Hoofdmenu openen

De Eerste Javaanse Successieoorlog was een oorlog die woedde van 1677 tot 1707 op Java. In het Midden- en Oost-Javaanse rijk Mataram regeerde van 1645 tot 1677 sultan (soesoehoenan) Amangkoerat I van Mataram. Zijn zoon, de latere Amangkoerat II van Mataram, kwam tegen zijn vader in opstand, daarbij geholpen door een verwant, de vorst van Madoera, Troenajaya. Amangkoerat II en Troenajaya bezetten de hoofdstad van Mataram Kartasoera in 1677 en Amangkoerat I werd vermoord. Amangkurat II kwam door de militaire hulp die hij van Madurese kant had gekregen in de troonstrijd in een afhankelijke positie ten opzichte van Troenajaya. Troenajaya probeerde nu zijn invloed op Java te vergroten door de vorst van Kajoran, op Oost-Java, die tot dan toe een vazal van Mataram was geweest, aan zich te binden. Amangkoerat II, die zich hierdoor bedreigd voelde, en die meende dat Troenajaya uiteindelijk uit was op de troon van Mataram, riep daarop de hulp van de VOC in.

De te hulp geroepen VOC troepen, onder aanvoering van Anthonio Hurdt, versloegen Troenayaja bij Kediri en verjoegen hem van Oost-Java (1679). De Nederlanders legerden een garnizoen in Kartasoera, lieten daar een nieuwe kraton bouwen en bevestigden Amangkoerat II op troon van Mataram (1680). Als 'dank' voor de hulp die de VOC hem had verleend in zijn strijd om de troon verleende Amangkoerat II de VOC een groot aantal voorrechten: Het monopolie op de rijsthandel van en naar Mataram kwam nu helemaal in VOC handen, en daarnaast verkreeg de 'Kumpenie', zoals de VOC in die tijd op Java genoemd werd, alleenrecht op de invoer van opium en textiel en op de uitvoer van suiker vanuit de Noord-Javaanse havens Semarang en Japara. In deze steden werden Nederlandse douanekantoren opgericht. Bovendien werden de grenzen tussen Mataram en het Nederlandse gebied rond Batavia ('de Ommelanden') verder naar het oosten verschoven.

In Amangkoerat II's van de VOC afhankelijke situatie kwam verandering door de komst van Soerapati naar Kartasoera. Soerapati was een uit Batavia gevluchte slaaf, die, terwijl hij aan wisselende kanten meegevocht in de oorlog tussen de VOC en Bantam, veel westerse militaire ervaring had opgedaan. Hij bood Amangkoerat II zijn diensten aan om onder het juk van de VOC vandaan te komen. De Nederlandse diplomaat en aanvoerder van het garnizoen van Kartasoera, François Tack, werd door Soerapati samen met een groot deel van zijn troepen verslagen en gedood (1686). De overgebleven VOC soldaten ontkwamen maar met moeite heelhuids naar Japara op de noordkust van Java. Amangkoerat II ontkende tegenover de VOC in alle toonaarden dat hij Soerapati opdracht had gegeven voor deze acties tegen de Nederlanders, maar beloonde hem wel met een eigen vazalstaat in en om Pasuruan, strategisch gelegen tussen Madura en Mataram. Hier bouwde Soerapati zijn eigen kraton en gedroeg zich als een onafhankelijk vorst gedurende de volgende 20 jaar.

De VOC had na de harde klappen die zij in de strijd tegen Soerapati had opgelopen, en als gevolg van de oorlog die zij met Bantam voerde op West-Java, pas in het begin van de 18e eeuw de gelegenheid om zich weer in de aangelegenheden van Mataram te mengen. Amangkoerat II stierf in 1703 en zijn zoon Amangkoerat III van Mataram werd in zijn aanspraken op de troon gesteund door Soerapati. De VOC steunde de kandidaat van de hoge adel van Mataram, Amangkoerat III's oom Pangeran Puger. Na een korte strijd werd Pangeran Puger in het door de Nederlanders bezette Semarang gekroond als soesoehoenan Pakoeboewono I van Soerakarta (1704). Hierna werd Soerapati door VOC generaal Cnol, na zich tot het uiterste te hebben verweerd, bij Bangil voor Pasuruan verslagen (1706). Amangkurat III werd in 1707 gevangengenomen en naar Ceylon in ballingschap afgevoerd. Als dank voor de verleende hulp stond Pakoeboewono I de districten Parabyangan en Cirebon op West-Java aan de VOC af, en hij ging akkoord met gedwongen rijstleveranties aan de Nederlanders. Madura viel als gevolg van de Eerste Javaanse Successieoorlog ook in VOC-handen.