schilderkunst - hoewel hierover ook flinke meningsverschillen bestaan. Hij leerde de kunstenaar Siep van den Berg en zijn vrouw Fie Werkman kennen, en kwam zo eind 1945 in aanraking met het werk van haar vader, de Groningse drukker Hendrik Werkman, waar hij korte tijd sterk door werd beïnvloed. Werkman was vlak voor het einde van de oorlog door de Duitsers opgebracht en gefusilleerd. Volgens kunstcriticus Lambert Tegenbosch - die later veel contact kreeg met Benner - ontmoette deze toen in de werken van Werkman zichzelf.[9] In Benners gouache 'Vier boomgestalten' uit 1947 is duidelijk de invloed van Werkman op Benner te herkennen, met zijn simpele compositie en sterk vereenvoudigde kleurvormen.

In 1946 verbleef Benner regelmatig in Groningen; hij ontmoette daar andere kunstenaars en kunstkenners en tekende er veel, niet alleen op tekenpapier, maar ook op blocnote en behang. Het werk dat hij in Groningen achterliet is de huidige collectie 'Gübitz-Vellinga'. In de tekeningen in deze collectie heeft Benner geëxperimenteerd met thema's als paarden, atelier-uitzichten, kroeg-scènes en boten; ook heeft hij een eigen handschrift ontwikkeld. In deze werken zijn ook verwijzingen herkenbaar naar moderne kunstenaars en kunststromingen, zoals de paarden van Franz Marc of de bomen van andere Duitse expressionisten. Op sommige bladen zijn slechts enkele potloodstrepen of inktlijnen te zien, andere vellen tonen een compositie waar bewonderaars Benner later zo om roemden: een combinatie van trefzekere lijnen en kleurrijke vormen.[3] In 1947 heeft Benner zijn eerste tentoonstelling in Museum het Princessehof in Leeuwarden. Hij ontmoet daar zijn mecenas dr. H.J. Straat die hem een maandgeld geeft en regelmatig werk van hem aankoopt. H.J. Straat was naast arts en kunstverzamelaar, ook voorzitter van de Maatschappij ter Bevordering van de Schilder- en Tekenkunst, die jaarlijks tentoonstellingen organiseerde in het Princessehof te Leeuwarden. Dankzij het brede netwerk van Straat kon Benner ook later in Amsterdam doorbreken.[3]

In die jaren vond Benner inspiratie bij de kunstenaars van de 'École de Paris' als Jean Bazaine en Manessier, maar met name bij Roger Bissière wiens naam vaak viel in zijn gesprekken. Benner's werk had ook raakvlakken met de kunst van De Ploeg en met de spontane stijl van Cobra. Het waren dan ook de jonge Cobra-schilders Corneille en Karel Appel die Benner na de oorlog in 1946 vanuit Amsterdam opzochten in Leeuwarden, om hem over te halen zich bij hun beweging aan te sluiten. Ze waren op Benner opmerkzaam gemaakt door Werkman's dochter Fie. Zich aansluiten bij Cobra deed Benner echter niet; wèl bleven de contacten voortbestaan. In 1971 zou Appel in de catalogus voor de derde tentoonstelling van Benner in het Stedelijk Museum nog zijn herinnering schrijven over de eerste ontmoeting toen, in 'Gerrit, een oude vriend': 'Na een lange lifttocht met Corneille naar Friesland – waar we na de oorlog voor 't eerst kwamen – leerden we Gerrit kennen, een rasschilder met een noordse fabelachtige kant in zijn werk. We werden bij de Friese potkachel ontvangen met geurige koffie en ik tuurde over de weilanden met abstracte koeien wat zijn schilderijen waren. We noemden elkaar meteen bij de juiste naam, ook later als we elkaar tegenkwamen [in Amsterdam] en zeiden: "hee ouwe rover, hoe gaat het?"[10]

Ondanks invloeden en raakvlakken werkte Benner in een relatief isolement in Friesland, volgens zijn eigen zeggen. Op zijn zwerftochten door het Friese landschap werd hij vooral getroffen door de weidse horizonten, imposante wolkenformaties, het water, paarden koeien, vogels en de bloemen. Die gaven hem een gevoel van verbondenheid met de natuur, zoals in zijn schilderijen te herkennen valt. Het felle kleurgebruik, met het frisse groen en het diepe blauw, en de aardse structuur benadrukken het landschappelijke element. Zijn krachtige, expressieve schilderijen uit die tijd hebben deels een heldere compositie.

Amsterdam, 1954 - 1971Bewerken

In 1954 verliet hij Friesland en nam het atelier van Karel Appel in Amsterdam over. Na de verhuizing naar Amsterdam (waar hij tot 1971 zou wonen en werken) richtte hij zich in zijn werk met name op het Friese landschap. In de stad kwam hij in intensiever contact met de sfeer en het werk van o.a. de jongere Cobra-schilders, maar ook met Edgar Fernhout, die in Bergen woonde en werkte. Dit alles stimuleerde hem tot een vrijere expressie en tot stevige, dik in de verf gezette doeken. Zijn toets werd breder en gewaagder, waardoor de landschappen een monumentaal karakter kregen. Het deed zijn vroegere verzamelaar Straat uit Leeuwarden verzuchten: 'Het is mijn Benner niet meer' . Straat zou vanaf de jaren zestig niets meer aankopen van Benner en veilde bij zijn pensionering een groot deel van zijn werk, tot grote teleurstelling van de kunstenaar.[8] In Amsterdam kreeg Benner al gauw contact met Willem Sandberg, de directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam, die hem later meerdere malen een solo-expositie zou aanbieden in zijn museum. Een ruim aantal van zijn schilderijen en tekeningen zijn hierdoor in de collectie van het Stedelijk Museum terecht gekomen.[11]

In 1962 maakte Benner zijn eerste monumentale opdracht, de glaswand 'De Terugkeer van de Duif' voor de hervomde kerk van Venlo. Het jaar erna volgden diverse opdrachten: een monumentale schildering voor het nieuwe FNV-gebouw in Amsterdam en opnieuw een glaswand voor het bij-postkantoor Steenvoorde te Rijswijk. In 1965 maakte hij drie opdrachten voor scholen in Leeuwarden, Maassluis en Amsterdam.

Terug naar Friesland, vanaf 1971Bewerken

Begin 1970 werd Benner opgenomen in het ziekenhuis voor onderzoek en kreeg van de internist het advies om rustiger aan te doen. Hij trok zich vanaf die tijd meer terug en verbleef zo langere periodes met zijn vrouw Geesje in het vakantiehuis van hun zoon in Gaasterland, Zuid-Friesland. Het huis keek uit over weilanden met koeien en soms paarden; in de verte lag een bos waar 's avonds de zon door de boomtoppen naar beneden zakte. Zo had hij enige tijd twee ateliers en reisde heen en weer, maar eind 1971 koos hij definitief voor het vakantiehuis in Nijemirdum (Gaasterland), waar ze samen gingen wonen. In het laatste deel van zijn Amsterdamse periode was hij met zijn schilderkunst een weg ingeslagen waarin hij, op een nog soberder en meer verinnerlijkte manier én met nog minder materiaal (verf en elementen) dan voorheen, zo'n sterk mogelijke expressie in zijn landschappen trachtte aan te brengen. Maar met zijn terugkeer naar Friesland kwam er ook meer terug van de lyriek en de figuratie uit zijn vroegere werk: de koeien, de paardjes en de vogels in het Friese land. Zelf verklaarde hij eens: 'Soms benauwt de wereld me en dan kom ik altijd terug bij de natuur, de bron van alle dingen' .

Benners gezondheid werd delicaat en zoon Henk wierp zich in die jaren op als manager van zijn vader. Hij nam de zakelijke beslommeringen op zich en bouwde een verdedigingsmuur rond Benner, zodat deze, afgeschermd van de buitenwereld, in alle rust kon schilderen. Dat afschermen ging soms ver - zo merkte publicist Peter Karstkarel toen hij begin jaren zeventig Benner zou interviewen voor het Friesch Dagblad. Hij werd in Amsterdam vriendelijk ontvangen door zoon Henk, maar vader Benner zelf was in geen velden of wegen te bekennen. Hij zou ook niet komen deelde Henk mee; Karstkarel moest zijn vragen maar aan hem stellen.[12] In de jaren erna volgden nog vele solo-tentoonstellingen door het gehele land en ook in het buitenland, zoals Singapore. Benners gezondheid bleef fragiel en in 1978 moest hij opnieuw worden opgenomen in het ziekenhuis. Enkele jaren later overleed hij op 15 november 1981, op 84-jarige leeftijd. Zijn vrouw Geesje stierf twee jaar later, op 4 juli 1983.[13]

WerkwijzeBewerken

Het Friese landschap zou altijd een rol blijven spelen in Benners werk, zelfs na zijn verhuizing naar Amsterdam in 1971. 'Schilderen doe ik uit mijn hoofd' , zei de kunstenaar daarover tegen de kunst-criticus Hans Redeker c. 1965[14]

Gerrit Benner was eerst en vooral een 'colorist'. Hij was altijd zoekend naar tegenstellingen van blauw en oranje, rood en groen, geel en paars - en gebruikte daarbij gebroken en neutrale kleurtonen (soms grijs), om de felle uitersten met elkaar te verzoenen en een intense kleur te bereiken. Hij verwoordde het c. 1960 zelf: 'Het gaat om de sfeer van de natuur, zeker, maar ik wil dat het schilderij klaarte, vrolijkheid opwekt. Als zo'n ding af is, dan moet ik ermee leven, daarom moet het prettig zijn. Zon. Klaarte. Nooit wit-zwart, want daar zijn zoveel tinten tussen!'[8] Benner maakte daartoe oneindig veel kleurstudies in de hoop om zo de ultieme diepte en kleur te bereiken, en met name om harmonie in het gehele schilderij te vinden met zijn sterk geprononceerde kleuren. Kunsthistorica Elmyra van Dooren typeert lovend de kleurwerking in zijn werk: 'Wat een enorme verscheidenheid van stemming drukt hij uit in symfonieën van kleur. Juist die kleurstudie heeft hem tot het inzicht gebracht, dat men in de kleur het leven moet zoeken en dat het echte tekenen modelleren met kleur is.' [15]

Voor kunst-criticus Lambert Tegenbosch koos Benner in zijn schilderkunst wel degelijk voor het motief, wat bij hem niet verdween in het abstracte schilderen: 'Het motief [bij Benner] blijft een rol spelen in het schilderij en de vraag waar het over gaat, is zonder moeite te beantwoorden. Het gaat over het landschap, vogels, bloemen, ruiters te paard. Tegelijk is duidelijk, dat de eeuwige opgave van de compositie van lijnen, vlakken en kleuren bij hem minder gedicteerd schijnt door het motief dan door het materiële vlak van het schilderij. Het belang van de compositie is zo groot geworden, dat het een opgave naast of boven of voorbij de opgave van het motief is geworden..' [9]

WaarderingBewerken

In korte tijd werd Benner een nationaal erkende kunstenaar in de jaren vijftig; deze periode betekende een hoogtepunt in zijn ontwikkeling. Willem Sandberg die Benner verschillende tentoonstellingen aanbood als directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam en hem regelmatig op zijn Amsterdamse atelier bezocht, typeerde de laat-gestarte schilder: 'Velen met vroeg succes blijven staan, Benner een laatbloeier gaat verder, elk bezoek aan zijn werkplaats verrast, verblijdt.' [16]Benner werd in 1955 door de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 gelauwerd met de Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet. Hij won in 1955 de derde prijs op de Biënnale van São Paulo in São Paulo, Brazilië. In 1958 ontving hij de Guggenheim Prize for the Low Countries, en later nog de International Hallmark Art Award van New York.

In 2003 hebben de Provinciale Staten van de Provincie Friesland een tweejaarlijkse prijs ingesteld en naar Benner vernoemd. Het betreft een oeuvreprijs of een prijs voor een kunstenaar wiens werk recentelijk een belangrijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. De eerste Gerrit Benner Prijs voor Beeldende Kunst werd uitgereikt in 2005. In 2008 werd Benner opgenomen in de Canon van Friesland.

Benner - de mytheBewerken

'..Benner de autodidact die het allemaal zelf uitvond - de kunstenaar die zichzelf creëerde - de pionier in Nederland van de hernieuwde moderniteit in de naoorlogse kunst - het miskende natuurtalent - de Fries tegen wil en dank - de eenzame wandelaar die zijn eigen pad gaat - de schilder die het uit zijn eigen ziel haalt - Benner de zachte humanist..'

Dit soort beschrijvingen kwamen vaak terug in de - meestal lovende - naoorlogse kunstkritieken in Nederland tot ver na 1960, zoals o.a. van Jos de Gruyter, Hans Redeker, Hans Jaffé en Lambert Tegenbosch. Benner had met enkele van zijn uitspraken hier misschien zelf wel voeding aan gegeven. In zijn artikel 'Gerrit Benner als Crocodile Dundee'[17] haalt Huub Mous een reeks aspecten naar voren die de - in zijn ogen - bovenstaande stereotypen behoorlijk relativeren:
  • in zijn jonge jaren had Benner een avondcursus tekenen in Leeuwarden gevolgd, wat door recensenten vaak bewust verzwegen werd, zoals door de Friese journalist Eduard Kools van de Leeuwarder Courant, die hem graag als de volslagen autodidact wilde neerzetten.
  • al in 1928 (Benner was 31 jaar) had hij in de stad Groningen de tentoonstelling naar aanleiding van het 10-jarig bestaan van De Ploeg gezien.
  • Eric Slagter stelt dat Benner in 1930-37 regelmatig naar Amsterdam kwam om luxe damestasjes aan te kopen voor zijn winkel in Leeuwarden. Dan bezocht hij daarna regelmatig het Stedelijk Museum, waar hij de werken van Vlaamse Expressionisten zag zoals van Permeke en Gustave de Smet (in de collectie Regnault).
  • al kort na 1930 leerde Benner in Groningen Siep van den Berg en de expressionistische kunstenaar Oscar Gubitz kennen, die bijzonder goed op de hoogte waren van het Duitse Expressionisme.
  • in de oorlogsjaren leerde Benner op één van zijn onderduikadressen de schilder Wim Kersten al kennen die later hoofd-conservator werd in het Stedelijk Museum te Amsterdam.
  • zijn allereerste expositie in 1946 werd geopend met een woordje van Benner zijn vriend de bekende schrijver J.B. Charles; ook een groot bewonderaar van het werk van Werkman.
  • in Leeuwarden had Benner vanaf c. 1948 een goede mecenas aan de kunstverzamelaar dr. H.L. Straat, die hem een maandgeld van 100 gulden zou geven. Dezelfde Straat zou later Benner aanbevelen bij Willem Sandberg, de directeur van het Stedelijk, die ook een groot bewonderaar was van het werk van Werkman.
  • museum Het Princessehof in Leeuwarden organiseerde al in 1947 een solotentoonstelling voor Benner; de daaropvolgende exposities daar waren in 1949, 1954, 1961 en 1965.
  • in 1954 kocht de provincie Friesland zijn gouache Het Dorp' aan, voor 500 gulden.
  • Volgens Huub Mous had Benner weliswaar een klein, maar heel invloedrijk netwerk om zich heen kort na de oorlog; dat vertakte zich al gauw tot in Amsterdam, waar Benner vanaf 1954 ging wonen en werken. Ook als kunstenaar was hij volstrekt niet geïsoleerd.[17]

LidmaatschappenBewerken

Werk in openbare collecties (selectie)Bewerken

Bibliografie (selectie)Bewerken

  • Kuyvenhoven, F. (2010) Index Nederlandse beeldende kunstenaars, kunstnijveraars en fotografen. ISBN 9789072905550.
  • Loek Brons (1988), In de Ban van Benner. Catalogus bij de overzichtstentoonstelling in Singer museum Laren / Fries museum, Leeuwarden, 19 maart tot 30 juli 1989. ISBN 90 72853 02 4
  • Doeke Sijens, Han Steenbruggen, Judith Spijksma & Saskia Bak (2014), Gerrit Benner. Uitgave bij de dubbeltentoonstelling van het werk van Benner in het Fries Museum te Leeuwarden en het Museum Belvédère te Heerenveen-Oranjewoud van 4 oktober 2014 t/m 1 maart 2015. ISBN 9789071139222.
  • Jan Wessels, "Gerrit Benner overleden", Nieuwsblad van het Noorden van 18-11-1981 (p. 27, kolom 1-4 boven).

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken

  Wikiquote heeft een verzameling Engelstalige citaten gerelateerd aan Gerrit Benner.