Hoofdmenu openen

Tijdlijn van het stemrecht in België

(Doorverwezen vanaf Evolutie van het stemrecht (België))

Dit artikel geeft een tijdlijn van het stemrecht in België.

Inhoud

Overzicht huidig stemrechtBewerken

Kiezers zijn Belgische burgers vanaf 18 jaar die in België wonen. Zij worden automatisch op de kiezerslijsten geplaatst en vallen onder de opkomstplicht.

EU-burgers vanaf 18 jaar die in België wonen kunnen zich inschrijven om te stemmen voor Europese en gemeenteraadsverkiezingen, een recht vastgelegd in Europese verdragen. Niet-EU-burgers kunnen zich enkel inschrijven om te stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen, indien ze minstens vijf jaar in België wonen. Dit laatste migrantenstemrecht werd in 2004 ingevoerd na hevig politiek debat. Belgische burgers die in het buitenland wonen kunnen zich registreren in een diplomatieke of consulaire post in hun land van verblijf, om bij Europese en federale verkiezingen te stemmen. Voor al deze groepen is inschrijven niet verplicht, maar eens geregistreerd vallen ze in theorie wel onder de opkomstplicht.

Verkiezingen voor Belgen in België Buitenlanders in België Belgen in het buitenland
EU-burgers Niet-EU-burgers In een EU-land In een niet-EU-land
Kiezerskorps 7.975.658 kiezers
(per 1 augustus 2018)
130.559 ingeschreven
17,5% van 748.267 potentieel
(per 1 augustus 2018)
29.557 ingeschreven
15,2% van 194.593 potentieel
(per 1 augustus 2018)
128.902 ingeschreven
(per 1 maart 2014)
Europees Parlement Opkomstplicht Kunnen zich registreren Niet toegelaten Kunnen zich registreren Kunnen zich registreren
(bij wet van 17 november 2016)
Kamer van volksvertegenwoordigers Niet toegelaten Kunnen zich registreren
(bij wet van 18 december 1998)
Gemeenschaps- en gewestparlementen Niet toegelaten
Provincieraden Niet toegelaten
Gemeenteraden Kunnen zich registreren
(bij wet van 27 januari 1999)
Kunnen zich registreren
indien minstens vijf jaar in België wonend
(bij wet van 19 maart 2004)
Niet toegelaten

ParticipatiegraadBewerken

1830 - 1893 - cijnskiesrecht voor Belgische burgersBewerken

Vanaf het ontstaan van de Belgische staat in 1830 gold het cijnskiesrecht. Het kiessysteem werd geregeld in de Grondwet van 7 februari 1831 en de kieswet van 3 maart 1831. Enkel burgers die een bepaalde hoeveelheid cijns (belasting) betaalden hadden stemrecht waardoor er bij de nationale verkiezingen van 1831 slechts 46.000 Belgen stemgerechtigd waren voor de kamer. Voor de 51 nationale mandaten van senator waren er zelfs maar 400 personen[1] verkiesbaar. In het begin bestond het Belgische politieke landschap enkel uit katholieken en liberalen, zonder echte uitgebouwde partijstructuur. Pas later werden de Liberale Partij (1846) en de Katholieke Partij (1869) gesticht.

Een wet van 12 maart 1848 verlaagde de cijns en maakt de cijnsvoorwaarden eenvormig voor het hele land. Ook de cumulatie van het mandaat van volksvertegenwoordiger of senator met een ambtelijke functie werd uitgesloten. Bij wet van 9 juli 1877 ten slotte werd de stemming geheim.

1893 - 1918 - algemeen meervoudige stemplicht voor mannelijke Belgische burgersBewerken

Na bloedige stakingen in Wallonië en druk van de liberale progressisten en de socialisten werd in 1893 het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd onder de regering-Beernaert. Hierdoor had elke mannelijke Belgische burger van 25 jaar of ouder minstens één stem, een of twee extra stemmen waren mogelijk ofwel naargelang zijn opleidingen, ofwel naargelang de cijns die hij betaalde, ofwel een combinatie van beide. Het aantal kiesgerechtigden vertienvoudigde van 137.772 naar 1.370.687 waarbij 853.628 kiezers beschikten over 1 stem, 293.679 kiezers over 2 stemmen en 223.381 over 3 stemmen. Een kiezer kon maximaal over 3 stemmen beschikken. In totaal konden dus 2.111.127 stemmen uitgebracht worden waarbij een minderheid van 517.060 kiezers (37,7%) over een meerderheid van 1.257.499 stemmen (59,6%) beschikten.

De opkomstplicht werd ingevoerd en de kiesleeftijd werd vastgelegd op 25 jaar. Er werden ook voor het eerst provinciale senatoren verkozen.

De eerste verkiezingen onder dit stelsel vonden plaats op 14 oktober 1894, waarbij de recent opgerichte Belgische Werkliedenpartij voor de eerste keer in het parlement kwam met 28 zetels. Ondanks deze hervormingen bleef de Werkliedenpartij voor algemeen enkelvoudig stemrecht pleiten.

Criteria voor extra stemmenBewerken

Een extra stem was mogelijk voor gezinshoofden van 35 jaar of ouder die minstens 5 frank belasting betaalden, eigenaars van een gebouw ter waarde van minstens 2.000 frank of eigenaars van een spaarboekje of staatsschuldbewijzen ten belope van minstens 100 frank. Twee extra stemmen werden toegekend aan houders van een diploma van hoger secundair onderwijs of hoger.

1921 - 1947 - algemeen enkelvoudige stemplicht voor mannelijke Belgische burgersBewerken

Na de Eerste Wereldoorlog waren drastische wijzigingen in het politieke systeem niet meer tegen te houden (zie de revolutie van Loppem) en koning Albert I beloofde in zijn troonrede van 1918 om het algemeen enkelvoudig stemrecht in te voeren. Hier was eigenlijk een grondwetswijziging voor noodzakelijk, maar men wou de eerstvolgende verkiezingen toch al onder het nieuwe systeem laten plaatsvinden. Door middel van een gewone wet van 9 mei 1919 werd de kiesgerechtigde leeftijd verlaagd van 25 tot 21 jaar, had elke man maar één stem meer en werden er voor het eerst gecoöpteerde senatoren verkozen. Dit was een maatregel die vooral in het voordeel pleitte van de katholieken en de socialisten.

De verkiezingen van 16 november 1919 vonden plaats onder het nieuwe systeem, ondanks dat dit in feite ongrondwettelijk was. Het nieuw verkozen parlement voerde een grondwetswijziging door in 1920-1921 om de situatie te regulariseren.

Waar algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen immers nauwelijks controversieel was geworden, lag dit voor vrouwen enigszins anders. Liberalen en socialisten, ondanks dat deze laatste er in principe voorstander van waren, vreesden dat dit de dominante positie van de katholieken alleen maar zou versterken omdat ze meenden dat vrouwen te veel onder invloed stonden van de kerk. Het compromis bestond erin om vrouwen stemplicht te geven voor gemeenteraadsverkiezingen, wat gebeurde bij wet van 15 april 1920, en om de mogelijkheid te voorzien om dit later in te voeren voor parlementsverkiezingen met een wet die een tweederdemeerderheid vereiste.

1948 tot heden - algemeen enkelvoudige stemplicht voor alle Belgische burgersBewerken

Na de Tweede Wereldoorlog was de tijdsgeest zo gevorderd dat ook volledig vrouwenkiesrecht onvermijdelijk was geworden. Bij wet van 27 maart 1948 verkregen vrouwen stemplicht en mochten ze zich ook verkiesbaar stellen voor parlementsverkiezingen; enkele maanden later volgde dit voor provincieraadsverkiezingen. Op 26 juni 1949 konden alle vrouwen voor de eerste keer deelnemen aan parlementsverkiezingen.

Feitelijk bleven vrouwen in verhouding tot hun aandeel in de bevolking ondervertegenwoordigd in Kamer en Senaat. Om deze situatie om te buigen werd een systeem van positieve discriminatie door middel van quota ingevoerd die stelde dat elke kieslijst voor de helft uit vrouwen moet bestaan. Bij de eerste drie plaatsen op de lijst moet ook minstens één iemand van het andere geslacht staan.

LeeftijdsverlagingenBewerken

Geleidelijk aan werd de leeftijdsvereiste van het actief en passief kiesrecht voor alle niveaus verlaagd:

  • Bij wet van 1 juli 1969 werd de leeftijd om te mogen stemmen (actief kiesrecht) voor gemeenteraden verlaagd van 21 naar 18 jaar.
  • In 1981 werd, onder de regering-Eyskens, ook voor parlementsverkiezingen de leeftijd van 21 naar 18 jaar verlaagd. Dit werd voor het eerst toegepast bij de verkiezingen van 8 november 1981.
  • De wet van 9 juni 1982 stelde de verkiesbaarheidsleeftijd (passief kiesrecht) op 21 jaar vast voor de gemeentelijke verkiezingen.
  • De wet van 7 januari 1991 verlaagde de verkiesbaarheidsleeftijd voor de gemeentelijke verkiezingen van 21 naar 18 jaar.
  • De grondwetswijziging van 1 februari 1991 verlaagde de verkiesbaarheidsleeftijd voor de Kamer van 25 naar 21 jaar
  • De grondwetswijziging van 5 mei 1993 verlaagde de verkiesbaarheidsleeftijd voor de Senaat van 40 naar 21 jaar.
  • De bijzondere wet van 2 maart 2004 (aanpassing BWHI) verlaagde de verkiesbaarheidsleeftijd voor de deelstaatparlementen van 21 naar 18 jaar.
  • De grondwetswijziging van 6 januari 2014 verlaagde de verkiesbaarheidsleeftijd voor Kamer en Senaat verder van 21 naar 18 jaar.

Enkel om verkozen te worden tot het Europees Parlement is nog de leeftijd van 21 jaar vereist. Alle andere leeftijdsvereisten, zowel actief als passief, zijn heden[wanneer?] op 18 jaar vastgesteld.

Net zoals in andere landen wordt tegenwoordig[wanneer?] echter voorgesteld om de leeftijd voor stemrecht te verlagen van 18 naar 16 jaar. Een amendement om dit in te voeren voor gemeenteraadsverkiezingen in Vlaanderen werd in mei 2017 overwogen in het Vlaams Parlement. CD&V, Open Vld, sp.a en Groen zijn voorstander, maar regeringspartij N-VA hield dit tegen.[2] Ook in het Waals Parlement werd in januari 2018 een wetsvoorstel (van Ecolo) voor stemrecht vanaf 16 jaar bij gemeenteraadsverkiezingen verworpen door MR, cdH en PS.[3]

Stemrecht voor buitenlanders in BelgiëBewerken

Door de invoering van het Europese burgerschap door het Verdrag van Maastricht in 1992 werd het een Europese verplichting om EU-burgers voor de gemeenteraadsverkiezingen te laten stemmen. Bij wet van 27 januari 1999 kregen EU-burgers in België dit stemrecht.

Bij wet van 19 maart 2004 werd ook het actieve en passieve migrantenstemrecht voor niet-Europese vreemdelingen die hier minstens vijf jaar legaal verblijven, ingevoerd voor de gemeenteraadsverkiezingen. Zij zijn echter uitgesloten van het mandaat van burgemeester en schepen[4].

Niet-Belgen mogen dus niet deelnemen aan federale, regionale en provincieraadsverkiezingen. Het vreemdelingenstemrecht geldt overigens wel voor de districtsraadsverkiezingen (in Antwerpen) maar niet voor de rechtstreekse verkiezing van OCMW-raden in de acht bijzondere faciliteitengemeenten.

Stemrecht voor Belgen in het buitenlandBewerken

De wet van 18 december 1998 tot wijziging van het Kieswetboek gaf voor de eerste keer stemrecht aan Belgen die in het buitenland gevestigd zijn, voor de verkiezing van het federale parlement (Kamer en Senaat). Deze wet was echter omslachtig en duur voor de Belgen in het buitenland en werd het dus nauwelijks toegepast.

De wet van 7 maart 2002 tot wijziging van het Kieswetboek vereenvoudigde de procedure; nog steeds echter enkel voor federale verkiezingen. Een Belg in het buitenland kon zich inschrijven als kiezer in een Belgische gemeente naar keuze. In de praktijk kozen de meesten voor de communautair gevoelige kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Eens ingeschreven is de kiezer in principe onderworpen aan de opkomstplicht.

Het Vlinderakkoord verving de vrije keuze door een objectief vast te stellen gemeente, namelijk de gemeente waar de persoon het laatst was ingeschreven in het bevolkingsregister. Bij gebreke daaraan zijn er nog verdere criteria.

De regering-Michel I wilde dit stemrecht uitbreiden naar de Europese en regionale verkiezingen. Bij wet van 17 november 2016 werd dit voor de Europese verkiezingen geregeld (en werden nog andere bepalingen aangepast op basis van ervaring uit voorgaande verkiezingen).[5][6] Op 26 augustus 2016 keurde de regering ook stemrecht bij gewestverkiezingen goed.[7] Daarvoor is wel een bijzondere meerderheid in het parlement vereist, waardoor het er niet kwam.

KiesstelselBewerken

1830 - 1900 - meerderheidsstelselBewerken

In 1830 kende België een meerderheidsstelsel met districten. De administratieve arrondissementen waren de kieskringen en, naargelang het bevolkingsaantal ervan, werden een of meerdere parlementsleden verkozen (bv. in 1898 18 Kamerleden in Brussel). De kiezer had evenveel stemmen als er zetels te vullen waren. In de eerste ronde was iemand alleen verkozen met een absolute meerderheid, eventueel volgde een tweede ronde tussen de best geplaatste kandidaten (dubbel zoveel als het aantal nog te vullen zetels). Wanneer de kiezers partijgetrouw stemden, dan haalden partijgenoten ongeveer evenveel stemmen en werden alle zetels in een kieskring door dezelfde partij bezet.

1900 tot heden - evenredige vertegenwoordigingBewerken

Onder druk van de liberalen die zowel in Vlaanderen als in Wallonië veel macht hadden verloren, werd in 1900 het proportionaliteitsbeginsel of de evenredige vertegenwoordiging ingevoerd, gebruik makend van de methode-D'Hondt, waarbij kleine arrondissementen werden samengevoegd tot één kieskring. Ook werden "opvolgers" ingevoerd, zodat er geen tussentijdse verkiezing in een specifiek arrondissement moest worden gehouden wanneer een verkozene bijvoorbeeld overleed. De eerste verkiezingen met dit systeem vonden plaats op 27 mei 1900.

Na de Eerste Wereldoorlog (1919) werd dit systeem nog evenrediger door per provincie 'verloren stemmen' bijeen te brengen (apparentering). Sinds 2003 zijn de provincies de kieskringen, zonder apparentering, met elk een kiesdrempel van 5%.

Gevolgen voor de Belgische politiekBewerken

Door deze evolutie werd er een einde gemaakt aan de hegemonie van de begoede mannelijke burger. Het heeft ook gezorgd voor de opgang van de socialistische Belgische Werklieden Partij en haar opvolgers, waardoor er een einde moest komen aan de homogene regeringen (1830-1870 liberalen en 1884-1916 katholieken).

Er gaat sinds 1917 ook meer aandacht uit naar de taalproblematiek en sociale aangelegenheden omdat dit uiteindelijk problemen zijn van de gewone burger.

Ten slotte verkreeg het parlement een veel grotere legitieme basis waardoor zijn macht aanzienlijk toenam.[8]

Zie ookBewerken