Hoofdmenu openen

SitueringBewerken

Het familiaal vermogensrecht is een van de drie componenten van het burgerlijk recht (sensu stricto), naast het goederenrecht en het personen- en familierecht.

BronnenBewerken

WetboekenBewerken

De voornaamste bron van het Belgisch familiaal vermogensrecht is het Burgerlijk Wetboek (BW) van 21 maart 1804. Met name zijn volgende delen relevant:

  • voor het huwelijksvermogensrecht: de artikelen 203 tot 224 en 1387 tot 1474/1 BW;
  • voor het wettelijk samenwoningsvermogensrecht: de artikelen 1475 tot 1479 BW;
  • voor het erfrecht: de artikelen 718 tot 892/6 en 1100/1 tot 1100/7 BW;
  • voor het giftenrecht: de artikelen 893 tot 1100 BW.

Voor internationaal privaatrechtelijke aangelegenheden is het Wetboek van internationaal privaatrecht van 16 juli 2004 de voornaamste rechtsbron.

Bijzondere wettenBewerken

Eveneens zijn er enkele bijzondere wetten relevant, zoals:

  • de wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen;
  • de wet van 2 februari 1983 tot invoering van een testament in de internationale vorm en tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het testament;
  • de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit;
  • de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (Verzekeringswet).

SubtakkenBewerken

Het familiaal vermogensrecht omvat naar Belgisch recht drie subtakken, met name:

RelatievermogensrechtBewerken

HuwelijksvermogensrechtBewerken

Primair huwelijksvermogensrechtBewerken

Het primair huwelijksvermogensrecht is geregeld in de artikelen 203 tot 224 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het huwelijk maakt de echtgenoten niet handelingsonbekwaam (art. 212, derde lid BW). Dit was vroeger anders: tot 1958 werd een vrouw immers handelingsonbekwaam als zij in het huwelijk trad. Echtgenoten hebben in principe een vrije beroepskeuze, die zowel inhoudt of men een beroep wil uitoefenen en welk beroep men wil uitoefenen (art. 216 BW).

Iedere echtgenoot ontvangt zijn inkomen apart (art. 217 BW) en draagt naar zijn vermogen bij in de lasten van het huwelijk (art. 221 BW). Ze zijn hoofdelijk gehouden tot de schulden die men aangaat ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen (art. 222 BW).

Tevens kan iedere echtgenoot zonder toestemming van de andere een depositorekening openen of een brandkast huren (art. 218 BW).

Een belangrijke bepaling uit het primair huwelijksvermogensrecht is de bescherming van de voornaamste gezinswoning. De ene echtgenoot kan immers niet beschikken over deze woning, zonder de instemming van de andere (art. 215, §1, eerste lid BW). Men kan de voornaamste gezinswoning dus bijvoorbeeld niet eenzijdig verkopen of er een hypotheek op vestigen. Dezelfde bescherming geldt voor het aldaar aanwezige huisraad (art. 215, §1, tweede lid BW).

Secundair huwelijksvermogensrechtBewerken

Het wettelijk stelsel naar Belgisch recht is een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. In een huwelijkscontract kunnen echtgenoten dit echter moduleren tot een stelsel van gemeenschap van goederen of een stelsel van scheiding van goederen.

In het wettelijk stelsel spelen er drie vermogens: het eigen vermogen van iedere echtgenoot en het gemeenschappelijk vermogen (art. 1388 BW). Het Burgerlijk Wetboek bevat een regeling om te bepalen tot welk van deze drie vermogens de goederen van de echtgenoten behoren.

Iedere echtgenoot bestuurt zijn eigen vermogen alleen (art. 1425 BW). Uitzondering hierop is de hoger genoemde bescherming van de voornaamste gezinswoning en het aldaar aanwezige huisraad (art. 215 BW). Beide echtgenoten zijn bevoegd om het gemeenschappelijk vermogen te besturen (art. 1416 BW).

Het wettelijk stelsel neemt overeenkomstig art. 1427 BW een einde bij:

Slechts in de eerste drie gevallen gaat een ontbinding van het wettelijk stelsel gepaard met een ontbinding van het huwelijk.

Het Belgisch huwelijksvermogensrecht werd ingrijpend hervormd door de wet van 22 juli 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake (Wet Huwelijksvermogensrecht 2018), die ook deels een reparatie inhield van het erfrecht.

SamenwoningsvermogensrechtBewerken

Sinds de wet van 23 november 1998 kent het Belgisch recht de rechtsfiguur van de wettelijke samenwoning.

Het samenwoningsvermogensrecht heeft enkel betrekking op wettelijk samenwonenden, niet op feitelijk samenwonenden. De wettelijke bescherming van samenwonenden is minder verregaand dan de bescherming van echtgenoten.

Het Burgerlijk Wetboek definieert de wettelijke samenwoning als "de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd" (art. 1475 BW).

ErfrechtBewerken

Erfenissen vallen open door de dood (art. 718 BW). Om te kunnen erven moet men de erflater overleven (art. 720 BW).

EvolutieBewerken

Naar aanleiding van het arrest-Marckx in 1979 werd het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht grondig hervormd door de wet van 1976.

Het erfrecht werd ingrijpend gewijzigd door volgende wetten:

  • de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels;
  • de wet van 14 mei 1981 tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot;
  • de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake;
  • de wet van 22 juli 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake (Wet Huwelijksvermogensrecht 2018).

Erfrecht is niet te verwarren met het erfpachtrecht, dat een zakelijk recht is en geen rechtstak.

ErfovereenkomstenBewerken

Een erfovereenkomst is in de regel verboden, tenzij de wet het toestaat (art. 1100/3 BW).

GiftenrechtBewerken

Naar Belgisch recht zijn er twee vormen van giften: de schenking en het testament (art. 893 BW).

Om te mogen schenken of te mogen testeren moet men gezond van geest zijn (art. 901 BW).

In principe kan iedereen schenkingen doen en testamenten opmaken (art. 902 BW). Dit valt echter te nuanceren met enkele rechtsonbekwaamheden. Minderjarigen kunnen niet schenken, maar wel testeren en dat vanaf de leeftijd van zestien jaar (art. 903 en 904 BW). Voogden kunnen geen schenkingen ontvangen van hun pupil tot zolang de vergoedingsrekeningen niet zijn opgemaakt (art. 907 BW). Personen die een gerechtelijk mandaat uitoefenen over of bewindvoerder zijn van meerderjarige beschermde personen, kunnen evenmin giften ontvangen van zulke personen (art. 908 BW). Artsen en verpleegkundigen kunnen geen schenkingen ontvangen en niet erven van hun patiënten die ze verzorgd hebben tijdens hun laatste ziekte (art. 909, eerste lid BW). Dezelfde beperking geldt voor personeelsleden van rusthuizen en voor de bedienaren van de erediensten (art. 909, tweede en vierde lid BW).

Deze onbekwaamheden kan men niet ontwijken door giften via tussenpersonen (art. 911 BW).

SchenkingenBewerken

Een schenking onder de levenden is een akte waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanneemt (art. 894 BW).

TestamentenBewerken

Een testament is een akte waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of over een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen (art. 895 BW).

Een minderjarige kan testeren vanaf de leeftijd van zestien jaar (art. 904 BW).

Er zijn naar Belgisch recht drie soorten testamenten:

  • een notarieel testament;
  • een eigenhandig testament;
  • en een internationaal testament.