Hoofdmenu openen
Ethica, titelpagina
Manuscript van Baruch de Spinoza: Ethica. Biblioteca Vaticana, Vat. lat. 12838

Ethica, Ordine Geometrico Demonstrata (Ethiek volgens de meetkundige methode uiteengezet) is een filosofisch boek van Baruch Spinoza dat algemeen als zijn magnum opus wordt beschouwd. Het werd geschreven in het Latijn en in 1678 na zijn dood gepubliceerd.[1] Het thema van dit boek is het achterhalen van de begrijpelijke opbouw van het heelal en de plaats van de mens daarin. Het is evenzeer een werk over metafysica als over ethiek. Veel onderwerpen die erin behandeld worden had Spinoza al in eerdere publicaties behandeld. De geometrische methode (methode van de meetkunde) en de logische opbouw versterken het beeld dat het bedoeld was als een afgerond geheel.

In de Nederlandse Republiek stond het denken en zelfs de godsdienst veelal in het teken van de handel en de zeevaart.[bron?] Daar gaat Spinoza tegenin. De filosofie moet als levensleer dienstdoen. In theologische kringen, vooral in Duitsland, was Spinoza daarom een hinderlijke pantheïst of atheïst.[bron?]

Inhoud

Opbouw van de EthicaBewerken

De Ethica is opgebouwd volgens de meetkundige methode. Dat betekent dat net als in de Elementen van Euclides eerst definities (begripsbepalingen), axioma's (grondwaarheden) en postulaten (vereisten) worden gegeven. Daarmee kunnen volgens Spinoza stellingen net als in de meetkunde bewezen worden.

Eerste deelBewerken

Pars prima - eerste deel (De Deo - over God). - In het eerste deel ontvouwt Spinoza zijn metafysische inzichten over wat er achter de werkelijkheid kan zitten. Spinoza bewijst dat er slechts één substantie kan bestaan, die hij "God" of "Natuur" noemt. Hiermee neemt hij afstand van het cartesiaanse dualisme (materie/lichaam en geest zijn gescheiden bij Descartes, maar niet bij Spinoza). Ook gaat hij in tegen het joodse, christelijke en scholastieke dogma van de bovennatuurlijkheid (transcendentie) van God in het monotheïsme. Hij beschouwt dit vanuit een deterministisch perspectief, waarin hij teleologie radicaal ontkent[bron?]: als de reeks van werkende oorzaken teruggevoerd kan worden tot een eerste oorzaak, die traditioneel God genoemd werd, dan is die oorzaak noodzakelijkerwijs zijn eigen oorzaak (causa sui). Deze eerste oorzaak noemt Spinoza ook de scheppende natuur (natura naturans, naturende natuur), die de geschapen natuur (natura naturata, genatuurde natuur) voortbrengt; volgens Spinoza zijn deze twee identiek. Daarmee is de grondslag gelegd voor zijn naturalisme. Hij bewijst zijn stelling door uit te gaan van de godsdefinitie van Anselmus van Canterbury:

"datgene dan wat zich niets hogers denken laat.[2]"

. Spinoza's versie is

"een volstrekt oneindig zijnde, dat wil zeggen een substantie die uit oneindige attributen bestaat, waarvan ieder een eeuwige en oneindige essentie tot uitdrukking brengt.[3]"

Uit deze definitie volgt zijn bewijs voor het bestaan van slechts één substantie: twee substanties met dezelfde attributen zouden in werkelijkheid helemaal gelijk zijn en als er één substantie bestaat die alle attributen bezit, dan kan er slechts één substantie bestaan.

Spinoza onderscheidt van deze enige kenbare en bestaande substantie de attributen denken en uitgebreidheid, die beide dezelfde essentie uitdrukken. Alle ideeën zijn vormen (modi) van denken en alle voorwerpen hebben uitgebreidheid (zijn modi van uitgebreidheid). Aangezien een zogenaamd adequaat idee (waar idee) noodzakelijkerwijs met het voorgestelde object overeenkomt bestaat er een overeenkomst[4] tussen de reeksen modi van verschillende attributen, waardoor het voor Spinoza mogelijk is te zeggen dat de verschillende attributen op verschillende wijzen dezelfde essentie van de ene substantie uitdrukken.[bron?]

Voor de theologen van zijn tijd was de gelijkstelling van God en Natuur uitzonderlijk. Voor hem is God niet als een mens (antropomorf) te zien, niet als een persoon met gedachten en gevoelens, die de wereld met zijn "fiat" ("Er zij licht enzovoorts...") in Bijbelboek Genesis) geschapen zou hebben.

Tweede deelBewerken

Pars secunda - tweede deel (De Natura et Origine Mentis - over de aard en de oorsprong van de geest). - Hier begint Spinoza met definities van begrippen als lichaam, geest, idee, werkelijkheid. In de eerste stellingen werkt Spinoza de overeenstemming tussen idee en uitgebreidheid verder uit en werkt langzamerhand naar de definitie van de geest toe. Hij definieert de geest[5] als een deel van het oneindig verstand van God, ofwel, een modus (uitingsvorm) van het attribuut (eigenschap) denking van de substantie van God. Omdat, volgens het eerste deel van de Ethica alle attributen dezelfde essentie van de substantie uitdrukken, of, anders gezien, ieder adequaat idee noodzakelijkerwijs met een modus van uitgebreidheid correspondeert, is ook de geest aan een modus van uitgebreidheid verbonden. Spinoza bepaalt deze modus[6] tot het lichaam.

De daarna volgende uitweiding is het beroemde fysische intermezzo: Spinoza voert nieuwe definities en axioma's in om de aard van uitgebreide lichamen (voorwerpen, stoffen) te onderzoeken: enkelvoudig of samengesteld; hard, zacht of vloeibaar.

Vervolgens beschouwt hij de verhouding tussen de attributen. De geest kent het lichaam niet, alleen maar ideeën van de prikkels of aandoeningen. De geest kent alle andere uitgebreide voorwerpen evenmin. Daarna heeft Spinoza het over de ideeën van ideeën (ideae idearum). De passage gaat net zo als zijn beschouwing in zijn andere boek de Tractatus de Intellectus Emendatione, hoewel in de Ethica de ideeën van ideeën systematisch in zijn metafysica ingebed worden. Zoals in het oneindig verstand van God van ieder ding een idee bestaat, bestaat ook van ieder idee een idee, en van dat idee wederom een idee, enzovoorts, tot in het oneindige. De menselijke geest kent deze ideeën niet en behoeft ze ook niet te kennen om zekerheid te verwerven. Na deze poging tot weerlegging van scepticisme onderzoekt Spinoza het begrip waarheid. Ware kennis is niet meer dan de adequate idee van een object. Onware kennis is niet iets dat bestaat, maar een gebrek dat inadequate en verwarde ideeën met zich meebrengt. Wat volgt uit een waar idee is noodzakelijkerwijs ook waar.

Het laatste deel van het tweede deel behandelt kentheorie, eerst waar- en onwaarheid van ideeën en vervolgens een indeling van kennissoorten: 1. vage ervaring en beelden en verbeelding van dingen, 2. redeneren met algemeen erkende begrippen en voorstellingen van dingen, en 3. intuïtief inzicht. Alleen de laatste twee soorten kennis zijn bruikbaar. De menselijke geest heeft adequate (ware) kennis van het eeuwige en oneindige wezen van de substantie. Het verstand en de wil zijn hetzelfde, namelijk de bevestiging van een idee. Spinoza besluit het deel met een uiteenzetting van de voordelen van zijn theorie voor mens en samenleving.

Derde deelBewerken

Pars Tertia - derde deel (De Origine et Natura Affectuum - over de oorsprong en de aard van emoties). - Spinoza neemt zich in dit deel voor "de menselijke handelingen en de begeerten [te] beschouwen als betrof het een vraagstuk van lijnen, vlakken of lichamen"[7]. Hij ontwikkelt hier zijn psychologie, met definities van handelen, lijden, gevoelen. Onze geest handelt in zoverre hij adequate (ware) ideeën heeft en lijdt of ondergaat in zoverre hij inadequate (onware) ideeën heeft.

Alle lichamelijke aandoeningen hebben een geestelijke tegenhanger. Alles, dus ook de mens, streeft naar voortzetting van zijn bestaan. De geest (de mens qua denking) streeft dus ook naar deze voortzetting, zowel voor zover het adequate als voor zover het inadequate ideeën heeft. De geest is zich ook van dit streven bewust. Voor zover het streven met de geest in verband staat, noemt men het wil. Als het zowel met lichaam (de mens qua uitgebreidheid) en geest in verband staat, noemt men het aandrift. Als de mens zich er ook van bewust is, ofwel, een idee van de aandoening van het lichaam heeft, noemt men het begeerte. Dit streven vormt het wezen van de mens; deze theorie verheldert Spinoza's determinisme.

De primaire aandoeningen zijn blijdschap en droefheid. Blijdschap is een overgang naar een grotere volmaaktheid en droefheid een overgang naar een kleinere volmaaktheid. Alle overige aandoeningen kunnen uit deze twee tegengestelde hoofdcategorieën worden afgeleid. Zo is liefde bijvoorbeeld blijdschap, veroorzaakt door een extern object; en haat droefheid, veroorzaakt door een extern object. De overige aandoeningen die door Spinoza worden geanalyseerd zijn: verwondering, minachting, geneigdheid, afkeer, toewijding, bespotting, hoop, vrees, zorgeloosheid, wanhoop, vreugde, teleurstelling, meegevoel, genegenheid, verontwaardiging, overschatting, onderschatting, afgunst, medelijden, zelfvoldaanheid, neerslachtigheid, berouw, verwaandheid, zelfonderschatting, trots, schaamte, smachtend verlangen, navolging, dankbaarheid, welwillendheid, woede, wraakzucht, wreedheid, angst, moed, afheid, verbijstering, vriendelijkheid, gunstbejag, vraatzucht, drankzucht, hebzucht en wellust. Deze worden eerst in de meetkundige stijl geanalyseerd en aan het einde van het deel nog eens bondig opgesomd. Onder meer Bennett[4] heeft erop gewezen dat de definities in de twee uiteenzettingen soms van elkaar afwijken.

Vierde deelBewerken

Pars Quarta - vierde deel (De Servitute Humana, seu de Affectuum Viribus - over de afhankelijkheid van de mens, ofwel over de kracht van emoties). - Hier gaat het dan om de eigenlijke ethische uitgangspunten.

Vijfde deelBewerken

Pars Quinta - vijfde deel (De Potentia Intellectus, seu de Libertate Humana - over de macht van het verstand, ofwel over de menselijke vrijheid). - De ware macht en kennis ziet Spinoza in het erkennen van de '"goddelijke noodzaak van het bestaan van de dingen'" (het begrijpen van de keten van oorzaak en gevolg), dát is vrijheid, deugd en geluk. Door onze emoties te begrijpen kunnen we ons aan de kracht van de emoties ontworstelen. 'Vrij' is degene die redelijk en in zijn eigen belang, dat wil zeggen overeenkomstig zijn natuur handelt.

Schema van de stellingen[8]Bewerken

Deel 1 GodBewerken

  • Definities en axioma's (grondwaarheden)
  • Wat God inhoudt: 1-6 Er is maar één substantie. 7-10 Oneindigheid en bestaan van de substantie. 11-15 God is een absoluut oneindige substantie.
  • Welke dingen uit God volgen en door God worden voortgebracht: 16-20 Hoe God werkt. 21-23 Eeuwige en oneindige dingen. 24-29 Scheppende en geschapen natuur. 30-36 Verstand, wil, kracht.
  • Aanhangsel: Vooroordeel over de noodzakelijkheid enzovoorts.

Deel 2 De menselijke geestBewerken

  • Definities en axioma's
  • Geest en lichaam: 1-9 Denken, uitgebreidheid, voorstelling. 10 - 13 De geest is de voorstelling die bij het lichaam hoort. Uitweiding: vooronderstellingen over de aard van voorwerpen en het menselijk lichaam
  • Kennis: 14-23 Waarneming en verbeelding. 24-31 Onvolkomen voorstellingen. 32-39 Onjuistheid en waarheid. 40-43 Drie soorten van kennis. 44-47 Afdoende kennis.
  • Wil en verstand: 48-49 komen op hetzelfde neer.

Deel 3 De hartstochten (aandoeningen)Bewerken

  • Definities en postulaten (vereisten)
  • Inleiding: 1-3 Handelingen en aandoeningen. 4-8 Overlevingsdrang.
  • Aandoeningen: 9-11 Primaire aandoeningen. 12-57 Secondaire aandoeningen. 58-59 Aandoeningen die handelingen zijn.
  • Samenvatting. Definities van 48 aandoeningen.

Deel 4 De macht van de hartstochtenBewerken

  • Voorrede, definities en axioma's
  • De menselijke staat: 1-18 De oorzaken van de menselijke onmacht en wispelturigheid 19-28 Utile proprium, menselijke deugd 29-37 Het algemeen belang, samenleving
  • Onderworpenheid en vrijheid: 38-58 Goede en slechte aandoeningen. 59-66 Leven volgens het verstand 67-73 Het leven van de vrije mens
  • Samenvatting. Aanhangsel in 32 hoofdstukken: De juiste levenswijze

Deel 5 De macht van het verstandBewerken

  • Voorrede en axioma's
  • Oplossing voor de hartstochten: 1-10 Goed regelen van de aandoeningen van het lichaam. 11-20 God liefhebben.
  • Het hoogste geluk: 21-23 Duurzaamheid van de geest. 24-31 Zelfkennis en kennis van God met de derde soort kennis. 32-37 Verstandelijke liefde voor God. 38-41 Eeuwigheid van de geest, echte vroomheid en godsdienst. 42 Geluk is niet de beloning voor de deugd, maar de deugd zelf.

VoorbeeldenBewerken

Bewijzen en toelichtingen in de Ethica worden hier niet vermeld.

  • "Met substantie bedoel ik datgene, wat op zichzelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen. Dat wil zeggen dat het niet een ander begrip vooronderstelt waaruit het moet worden afgeleid." (Deel 1, definitie 3)
  • "Met attribuut bedoel ik wat door ons verstand als het wezen van een substantie wordt gezien." (Deel 1, definitie 4)
  • "Met God bedoel ik het volstrekt oneindige wezen, dat wil zeggen een substantie, die bestaat uit een oneindig aantal attributen, die ieder een eeuwig en oneindig wezen uitdrukken." (Deel 1, definitie 6)
  • "Begeerte is het wezen van de mens, die door een van zijn aandoeningen ertoe gebracht wordt iets te doen." (Deel 3, Definities van de aandoeningen 1)[9]
  • "Blijheid is de overgang van de mens van mindere tot grotere volmaaktheid." (Deel 3, Definities van de aandoeningen 2)
  • "Droefheid is de overgang van de mens van grotere tot mindere volmaaktheid." (Deel 3, Definities van de aandoeningen 3)
  • "Verbazing is zo'n voorstelling van iets, dat het de geest blijft boeien, terwijl deze bijzondere voorstelling niets te maken heeft met andere (gelijktijdige) voorstellingen." (Deel 3, Definities van de aandoeningen 4)
  • "Wat het huwelijk betreft: dit is ongetwijfeld in overeenstemming met de Rede wanneer de begeerte naar lichamelijke vermenging niet alleen wordt opgewekt door schone vormen, maar ook door het liefdevol verlangen om kinderen voort te brengen en verstandig op te voeden, en wanneer verder de Liefde van man en vrouw, niet alleen voortkomt uit lichamelijke schoonheid, maar vooral uit de vrijheid van de ziel." (Deel 4, aanhangsel hoofdstuk 20)
  • "Naarmate de menselijke geest alles als oorzaak en gevolg begrijpt, heeft de mens meer macht over zijn aandoeningen en lijdt hij er minder onder." (Deel 5, stelling 6)
  • "Het geluk (de gelukzaligheid) is niet een beloning voor deugdzaamheid, maar is de deugdzaamheid zelf en wij zijn niet blij om het geluk omdat we onze lusten bedwingen, maar omgekeerd, omdat we blij zijn met het geluk zijn we in staat onze lusten te bedwingen. Bewijs:..... Maar al het voortreffelijke is even moeilijk als zeldzaam." (Deel 5, stelling 42. Einde van de Ethica.)[10]

Kritiek op de EthicaBewerken

  • Spinoza werd een pantheïstische en zelfs atheïstische filosofie verweten; zijn God was niet de God van de orthodoxe christenen of die van de joden.
  • Bij Spinoza was de rede (door middel van intellectuele contemplatie van God) het pad naar geluk, en die benadrukking van de rationaliteit werd hem door andere filosofen verweten.
  • Zijn concept van menselijke vrijheid is volgens enkele filosofen (Sartre) te beperkt. Volgens Spinoza kun je nooit echt een vrije keuze maken en geraak je niet los van de oorzaak-gevolg-keten die uiteindelijk alleen door God gekend is.

VertalingenBewerken

Werken over de EthicaBewerken

  • Knol, Jan, En je zult spinazie eten, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2012